Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8580

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
BK 11/00270 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of de Rechtbank het beroep tegen de uitspraak op bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of de Rechtbank de Heffingsambtenaar terecht heeft veroordeeld in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar (hierna; de kosten van bezwaar) heeft moeten maken. Indien ook deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of de Rechtbank bij de berekening van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase, de juiste wegingsfactor heeft toegepast. Tevens is in geschil of de Rechtbank bij de berekening van de kosten van rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep (hierna; de kosten van beroep) terecht een vergoeding heeft toegekend voor het deskundigenrapport.

Belanghebbende heeft incidenteel geappelleerd tegen de door de Rechtbank uitgesproken veroordeling in de kosten van het bezwaar en beroep. Belanghebbende bestrijdt het door de Rechtbank gehanteerde uurtarief voor de deskundige en de wegingsfactor van de zaak in beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2013, 1147 met annotatie van De redactie
V-N Vandaag 2013/1033
FutD 2013-1217
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Zittingsplaats Leeuwarden

nummer 11/00270

uitspraakdatum: 23 april 2013

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Deventer (hierna: de Heffingsambtenaar)

en het incidenteel hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank) van 19 juli 2011, nummer AWB 10/2124 in het geding tussen de belanghebbende en de Heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak a-straat 10 te Z (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2009 en naar de toestand op die datum voor het kalenderjaar 2010, vastgesteld op € 526.000 (hierna: de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen (hierna: de aanslag).

1.2 Namens belanghebbende is tegen de beschikking bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift is de Heffingsambtenaar tevens verzocht belanghebbende de kosten, die zij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken, te vergoeden (hierna: het verzoek). Bij uitspraak heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard en de bij de beschikking vastgestelde waarde verminderd tot € 461.000.

1.3 Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 19 juli 2011 gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek en de Heffingsambtenaar veroordeeld in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar (€ 393) en het beroep (€ 218,50) heeft moeten maken.

1.4 De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift, waarbij tevens incidenteel appel, is ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2013 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord namens de Heffingsambtenaar A, bijgestaan door B en namens belanghebbende haar gemachtigde C.

1.7 Beide partijen hebben een pleitnota overgelegd.

1.8 Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 De gemachtigde van belanghebbende is werkzaam bij D B.V., handelend onder de naam E, gevestigd te L. Tot de stukken van het geding behoort een machtiging, getekend 10 maart 2010, waarbij belanghebbende C machtigt “om namens haar bezwaar te maken en/of beroep aan te tekenen tegen de OZB-aanslag en/of de WOZ beschikking”.

2.2 Bij brief van 3 september 2010 heeft de gemachtigde aan de Heffingambtenaar een factuur, gedateerd 3 september 2010, en gericht aan belanghebbende verstrekt, met de volgende omschrijving: “Juridische werkzaamheden WOZ bezwaarschrift door E € 183,19 en Kosten deskundigenrapport taxatie € 275, totaal te betalen, inclusief BTW € 545,25” en met als bijschrift: “Betaling dient te geschieden na ontvangst van de proceskostenvergoeding van de gemeente”.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de Rechtbank het beroep tegen de uitspraak op bezwaar terecht ontvankelijk heeft geacht. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of de Rechtbank de Heffingsambtenaar terecht heeft veroordeeld in de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar (hierna; de kosten van bezwaar) heeft moeten maken. Indien ook deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of de Rechtbank bij de berekening van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase, de juiste wegingsfactor heeft toegepast. Tevens is in geschil of de Rechtbank bij de berekening van de kosten van rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep (hierna; de kosten van beroep) terecht een vergoeding heeft toegekend voor het deskundigenrapport.

Belanghebbende heeft incidenteel geappelleerd tegen de door de Rechtbank uitgesproken veroordeling in de kosten van het bezwaar en beroep. Belanghebbende bestrijdt het door de Rechtbank gehanteerde uurtarief voor de deskundige en de wegingsfactor van de zaak in beroep.

3.2 De Heffingsambtenaar voert aan dat de Rechtbank het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ten onterechte ontvankelijk heeft geacht. De Heffingsambtenaar stelt verder dat de Rechtbank ten onrechte een proceskostenveroordeling voor de bezwaarfase heeft toegekend en dat daarbij niet de juiste wegingsfactor voor het gewicht van de zaak is toegepast. Ter onderbouwing van het hoger beroep voert de Heffingsambtenaar -samengevat – het volgende aan. De Rechtbank had belanghebbende niet-ontvankelijk in haar beroep moeten verklaren omdat belanghebbende geen belang bij het beroep had. Aan de rechtsbijstandsverlening waren voor belanghebbende, gelet op de tussen de gemachtigde en belanghebbende gemaakte afspraken, immers geen kosten verbonden, omdat deze rechtstreeks bij de gemeente Deventer in rekening zouden worden gebracht, zodat voor vergoeding in aanmerking komende kosten van rechtsbijstand voor belanghebbende geheel ontbraken. Belanghebbende kon door een uitspraak van de Rechtbank dan ook niet in een gunstiger positie worden gebracht dan die, waarin zij na de uitspraak op bezwaar verkeerde. Er was geen rechtsgrond voor de veroordeling van de Heffingsambtenaar in de kosten van bezwaar. In artikel 7:15, lid 3, tweede volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat bij de beslissing op het bezwaar tevens wordt beslist op het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar. Dit betekent dat de Heffingsambtenaar op grond van de hem ten tijde van het doen van de uitspraak ter beschikking staande gegevens op het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar moet beslissen. De Heffingsambtenaar heeft daartoe in de bezwaarfase informatie van belanghebbende gevraagd. De gevraagde informatie is niet, althans niet volledig, verstrekt. Door het ontbreken van de bedoelde informatie was het voor de Heffingsambtenaar onmogelijk om vast te stellen of de kosten van bezwaar op belanghebbende drukten, of aan de zogeheten dubbele redelijkheidstoets was voldaan alsmede of er een verplichting tot het betalen van de kosten van bezwaar op haar rustte. De Heffingsambtenaar heeft bij besluit 27 mei 2010 de “Beleidsregel toepassing van wegingsfactoren bij vergoeding in de bezwaarfase 2010” (hierna: de Beleidsregel) vastgesteld. In de Beleidsregel is de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak gesplitst in ‘deelwegingsfactoren’. In dit geval zijn daarvan van belang de deelwegingsfactor die afhankelijk is gesteld van (het in geschil zijnde deel van) het bedrag van de aanslag en de deelwegingsfactor voor proceskosten. De beslissing van de Rechtbank is niet in overeenstemming met de Beleidsregel. De Heffingsambtenaar stelt voorts dat de Rechtbank ten onrechte een vergoeding voor het taxatierapport heeft toegekend. Hij voert daartoe aan dat het kantoor van de gemachtigde en het kantoor van de taxateur aan elkaar gelieerd zijn, dat de taxateur gelet op zijn relatie met de gemachtigde niet een objectieve taxatie kan uitvoeren en dat het taxatierapport te summier is opgesteld.

3.3 Belanghebbende stelt terecht ontvankelijk te zijn geacht in haar beroep tegen de uitspraak op het bezwaar. Haar gemachtigde verleent rechtsbijstand op basis van een ‘no cure, no pay’-systeem. Dit blijkt uit de informatie die op de website staat van E, alsmede uit de opdrachtovereenkomst die E met belanghebbenden sluit. Belanghebbende hoeft pas te betalen indien en voor zover er een vergoeding van proceskosten wordt toegekend.

3.4 Het gewicht van de zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure is, aldus belanghebbende, gemiddeld zodat hieraan per punt een factor van 1 moet worden toegekend. Daarnaast voert belanghebbende aan dat de kosten van het taxatierapport vergoed dienen te worden. Zij wijst erop dat het taxatierapport is opgemaakt door een taxateur. Onder verwijzing naar recente jurisprudentie, mede ten aanzien van het Besluit tarieven in strafzaken, bepleit belanghebbende uit te gaan van een uurtarief van € 78,50.

3.5 Het Hof verwijst voor de verdere onderbouwing van de standpunten van partijen naar wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken en wat zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

3.6 De Heffingsambtenaar concludeert primair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en niet-ontvankelijkverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover de Heffingsambtenaar daarin is veroordeeld in de kosten van het bezwaar en het beroep en meer subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover de Heffingsambtenaar daarin is veroordeeld in de kosten van bezwaar tot een bedrag van € 393 en vaststelling van dat bedrag op € 109.

3.7 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover daarin de kosten van rechtsbijstand in de beroepsfase zijn gesteld op € 218,50 en vaststelling van dat bedrag op € 874. Terzake van de kosten van het deskundigenberoep concludeert belanghebbende tot een bedrag van € 274,75 (€78,50 maal 3,5 uur).

4. Beoordeling van het geschil

4.1 De rechtsstrijd in eerste aanleg betrof de juistheid van de bij de uitspraak op bezwaar op de voet van artikel 7:15, lid 3, tweede volzin, van de Awb genomen beslissing op het verzoek van belanghebbende om toekenning van een vergoeding van de kosten van bezwaar. Nu deze beslissing een afwijzing van het verzoek behelsde, had belanghebbende om die reden reeds belang bij haar tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep. Belanghebbende kon door een uitspraak op haar beroep met betrekking tot het onderwerp van de tussen partijen bestaande rechtsstrijd derhalve in een gunstiger positie worden gebracht dan die, waarin zij na de uitspraak op bezwaar verkeerde. Ook overigens zijn er naar het oordeel van het Hof geen feiten gesteld of gebleken die tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep zouden kunnen leiden. Mitsdien heeft de Rechtbank belanghebbende terecht ontvangen in haar beroep.

4.2 Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat zij met de gemachtigde voor het maken van bezwaar, het instellen van beroep en de behandeling van het bezwaar en het beroep tegen de beschikking en de aanslag, een ‘no cure, no pay’- afspraak heeft gemaakt, die, wat betreft de bezwaarfase, inhoudt dat belanghebbende de vergoeding voor de werkzaamheden van de gemachtigde eerst verschuldigd zou zijn nadat de Heffingsambtenaar een vergoeding zou hebben betaald voor de kosten van bezwaar en voorts dat het door belanghebbende aan de gemachtigde verschuldigde bedrag gelijk zou zijn aan het bedrag dat door de Heffingsambtenaar ter zake was betaald. Bij dit oordeel neemt het Hof het volgende in aanmerking. De gemachtigde heeft in hoger beroep verklaard dat E hun diensten op basis van een ‘no cure, no pay’-afspraak verlenen. Deze verklaring stemt overeen met de informatie die daarover is opgenomen op de website van het kantoor en de tekst op de door de gemachtigde in de bezwaarfase overgelegde factuur.

4.3 Aan toekenning van een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand staat niet in de weg dat de bijstand is verleend op basis van een 'no cure no pay'-afspraak (vergelijk onder meer HR 16 november 2012, nr. 11/02517, LJN: BY2770). De omstandigheid dat belanghebbende de vergoeding voor de werkzaamheden van de gemachtigde eerst verschuldigd zal worden nadat de Heffingsambtenaar een vergoeding zal hebben betaald voor de kosten van het bezwaar, brengt, anders dan de Heffingsambtenaar betoogt, niet mee dat die kosten niet op belanghebbende drukken. Gelet op het een en ander, snijdt het betoog van de Heffingsambtenaar dat hij, toen hij uitspraak op bezwaar deed, over onvoldoende informatie beschikte om vast te stellen of belanghebbende terecht aanspraak maakte op vergoeding van de kosten van bezwaar, geen hout. Voorts beschikte de Heffingsambtenaar, anders dan hij stelt, bij het doen van de uitspraak over voldoende informatie om te beoordelen of met betrekking tot de kosten van bezwaar aan de dubbele redelijkheidstoets was voldaan. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende bij de uitspraak op bezwaar, deels, in het gelijk is gesteld wat betreft de vastgestelde waarde van de woning en voorts dat de hoogte van de door belanghebbende gevraagde vergoeding van kosten van bezwaar niet uitging boven de in het Besluit proceskosten bestuursrecht genoemde forfaitaire bedragen.

4.4 Ten aanzien van het gewicht van de zaak, in het kader van de vergoeding voor de kosten van het bezwaar, ziet het Hof geen aanleiding een andere wegingsfactor toe te passen dan de factor 1, zoals ook door de Rechtbank is toegepast. De door de Heffingsambtenaar gehanteerde Beleidsregel brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Hierbij neemt het Hof het volgende in aanmerking.

4.5 Onderdeel C1 van het Tarief van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) bevat de wegingsfactoren voor het gewicht van de zaak die oplopen van 0,25 tot 2 voor zaken die in zwaarte toenemen van zeer licht tot zeer zwaar. Dit onderdeel van het Bpb is bij het KB van 25 februari 2002, Stb. 2002, 113 als volgt toegelicht:

“Wegingsfactoren

Het gewicht van de zaak kan nader tot uiting worden gebracht in de wegingsfactoren. Dit kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. De uitkomst dient steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. Het bestuursorgaan heeft de bevoegdheid om in uitvoeringsvoorschriften vast te leggen op welke wijze de wegingsfactoren worden gehanteerd.”

Deze toelichting laat naar het oordeel van het Hof geen ruimte voor het toepassen van een deelwegingsfactor die afhankelijk is gesteld van (het in geschil zijnde deel van) het bedrag van de aanslag – nog daargelaten dat het bezwaar primair tegen de beschikking en alleen als gevolg van wetsfictie ook tegen de aanslag is gericht – en evenmin voor een deelwegingsfactor voor een verzoek om toekenning van een vergoeding van kosten van bezwaar. De Heffingsambtenaar heeft met wat hij dienaangaande heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat de op grond van de Beleidsregel door hem in dit geval van toepassing geachte deelwegingsfactoren steeds in overeenstemming zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. De Beleidsregel leidt daardoor in het onderhavige geval tot een uitkomst die, gelet op de aangehaalde passage uit de toelichting op het Bpb, niet in overeenstemming is met de bedoeling van het Bpb en dient in zoverre buiten toepassing te worden gelaten.

4.6 De Heffingsambtenaar heeft aangevoerd dat de kosten van het taxatierapport niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, omdat de deskundige niet onpartijdig is.

Tussen E en F BV, het kantoor waarvoor de taxateur werkzaam is, bestaat, aldus de Heffingsambtenaar, een zekere verwevenheid. De gemachtigde heeft ter zitting de juridische structuur geschetst. Het Hof overweegt dat wat er ook zij van de gelieerdheid tussen de beide rechtspersonen, dit er niet aan in de weg staat de taxateur aan te merken als een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Ook de stelling van de Heffingsambtenaar dat de taxateur onvoldoende objectief is omdat hij een financieel belang heeft bij de uitkomst van de taxatie, maakt dit niet anders. Het Hof merkt hierbij op dat in de bezwaarfase de waarde van de onroerende zaak, in de lijn van het bedoelde taxatierapport, is verlaagd en dat de inhoud van het taxatierapport ook overigens geen aanknopingspunten biedt voor de gestelde twijfel.

4.7 De Heffingsambtenaar heeft voorts gesteld dat vergoeding voor het door belanghebbende ingebrachte taxatierapport achterwege moet blijven gelet op het summiere karakter van het rapport. Deze grief slaagt evenmin Voor het oordeel op dit punt sluit het Hof eveneens aan bij het in het onder 4.3 genoemde arrest van de Hoge Raad van 16 november 2012, nr. 11/02517, LJN: BY2770, waarin is geoordeeld dat aan de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een door een deskundige aan belanghebbende uitgebracht taxatierapport niet de eis mag worden gesteld dat het een bijdrage heeft geleverd aan de beslissing van de rechter.

4.8 Voor de berekening van de kosten van de deskundige sluit het Hof aan bij de “Richtlijn voor de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties”, Staatscourant 2012, nr. 26039, (hierna: de Richtlijn). Dit betekent dat het uurtarief, gelet op de aard van de getaxeerde zaak, op € 50 te verhogen met - nu de omzetbelasting op belanghebbende drukt - BTW wordt gesteld en het aantal uren zal worden bepaald op 2, nu tussen partijen niet in geschil is dat de taxateur de woning niet inpandig heeft opgenomen. Voor zover tussen partijen in geschil is of de gemachtigde –jegens belanghebbende- ter zake van het deskundigenrapport aanspraak heeft gemaakt op een hoger bedrag dan € 50 per uur, kan dit gelet op vorenstaand oordeel, onbesproken blijven.

4.9 Ten aanzien van het gewicht van de zaak heeft de Rechtbank factor 0,25 toegepast. De Heffingsambtenaar heeft ter zitting van het Hof gesteld zich, subsidiair, te kunnen vinden in de door de Rechtbank toegekende factor. Nu de door de Rechtbank gehanteerde wegingsfactor tussen partijen onderwerp is van geschil, oordeelt het Hof, onder verwijzing naar de Richtlijn, dat de wegingsfactor in beroep gesteld moet worden op 0,5.

4.10 Het voorgaande betekent dat de kosten van de procedure in de bezwaarfase € 337 bedragen (1 punt voor het bezwaarschrift, waarde per punt € 218, wegingsfactor 1, en € 119 voor het taxatierapport (2 uur maal € 50, plus € 19 b.t.w). De kosten van het beroep stelt het Hof op € 437 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437, wegingsfactor 0,5)

Slotsom

4.11 Op grond van het vorenstaande is het principale hoger beroep ongegrond en is het incidentele hoger beroep gegrond.

5. Proceskosten

5.1. Het Hof ziet in de gegrondverklaring van het incidenteel appel aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep heeft moeten maken, het Hof zal gelet op de gegrondverklaring van het principaal appel de Heffingsambtenaar geen griffierecht in rekening brengen. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 472 (1 punt voor het geschrift waarin het incidentele hoger beroep is vervat, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 472). Met betrekking tot de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 0,5 overweegt het Hof dat in hoger beroep uitsluitend nog de proceskosten in geschil zijn (vergelijk de Richtlijn).

6. Beslissing

Het Hof

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

– verklaart het bij de Rechtbank ingediende beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de proceskosten;

– veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in bezwaar tot een bedrag van € 337;

– veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in beroep tot een bedrag van € 437;

– veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in hoger beroep tot een bedrag van € 472;

– gelast dat de gemeente Deventer aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 41 in verband met het beroep in eerste aanleg.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. van Leijenhorst, voorzitter, mr. R. den Ouden en

mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 23 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (G.J. van Leijenhorst)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 april 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.