Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8947

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
24-001292-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:2858, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rioolputmoord en kofferbakmoord.

Op dinsdag 14 oktober 2008 is [slachtoffer 1] om het leven gebracht door vuurwapengeweld.

Dit vuurwapengeweld heeft zich afgespeeld in de groentezaak/toko van één van de medeverdachten in de [adres] te [plaats]. Na de liquidatie van [slachtoffer 1] is diens lijk in een vuilniscontainer gelegd en weggevoerd van de plaats van het delict en uiteindelijk in de kofferbak van zijn eigen auto achtergelaten in [plaats]. Op 1 december 2008 is het lijk van [slachtoffer 1] ontdekt.

Op 16 oktober 2008 is [slachtoffer 2] om het leven gebracht door vuurwapengeweld.

Dit vuurwapengeweld heeft zich afgespeeld bij de groentezaak/toko [naam] aan de [adres] te [plaats]. De verdachte was daar aanwezig op het moment waarop [slachtoffer 2] daar om het leven werd gebracht. Op 14 november 2008 is het lijk van [slachtoffer 2] ontdekt in een rioolput.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij één van de medeverdachten, doordat hij aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam een vuurwapen uit elkaar heeft gehaald en/of in elkaar heeft gezet, waarbij er een schot afging in de richting van het lichaam van die medeverdachte.

Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van het medeplegen van deze beide moorden en het verbergen en/of wegvoeren van de lijken van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], alsmede ter zake van het veroorzaken van zwaar lichamelijk bij één van de medeverdachten, tot een gevangenisstraf voor de duur van negenentwintig jaren en zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-001292-10

Uitspraak d.d.: 26 april 2013

Tegenspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 6 mei 2010 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 07-620475-08 en 07-600123-09, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Flevoland, Huis van Bewaring Lelystad te Lelystad.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 oktober 2011, 7 november 2011, 9 januari 2013, 7 april 2013, 8 april 2013, 9 april 2013, 10 april 2013 en 12 april 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot

- vernietiging van het vonnis van de eerste rechter;

- vrijspraak van de verdachte ter zake van het onder 07-600123-09 primair aan hem ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte ter zake van het onder het parketnummer 07-620475-08, onder 1 tot en met 4 en onder het parketnummer 07-600123-09 subsidiair aan hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig jaren;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair tweehonderddertig dagen vervangende hechtenis;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2], tot een bedrag van € 500,- en - oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, subsidiair vijf dagen vervangende hechtenis;

- niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in de vordering.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. R. Malewicz, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Het hof zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht om proceseconomische redenen vernietigen en zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is in de zaak met het parketnummer 07-620475-08 - na een nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 14 oktober 2008 tot en met 28 november 2008 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of ander(en) en/of alleen het lijk/lichaam van [slachtoffer 1] heeft/hebben verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer 1] te verhelen, door met dat oogmerk

- het lijk van die [slachtoffer 1] in een vuilcontainer te gooien/plaatsen en/of (vervolgens) in die vuilcontainer te vervoeren vanuit de groentewinkel/toko (genaamd [naam]) (gelegen aan de [adres] te [plaats]) naar een auto en/of

- het lijk van die [slachtoffer 1] in een kofferbak van een auto te leggen en/of

- (vervolgens) met die auto het lijk van die [slachtoffer 1] te verbergen/weg te voeren en/of die auto (met dat lijk) op een parkeerplaats achter te laten en/of

-(aldus) dat lijk aan het (directe) oog te onttrekken;

3.

hij op of omstreeks 16 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden;

4.

hij in of omstreeks de periode van 16 oktober 2008 tot en met 14 november 2008 in de gemeente [gemeente] en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, het lijk van [slachtoffer 2] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer 2] te verhelen door met dat oogmerk het lijk van die [slachtoffer 2] in de kofferbak van een auto te tillen/leggen en/of (vervolgens) met die auto het lijk van die [slachtoffer 2] te verbergen/weg te voeren en/of het lijk van die [slachtoffer 2] in een rioolput te gooien/stoppen/plaatsen en/of (aldus) dat lijk aan het (directe) oog te onttrekken;

Aan verdachte is in de zaak met het parketnummer 07-600123-09 - na een nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet (van korte afstand) met een pistool, in elk geval met een vuurwapen op/in de zij/milt, althans het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schotwond in de zij), heeft toegebracht, door opzettelijk (van korte afstand) met een pistool, in elk geval met een vuurwapen op/in de zij/milt, althans het lichaam van die [slachtoffer 3] te schieten;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig een pistool, in elk geval een vuurwapen uit elkaar heeft gehaald en/of (vervolgens) in elkaar heeft gezet, waarbij er een schot afging in de richting van het lichaam van [slachtoffer 3], waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond in de zij/milt, heeft bekomen, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de ambts- of beroepsbezigheden van deze was ontstaan.

Vrijspraak ter zake van het onder het parketnummer 07-600123-09 primair en subsidiair ten laste gelegde

Evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 07-600123-09 primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof acht evenmin het in die zaak subsidiair ten laste gelegde bewezen, zodat verdachte ook daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging met betrekking tot het onder het parketnummer 07-620475-08, onder 1 en 2 ten laste gelegde

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder het parketnummer 07-620475-08 onder 1 en 2 aan hem ten laste gelegde heeft begaan.

Op dinsdag 14 oktober 2008 is [slachtoffer 1] om het leven gebracht door vuurwapengeweld.

Dit vuurwapengeweld heeft zich afgespeeld in de groentezaak/toko van de medeverdachte [medeverdachte] in de [adres] te [plaats]. Na de liquidatie van [slachtoffer 1] is diens lijk in een vuilniscontainer gelegd en weggevoerd van de plaats van het delict en uiteindelijk in de kofferbak van zijn eigen auto achtergelaten in [plaats]. Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte betrokken is geweest bij het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van deze moord en bij het onder 2 ten laste gelegde verbergen en/of wegvoeren van het lijk van [slachtoffer 1]. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en grondt deze beslissing op het volgende.

Uit het strafdossier blijkt van planvorming van de verdachte, samen met de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte], om [slachtoffer 1] om het leven te brengen. Dit om een definitief einde te maken aan de omstandigheid dat [medeverdachte] wekelijks geldbedragen moest afstaan aan [slachtoffer 1]. In de kringen van de verdachte en zijn medeverdachten wordt in dat verband gesproken over afpersing van [medeverdachte] door [slachtoffer 1].

Er is derhalve een motief en er is een keuze voor een oplossing, namelijk liquidatie. Aan deze planvorming is uitvoering gegeven door de verdachte. Hij is degene die de uiteindelijke liquidatie heeft uitgevoerd op het moment dat [slachtoffer 1] – zoals wekelijks te doen gebruikelijk op een dinsdag - geld komt ophalen.

De medeverdachte [medeverdachte], aanwezig op de plaats van het delict op het moment van de liquidatie, wijst in het verhoor bij de politie de verdachte aan als degene die [slachtoffer 1] daar toen heeft neergeschoten.

De wijze waarop dat is gebeurd – [slachtoffer] is door het eerste schot (van drie schoten) van achteren neergeschoten terwijl hij in de winkel geld stond te tellen dat hij zo-even had ontvangen - duidt naar de uiterlijke verschijningsvorm daarvan ondubbelzinnig op voorbedachten rade. Uit het sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt van een inschotopening aan het achterhoofd. Voorts heeft [medeverdachte] op 9 maart 2009 tegenover de politie verklaard dat [verdachte] haar heeft verteld dat hij [slachtoffer 1] de eerste keer in zijn rug heeft geschoten, aldus van achteren.

Redengevend (en illustratief) voor de voorbedachte raad van de verdachte en [medeverdachte] is tevens het telefoongesprek dat de medeverdachte [medeverdachte] kort na de liquidatie heeft gevoerd met de medeverdachte [medeverdachte], waarin [medeverdachte] aan [medeverdachte] heeft gevraagd: “Is het klaar?”. Aangezien [medeverdachte] vóór dit telefoongesprek met [medeverdachte] een ander telefoongesprek heeft gevoerd met [medeverdachte] waarin hij haar heeft gevraagd [verdachte] te bellen “omdat er iets is gebeurd” en omdat “[slachtoffer 1] volgens hem in de winkel is”, kan deze vraag niet anders worden verstaan dan als erop te zijn gericht er naar te informeren of de liquidatie is gelukt of uitgevoerd.

Redengevend voor het medeplegen van dit feit tesamen met medeverdachte [medeverdachte] en illustratief) is mede het telefoongesprek dat de medeverdachte [medeverdachte] nadien heeft gevoerd met [medeverdachte] en waarin [medeverdachte] heeft verteld dat hij [betrokkene] heeft gebeld en deze [betrokkene] heeft gevraagd voor hem, [medeverdachte], op de winkel te passen tijdens de afwezigheid van [medeverdachte]. Dit als tegenprestatie voor de omstandigheid dat [betrokkene] nu dankzij hem, [medeverdachte], (ook) verlost is van zijn problemen met [slachtoffer 1].

Uit het strafdossier blijkt voorts dat [medeverdachte] er door [medeverdachte] telefonisch onmiddellijk van op de hoogte is gebracht dat [slachtoffer 1] in de winkel van [medeverdachte] om het leven was gebracht. In dat telefoongesprek heeft [medeverdachte] tegen [medeverdachte] gezegd dat de jongens zo komen om de rommel op te ruimen. Met “de jongens” is kennelijk gedoeld op de medeverdachte [medeverdachte] en een Indiase jongen, genaamd [betrokkene], die na enige tijd ten tonele zijn verschenen met een vrachtbusje en het lijk van [slachtoffer 1] vervolgens hebben verplaatst, samen met de verdachte. Dit verplaatsen hield volgens [medeverdachte] in dat het lijk van [sllachtoffer 1] in een vuilniscontainer is gedaan, waarna die vuilniscontainer is weggebracht uit de winkel.

Uit deze gang van zaken, die niet anders kan worden gezien dan als een uiterst gecontroleerde afwikkeling van de liquidatie, leidt het hof af dat zowel de liquidatie van [slachtoffer 1] als het wegvoeren van het lijk van [slachtoffer 1] onderdeel zijn geweest van het voorgenomen plan van de verdachte en [medeverdachte] om [slachtoffer 1] op gewelddadige wijze uit de weg te ruimen, aan welk plan op 14 oktober 2008 vervolgens uitvoering is gegeven.

De verdediging heeft ter terechtzitting van het hof van 12 april 2013 de betrouwbaarheid van de door [medeverdachte] afgelegde verklaring betwist, op nader aangevoerde gronden. In die gronden ziet het hof echter geen, dan wel onvoldoende aanwijzingen op grond waarvan de verklaring van [medeverdachte] van 24 maart 2009 als niet accuraat, niet betrouwbaar, dan wel ongeloofwaardig kan worden bestempeld.

Het hof gaat derhalve uit van de juistheid van hetgeen [medeverdachte] heeft verklaard over de feitelijke handelingen die de verdachte heeft verricht met betrekking tot het liquideren van [slachtoffer 1] en het wegvoeren van het lijk van [slachtoffer 1] en gebruikt die verklaring als bewijsmiddel.

Van de hierboven in de bewijsoverweging aangehaalde redengevende feiten en/of omstandigheden blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Van een situatie waarin het bewijs enkel en in beslissende mate berust op verklaringen van medeverdachten die belastend zijn voor de verdachte en ten aanzien waarvan de verdachte het hem toekomende ondervragingsrecht niet heeft kunnen effectueren, aangezien die medeverdachten zich, gehoord als getuige in de zaak van de verdachte, in eerste aanleg bij de rechter-commissaris en/of in hoger beroep ter terechtzitting van het hof, hebben beroepen op hun verschoningsrecht en geen enkele vraag van de verdediging hebben beantwoordt,

is daarbij geen sprake. Integendeel, het bewijs in deze berust hoofdzakelijk op hetgeen de medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard en andere bewijsmiddelen zoals het sectierapport, het NFI-rapport omtrent het in de knieholte van de broek van het slachtoffer aangetroffen celmateriaal waarvan het dna profiel overeenkomt met dat van verdachte in die zin dat met een kans kleiner dan 1 op een miljard dat materiaal van een willekeurig ander persoon afkomstig is en processen-verbaal van bevindingen omtrent de doodsoorzaak en het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1]. Hetgeen de medeverdachten hebben verklaard met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde levert daarnaast steunbewijs op.

Gelet op het bovenstaande acht het hof bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] en het verbergen en wegvoeren van diens lijk, zoals hierna nader aangegeven.

Bewijsoverweging met betrekking tot het onder het parketnummer 07-620475-08, onder 3 en 4 ten laste gelegde

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder het parketnummer 07-620475-08 onder 3 en 4 aan hem ten laste gelegde heeft begaan. Het hof grondt deze beslissing op het volgende.

Op 16 oktober 2008 is [slachtoffer 2] om het leven gebracht door vuurwapengeweld.

Dit vuurwapengeweld heeft zich afgespeeld bij de groentezaak/toko [naam] aan de [adres] te [plaats]. De verdachte was daar aanwezig op het moment waarop [slachtoffer 2] daar om het leven werd gebracht. Het hof dient de vraag te beantwoorden of de verdachte betrokken is geweest bij het medeplegen van deze moord en bij het verbergen en/of wegvoeren van het lijk van [slachtoffer 2]. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en grondt deze beslissing op het volgende.

Het hof stelt de volgende feitelijke gang van zaken op 16 oktober 2008 vast.

Er zijn die dag 16 oktober 2008 problemen tussen [medeverdachte] en [slachtoffer 2]. Het gaat daarbij om de afdracht van geld door [medeverdachte] aan [slachtoffer 2]. [medeverdachte] is daarover die dag erg nerveus en vermijdt het contact met [slachtoffer 2].

De verdachte gaat samen met [medeverdachte] en [medeverdachte] naar de toko van [medeverdachte] in [plaats], waar [slachtoffer 2] - zo weet de verdachte - die avond nog zal verschijnen om geld van [medeverdachte] te innen. Eenmaal gearriveerd bij de toko, worden de daar werkzame drie illegalen, onder wie de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte], naar achteren gestuurd door [medeverdachte].

[medeverdachte] heeft tegenover de politie in het verhoor op 26 maart 2009 verklaard dat hij van [medeverdachte] heeft gehoord dat [medeverdachte] en de medeverdachte [medeverdachte] er met elkaar over spraken dat er een probleem zou komen.Dit laatste duidt er naar het oordeel van het hof al op dat bekend was dat zich daar iets zou kunnen gaan afspelen dat weinig goeds voorspelde.

[medeverdachte] houdt zich vervolgens op in de kantoorruimte van de toko en de verdachte en [medeverdachte] houden zich elders in of bij de toko op. Op een gegeven moment arriveert [slachtoffer 2], waarop [medeverdachte] een gesprek met [slachtoffer 2] aanknoopt.

Op de vragen van [slachtoffer 2] aan [medeverdachte] waar [medeverdachte] is, antwoordt [medeverdachte] hem binnen een kwartier tot twee keer toe dat [medeverdachte] ergens in de buurt is en dadelijk wel zal komen. Dat blijkt uit de politieverhoren van [medeverdachte].

Deze mededelingen van [medeverdachte] aan [verdachte] kunnen niet anders gezien worden dan als verhullend en/of misleidend naar [slachtoffer 2] toe. Immers, uit niets blijkt dat [medeverdachte], die zich eerder op die avond zeer nerveus heeft getoond voor [slachtoffer 2], in de toko een persoonlijke ontmoeting met [slachtoffer 2] zal aangaan. Niet gebleken is voorts dat [medeverdachte] zich heeft ingesteld op een dergelijke persoonlijke ontmoeting en evenmin is gebleken dat [medeverdachte] daartoe enige intentie had of heeft geuit.

Integendeel, [medeverdachte] ging een (persoonlijk) contact met [slachtoffer 2] uit de weg op die avond, hetgeen niet duidt op een normale houding van [medeverdachte] jegens [slachtoffer 2], zoals het gesprek aangaan met [slachtoffer 2] en/of betalen aan [slachtoffer 2].

[slachtoffer 2] vertrekt vervolgens. Op het moment dat [slachtoffer 2] daarna terugkomt naar de toko, ontvangt [medeverdachte] op haar mobiele telefoon een sms-bericht, dat afkomstig is van [slachtoffer 2] en is gericht aan [medeverdachte], en dat door [medeverdachte] kennelijk naar haar is doorgestuurd vanaf zijn mobiele telefoon. De strekking van dat sms-bericht is dat er problemen komen wanneer [medeverdachte] nu niet tevoorschijn komt.

Enkele minuten nadien wordt [slachtoffer 2] neergeschoten door de verdachte. De verdachte is vervolgens rechtstreeks betrokken bij uitvoerende handelingen met betrekking tot het wissen van sporen van het misdrijf en het wegvoeren van het lijk, maar niet voordat hij persoonlijke eigendommen, waaronder de riem van het slachtoffer, heeft ingenomen

Uit deze gang van zaken, die niet anders kan worden gezien dan als een mede door de verdachte geregisseerde liquidatie en afwikkeling van de liquidatie, leidt het hof af dat zowel de liquidatie van [slachtoffer 2] als het wegvoeren van het lijk van [slachtoffer 2] onderdeel zijn geweest van het voorgenomen plan van in ieder geval de verdachte en [medeverdachte] om [slachtoffer 2] op gewelddadige wijze uit de weg te ruimen, aan welk plan op 16 oktober 2008 vervolgens uitvoering is gegeven en bij welke uitvoering medeverdachte [medeverdachte] zich heeft aangesloten.

Van contra-indicaties die in de weg kunnen staan aan de aanwezigheid van de voorbedachte raad, is niet gebleken, noch zijn die aannemelijk geworden. Hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd, te weten dat [medeverdachte] bij de politie heeft verklaard dat hij heeft gehoord dat [slachtoffer 2] eerst een wapen heeft getrokken en dat de verdachte daarop heeft geschoten, brengt het hof niet tot een ander oordeel. [medeverdachte] heeft niet uit eigen waarneming of eigen wetenschap kennis van deze beweerdelijke lezing van de feiten en voorts is onbekend welke de bron van wetenschap in deze zou zijn van [medeverdachte].Van de hierboven in de bewijsoverweging aangehaalde redengevende feiten en/of omstandigheden blijkt uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen.

Van een situatie waarin het bewijs enkel en in beslissende mate berust op verklaringen van medeverdachten die belastend zijn voor de verdachte en ten aanzien waarvan de verdachte het hem toekomende ondervragingsrecht met niet heeft kunnen effectueren, aangezien die medeverdachten zich, gehoord als getuige in de zaak van de verdachte, in eerste aanleg bij de rechter-commissaris en/of in hoger beroep ter terechtzitting van het hof, hebben beroepen op hun verschoningsrecht en geen enkele vraag van de verdediging hebben beantwoordt,

is daarbij geen sprake. Met name van de intentie van de medeverdachte [medeverdachte] om op gewelddadige wijze de personen uit de weg te ruimen die hij beschouwt als afperser, blijkt uit een andere bron, te weten de vader van [slachtoffer 2]. Het hof acht die intentie redengevend, nu die intentie niet slechts een intentie is gebleven, maar daaraan tot twee keer toe daadwerkelijk uitvoering is gegeven. De verdachte heeft zich aangesloten bij die intentie van [medeverdachte] en heeft zich daartoe opgeworpen als schutter.

Daarnaast kent het hof voorname bewijswaarde toe aan de omstandigheid dat op een onder de verdachte aangetroffen broekriem een DNA-spoor is aangetroffen dat overeenkomt met het DNA van [slachtoffer 2].

Gelet op het bovenstaande acht het hof bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] en het verbergen en wegvoeren van diens lijk, zoals hieronder nader aangegeven.

Bewijsoverweging met betrekking tot het onder het parketnummer 07-600123-09 meer subsidiair ten laste gelegde

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, heeft het hof uit het onderzoek ter terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder het parketnummer 07-600123-09 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. Het hof grondt deze beslissing op het volgende.

Uit het strafdossier blijkt dat de verdachte in een woonkamer waarin zich meerdere personen bevonden een vuurwapen ter hand heeft genomen dat hem onbekend was en waarvan hij zich vooraf niet heeft vergewist of dat vuurwapen was doorgeladen.

Dat vuurwapen is in zijn handen afgegaan. Daardoor zijn verdachte en [medeverdachte] gewond geraakt. Hij heeft een schotwond opgelopen in zijn bovenbeen en [medeverdachte] heeft een ernstige schotwond opgelopen in haar zij waarvoor zij moest worden geopereerd.

In de woonkamer waar het schietincident zich afspeelde waren meerdere personen aanwezig. Onder die omstandigheden heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam gehandeld door een wapen ter hand te nemen, waarvan verdachte verklaard heeft dit wapen niet te kennen en niet te hebben geweten dat het geladen was.

Door onder de hierboven weergegeven omstandigheden een vuurwapen ter hand te nemen acht het hof schuld van de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [medeverdachte] aanwezig.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 07-620475-08 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met het parketnummer

07-600123-09 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met het parketnummer 07-620475-08:

1

hij op 14 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een vuurwapen meer kogels afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2:

hij in de periode van 14 oktober 2008 tot en met 28 november 2008 in de gemeente [gemeente] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen het lijk/lichaam van [slachtoffer 1] heeft verborgen en weggevoerd, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer 1] te verhelen, door met dat oogmerk het lijk van die [slachtoffer 1] in een vuilcontainer te plaatsen en vervolgens in die vuilcontainer te vervoeren en het lijk van die [slachtoffer] in een kofferbak van een auto te leggen en vervolgens met die auto het lijk van die [slachtoffer] te verbergen/weg te voeren en die auto met dat lijk op een parkeerplaats achter te laten en aldus dat lijk aan het (directe) oog te onttrekken;

3:

hij op 16 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen kogels afgevuurd op/in het lichaam en/of het hoofd van voornoemde [slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

4:

hij in de periode van 16 oktober 2008 tot en met 14 november 2008 in de gemeente [gemeente] en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen het lijk van [slachtoffer 2] heeft verborgen en/of weggevoerd, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer 2] te verhelen door met dat oogmerk het lijk van die [slachtoffer 2] in de kofferbak van een auto te tillen/leggen en/of vervolgens met die auto het lijk van die [slachtoffer 2] te verbergen/weg te voeren en aldus dat lijk aan het (directe) oog te onttrekken;

Zaak met het parketnummer 07-600123-09

1 meer subsidiair:

hij op 17 oktober 2008 in de gemeente [gemeente] aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam een vuurwapen uit elkaar heeft gehaald en/of (vervolgens) in elkaar heeft gezet, waarbij er een schot afging in de richting van het lichaam van [slachtoffer 3], waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten een schotwond in de zij/milt, heeft bekomen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met het parketnummer 07-620475-08 onder 1 en 3 bewezen verklaarde levert telkens op:

medeplegen van moord.

Het in de zaak met parketnummer 07-620475-08 onder 2 en 4 bewezen verklaarde levert telkens op:

medeplegen van het verbergen, wegvoeren en wegmaken van een lijk, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Het in de zaak met parketnummer 07-600123-09 onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

aan zijn schuld te wijten zijn dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt,

Strafbaarheid van de verdachte

Omtrent de verdachte is op 27 maart 2010 gerapporteerd door dr. Th.A.M. Deenen, klinisch psycholoog. Dit rapport houdt met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte onder meer in dat bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Er zijn geen aanwijzingen dat dit anders zou zijn ten tijde van het ten laste gelegde.

Deenen acht zich niet in staat de vraag naar de mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte te beantwoorden, gelet op de omstandigheid dat de verdachte een ontkennende verdachte is.

Het hof is op grond van de inhoud van dit rapport van oordeel dat de hiervoor bewezen verklaarde delicten de verdachte geheel kunnen worden toegerekend.

Het hof acht de verdachte strafbaar, met inachtneming van het vorenstaande. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten en de omstandigheden waaronder die delicten zijn begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals daarvan bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Op 14 oktober 2008 is [slachtoffer 1] om het leven gebracht door vuurwapengeweld. Na deze liquidatie van [slachtoffer 1] is diens lijk in een vuilniscontainer gelegd en weggevoerd van de plaats van het delict en uiteindelijk in de kofferbak van zijn eigen auto achtergelaten in [plaats]. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven beroven van [slachtoffer 1] en aan het medeplegen van het wegvoeren van het lijk van [slachtoffer 1]. Pas op 1 december 2008 is het lijk van [slachtoffer 1] ontdekt.

Op 16 oktober 2008 is [slachtoffer 2] om het leven gebracht door vuurwapengeweld.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven beroven van [slachtoffer 2] en aan het medeplegen van het wegvoeren van het lijk van [slachtoffer 2]. Op 14 november 2008 is het lijk van [slachtoffer 2] ontdekt in een rioolput.

Door het plegen van deze delicten is de rechtsorde ernstig geschokt. De verdachte heeft door zijn handelen de slachtoffers het meest fundamentele recht dat hen toekwam, namelijk het recht op leven, ontnomen. Een dergelijk feit schokt de rechtsorde in het algemeen en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

Daarnaast heeft de verdachte door het meewerken aan het wegvoeren van de lijken een inbreuk gemaakt op het belang van het ongestoord laten van een lijk.

Aan de nabestaanden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is daardoor een onnoemelijk leed aangedaan, niet alleen gedurende de periode waarin de nabestaanden nog in de veronderstelling konden verkeren dat sprake was van vermissing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], maar ook vanaf het moment dat duidelijk werd wat er daadwerkelijk met hen was gebeurd. Dit leed van de nabestaanden is op indrukwekkende wijze verwoord ter terechtzitting van het hof, ter gelegenheid van het uitoefenen van het spreekrecht door en namens de nabestaanden.

Voor een weerzinwekkende daad als het medeplegen van moord past binnen het Nederlandse rechtstelsel geen andere straf dan gevangenisstraf, de zwaarste strafsoort. Volgens artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht kan voor moord worden opgelegd levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren.

Moord is één van de ernstigste delicten die de Nederlandse strafwetgeving kent, en rechtvaardigt naar zijn aard en ernst op zichzelf oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof voor het onder 1 en 3 bewezen verklaarde het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur noodzakelijk en geboden.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij één van de medeverdachten. Naar zijn aard is dit incident weliswaar aan te merken als een ongeluk, maar dan wel als een ongeluk dat heel goed fataal had kunnen aflopen.

Uit het meest recente uittreksel uit de justitiële documentatie met betrekking tot de verdachte waarover het hof beschikt blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake van het plegen van soortgelijke strafbare feiten, maar dat hij wel onherroepelijk is veroordeeld ter zake van het plegen van andersoortige delicten.

Het hof heeft voorts rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het strafdossier en de behandeling ter terechtzitting van het hof heeft kunnen blijken.

Het hof heeft tenslotte rekening gehouden met de rol en het aandeel van de verdachte in met name de onder 1 tot en met 4 bewezen verklaarde delicten, in die zin dat de verdachte de schutter is.

Gezien de bovenstaande overwegingen en uit het oogpunt van vergelding en normhandhaving, acht het hof de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 jaar in beginsel noodzakelijk en geboden.

Het hof stelt vast dat de zaak in hoger beroep in het algemeen behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, hetgeen in dit geval inhoudt dat de zaak op 17 mei 2012 behoorde te zijn afgerond.

Nu dit niet het geval is, is er gerekend vanaf die datum dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van ruim elf maanden, welke overschrijding geheel toe te schrijven is aan de omstandigheid dat aan de onderzoekswensen van de verdediging in hoger beroep op weinig voortvarende wijze uitvoering is gegeven. Dit niet alleen in de strafzaak van de verdachte, maar ook in de strafzaken van de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte], welke laatstgenoemde strafzaken in hoger beroep op proces-economische gronden gekoppeld zijn aan de met hun strafzaken samenhangende strafzaak van de verdachte.

Van enige andere reden die de vertraging zou verklaren en rechtvaardigen, is niet gebleken.

Het hof ziet hierin aanleiding om in de strafmaat rekening te houden met deze overschrijding, door de gevangenisstraf voor de duur van dertig jaar die het hof voornemens was op te leggen, te matigen tot negenentwintig jaar en zes maanden.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] zich in de strafzaak in eerste aanleg hebben gevoegd, dat deze benadeelde partijen in eerste aanleg niet-ontvankelijk zijn verklaard in de vordering en dat deze benadeelde partijen zich binnen de grenzen van de eerste vorde¬ring opnieuw hebben gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vorderingen tot schadevergoe¬ding in de strafzaak in hoger beroep voort.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.028,85, vermeerderd met de wettelijke rente.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, acht het hof de geclaimde kosten voor de herbegrafenis voor toewijzing vatbaar nu die schade als gevolgschade is aan te merken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2008 tot aan de dag van algehele voldoening.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Hoofdelijkheid

De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover de mededader het bedrag reeds heeft voldaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.065,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, is deze vordering ter terechtzitting van het hof van 10 april 2013 nader onderbouwd op het door de verdediging betwiste onderdeel.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2008 tot aan de dag van algehele voldoening.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Hoofdelijkheid

De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover één of meer van de mededaders het bedrag reeds heeft/hebben voldaan.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde parij 3]

Deze benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 5.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente.

Anders dan de verdediging heeft aangevoerd acht het hof deze vordering vatbaar voor toewijzing, gelet op de deugdelijke onderbouwing van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2008 tot aan de dag van algehele voldoening.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Hoofdelijkheid

De verdachte is jegens de benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover één of meer van de mededaders het bedrag reeds heeft/hebben voldaan.

In beslag genomen voorwerpen

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, genummerd 17, 29 en 98 van de beslaglijst van 31 maart 2010, zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane feiten aangetroffen. Zij behoren aan de verdachte toe en kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot belemmering van de opsporing daarvan. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang of de wet.

Met betrekking tot de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zal het hof de teruggave daarvan aan de verdachte gelasten, met uitzondering van de voorwerpen, genummerd 4, 11 en 58 van de beslaglijst van 31 maart 2010, ter zake waarvan het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende zal gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36d, 36f, 47, 57, 63, 151, 289 en 308 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 07-600123-09 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 07-620475-08 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 07-600123-09 onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 07-620475-08 onder 1, 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 07-600123-09 onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

29 jaar en zes maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de voorwerpen, genummerd 17, 29 en 98 van de beslaglijst van 31 maart 2010.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de voorwerpen, genummerd 1 tot en met 116 op de beslaglijst van 31 maart 2010, met uitzondering van de voorwerpen genummerd 4, 11, 17, 29, 51, 58, 77, 83, 92, 98.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de voorwerpen, genummerd 4, 11 en 58 van de beslaglijst van 31 maart 2010.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 07-620475-08 onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 23.028,85 (drieëntwintigduizend achtentwintig euro en vijfentachtig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 23.028,85 (drieëntwintigduizend achtentwintig euro en vijfentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 136 (honderdzesendertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 14 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 07-620475-08 onder 3 en 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.065,00 (duizend vijfenzestig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 1.065,00 (duizend vijfenzestig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 07-620475-08 onder 3 en 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededaders, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de een of meer anderen daarvan in zoverre zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover mededaders hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 16 oktober 2008 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededaders van de verdachte voormeld bedrag hebben betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. G. Dam en mr. G.M. Meijer-Campfens, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 26 april 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.