Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8841

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
26-04-2013
Zaaknummer
12-00537
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges.

Ontvankelijkheid hoger beroep. Verzending eerder dan poststempel. Bewijs. Schending hoorplicht. Terugwijzing op verzoek belastingplichtige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1072
Belastingblad 2013/234 met annotatie van M.R.P. de Bruin
V-N 2013/35.28.3
FutD 2013-1148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 12/00537

uitspraakdatum: 16 april 2013

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 juli 2012, nummer SBR 11/4160, in het geding tussen belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Utrecht (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Van belanghebbende is bij schriftelijke kennisgeving, gedagtekend 10 oktober 2011, ter zake van de aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart leges geheven ten bedrage van € 43,85.

1.2 Het daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaar is door de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Utrecht (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd doch de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens nog een nader stuk ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 21 maart 2013 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende alsmede de Ambtenaar.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 In zijn arrest van 9 september 2011, nr. 10/04967, LJN BQ4105, BNB 2011/257 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het in behandeling nemen van een aanvraag voor het verstrekken van een Nederlandse identiteitskaart geen dienst vormt in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, zodat heffing van leges uit hoofde van die bepaling niet mogelijk is.

2.2 De Regering heeft op 21 september 2011 een reparatiewet (genaamd ‘Regeling van een grondslag voor de heffing van rechten voor de Nederlandse identiteitskaart’; hierna: de Reparatiewet) ingediend bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Daarin is opgenomen dat heffing van leges voor het aanvragen van Nederlandse identiteitskaarten weer mogelijk is vanaf de dag na de datum van indiening van het wetsvoorstel (22 september 2011). Nadat het wetsvoorstel door de Tweede Kamer en de Eerste Kamer is aangenomen, is de Reparatiewet op 14 oktober 2011 in het Staatsblad gepubliceerd. De Reparatiewet is op 15 oktober 2011 in werking getreden en heeft een terugwerkende kracht tot 22 september 2011.

2.3 Op 10 oktober 2011 heeft belanghebbende bij de gemeente Utrecht een aanvraag ingediend voor het verstrekken van een Nederlandse identiteitskaart. Voor het in behandeling nemen van die aanvraag heeft de Ambtenaar belanghebbende € 43,85 aan leges in rekening gebracht.

2.4 Hiertegen heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend. Belanghebbende heeft de Ambtenaar verzocht hem te horen. De Ambtenaar heeft, zonder belanghebbende te horen, op 29 november 2011 uitspraak op bezwaar gedaan. Daarbij is het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.5 De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Ambtenaar de hoorplicht heeft geschonden maar heeft geen aanleiding gezien de zaak terug te wijzen naar het bestuursorgaan. Bij uitspraak van 5 juli 2012 heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, doch de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. Een afschrift van de uitspraak is op 6 juli 2012 aan partijen verzonden.

2.6 Bij brief van 17 augustus 2012 heeft belanghebbende hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het hogerberoepschrift is door belanghebbende per post verzonden. De enveloppe waarin het hogerberoepschrift van belanghebbende is verzonden vermeldt een poststempel van het postvervoerbedrijf met als datum 19 augustus 2012. Het hogerberoepschrift van belanghebbende is op 21 augustus 2012 door het Hof ontvangen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 Aan de orde is vooreerst de vraag of het hoger beroep tijdig door belanghebbende is ingesteld. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is voorts – onder meer – in geschil of de onderhavige zaak wegens schending van de hoorplicht moet worden teruggewezen naar de Ambtenaar. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend en de Ambtenaar ontkennend.

3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, die van de Ambtenaar en tot terugwijzing van de zaak naar de Ambtenaar teneinde – met inachtneming van de hoorprocedure – opnieuw op het bezwaar te beslissen.

3.4 De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid hoger beroep

4.1 De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb). In het onderhavige geval is, gelet op de verzending van de uitspraak van de Rechtbank aan partijen op 6 juli 2012, de termijn aangevangen op 7 juli 2012 (artikel 6:8 van de Awb) en geëindigd op (vrijdag) 17 augustus 2012. Het hogerberoepschrift van belanghebbende is op 21 augustus 2012 bij het Hof ingekomen. Geconcludeerd moet worden dat het hogerberoepschrift van belanghebbende in zoverre niet tijdig is ingediend (artikel 6:9, eerste lid, van de Awb).

4.2 Bij verzending per post, zoals hier, is een hogerberoepschrift echter tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Aan deze laatste eis is te dezen voldaan. De vraag is evenwel of belanghebbende het hogerberoepschrift voor het einde van de termijn (17 augustus 2012 24.00 uur) ter post heeft bezorgd.

4.3 In dat verband is het volgende van belang (zie HR 28 januari 2011, nr. 10/02285, LJN BP2138, BNB 2011/132).

4.4 Terpostbezorging vindt plaats op het moment waarop een poststuk in de brievenbus wordt gedeponeerd dan wel op het moment waarop het op een postvestiging wordt aangeboden (vgl. HR 29 mei 1996, nr. 30950, LJN AA1892, BNB 1996/282).

4.5 De omstandigheid dat een poststuk op een bepaalde datum door het postvervoerbedrijf is afgestempeld, sluit niet uit dat dit stuk op een eerdere datum ter post is bezorgd (vgl. HR 17 juni 2005, nr. 40737, LJN AT7649, BNB 2005/305).

4.6 Dat neemt niet weg dat het datumstempel van het postvervoerbedrijf veelal het enige vaststaande gegeven is met betrekking tot het tijdstip van terpostbezorging. In verband daarmee moet in gevallen waarin op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, als bewijsrechtelijk uitgangspunt worden genomen dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het desbetreffende poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld.

4.7 Voor afwijking van dit uitgangspunt bestaat aanleiding indien de rechter aannemelijk acht dat het poststuk ter post is bezorgd vóór de datum van afstempeling door het postvervoerbedrijf. De bewijslast hiervoor ligt bij de partij die stelt dat zij het poststuk vóór die datum ter post heeft bezorgd.

4.8 Gelet op deze regels, heeft te dezen – nu sprake is van een duidelijk leesbare poststempel op de enveloppe (zondag 19 augustus 2012) – als bewijsrechtelijk uitgangspunt te gelden dat het hogerberoepschrift op zondag 19 augustus 2012 door belanghebbende ter post is bezorgd. Belanghebbende heeft in de gedingstukken echter gesteld – onder overlegging van een afschrift van een bestand uit zijn computer – dat hij het hogerberoepschrift op vrijdag 17 augustus 2012 om 22.07 heeft geprint, om 22.09 uur heeft opgeslagen in zijn computer en vervolgens omstreeks 23.00 uur in de postbus aan de a-straat in Q heeft gedeponeerd. Ter zitting heeft belanghebbende zulks herhaald en – desgevraagd – eraan toegevoegd dat hij ervan op de hoogte was dat de hogerberoepstermijn op 17 augustus 2012 zou verstrijken. Het Hof acht het relaas van belanghebbende aannemelijk. Dit betekent dat het onderwerpelijke hogerberoepschrift voor het einde van de hogerberoepstermijn ter post is bezorgd, zodat belanghebbende op de voet van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

Schending hoorplicht

4.9 Tussen partijen is terecht niet in geschil dat – gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld – te dezen de zogenoemde hoorplicht in de bezwaarfase is geschonden. Met betrekking tot aan een dergelijke schending te verbinden gevolgen heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 18 april 2003, nr. 37790, LJN AF7495, BNB 2003/267 als volgt overwogen:

‘(…) rijst de vraag of ondanks het verzuim op de juiste wijze te horen, de uitspraak op het bezwaarschrift met toepassing van artikel 6:22 van de Awb in stand kan worden gelaten. Bij de beantwoording van die vraag moet in de overwegingen worden betrokken enerzijds dat het bepaalde in artikel 7:5 van de Awb, op grond waarvan de belastingplichtige recht heeft op een zorgvuldige behandeling van zijn bezwaren door het bestuursorgaan, geen dode letter mag worden, anderzijds dat de belastingplichtige niet gebaat is bij een vernietiging van de uitspraak op het bezwaarschrift, die slechts een herhaling van zetten oplevert en de duur van de procedure verlengt.

3.5.3. Dit een en ander in aanmerking genomen komt de Hoge Raad tot de conclusie dat de belastingrechter in beginsel inderdaad kan oordelen dat, indien de belastingplichtige op zijn bezwaar niet overeenkomstig de daarvoor gestelde regels is gehoord, aan dat gebrek in de uitspraak op het bezwaarschrift kan worden voorbijgegaan omdat de belastingplichtige door de gang van zaken niet is benadeeld. Het hof moet dan wel motiveren waarom de belastingplichtige niet is benadeeld, waarbij niet kan worden volstaan met de enkele redengeving dat het gebrek reeds is hersteld doordat de belastingplichtige zijn bezwaren in beroep schriftelijk heeft kunnen uiteenzetten en mondeling heeft kunnen toelichten.

Die omstandigheid zal echter in de regel wel voldoende zijn, indien het hof tevens vaststelt dat omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan tussen de inspecteur en de belastingplichtige (uiteindelijk) geen verschil van mening bestaat en het geschil betrekking heeft op een aangelegenheid waarbij de inspecteur geen beleidsvrijheid toekomt. Toepassing van artikel 6:22 van de Awb neemt overigens niet weg dat het hof in de gang van zaken aanleiding kan vinden de inspecteur te veroordelen in de kosten die de belastingplichtige in beroep heeft gemaakt.

3.5.4. Indien het hof tot de conclusie komt dat de belastingplichtige door de gang van zaken bij het horen is benadeeld, zal het de uitspraak op het bezwaarschrift moeten vernietigen. Het heeft vervolgens de keuze de zaak terug te wijzen naar de inspecteur, met opdracht de belastingplichtige alsnog volgens de regels te horen, dan wel zelf in de zaak te voorzien (artikel 8:72, lid 4, van de Awb). Dit laatste zal aangewezen zijn, indien het hof tot het oordeel komt dat de belastingplichtige ook zonder dat hij opnieuw in de bezwaarfase wordt gehoord, in het gelijk moet worden gesteld dan wel indien de belastingplichtige het hof heeft verzocht zelf in de zaak te voorzien. (…)’

4.10 Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn stelling dat hij door het niet horen in de bezwaarfase is benadeeld. Hij bepleit dat zijn zaak wordt teruggewezen naar de Ambtenaar. In aanmerking genomen dat belanghebbende de onderhavige heffing mede heeft bestreden met een beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dat omtrent de in dat verband van belang zijnde feiten en de waardering daarvan tussen de Ambtenaar en belanghebbende nog wel verschil van mening bestaat en dat met betrekking tot die aangelegenheid – het beroep op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur – de Ambtenaar wel enige (beleids)vrijheid toekomt, is het Hof – anders dan de Rechtbank – van oordeel dat het verzoek van belanghebbende om terugwijzing van de zaak naar het bestuursorgaan moet worden ingewilligd.

slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende treft doel. De overige grieven van belanghebbende behoeven geen behandeling. De Ambtenaar dient belanghebbende alsnog volgens de regels te horen.

5. Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Belanghebbende heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van verletkosten voor de procedure in hoger beroep ten bedrage van € 180 (4 uren à € 45). De Ambtenaar heeft ter zitting desgevraagd aangegeven zich met dat bedrag te kunnen verenigen. Het Hof zal die vergoeding aan belanghebbende toekennen. Belanghebbende heeft voorts aanspraak gemaakt op vergoeding van de in hoger beroep gemaakte reiskosten. Overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt het Hof die kosten vast op een bedrag van € 22. Mitsdien komt in totaal voor vergoeding in aanmerking een bedrag van € 202. Op vergoeding van andere kosten heeft belanghebbende geen aanspraak gemaakt.

6. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht;

- verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- wijst de zaak terug naar de Ambtenaar teneinde opnieuw op het bezwaar van belanghebbende te beslissen;

- veroordeelt de Ambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 202, en

- gelast de gemeente Utrecht aan belanghebbende te vergoeden het door belanghebbende voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 115.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 16 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 april 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.