Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8579

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
BK 12/00188 Motorrijtuigenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is of naheffingsaanslag terecht is opgelegd en de boetebeschikking, zoals verminderd door de Rechtbank, terecht is opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1156
V-N Vandaag 2013/1044
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 12/00188

uitspraakdatum: 23 april 2013

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 7 juni 2012, nummer AWB 12/814,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie, Autoheffingen (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening 10 november 2011 is aan belanghebbende voor het jaar tijdvak 17 juli 2010 tot en met 16 juli 2011 een naheffingaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 954 (hierna: de naheffingsaanslag). Bij beschikking is een boete opgelegd van eveneens € 954 (hierna: de boetebeschikking).

1.2 Bij uitspraak op bezwaar van 20 januari 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de boetebeschikking ongegrond verklaard.

1.3 Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Arnhem. De rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank), heeft bij uitspraak van 7 juni 2012 het beroep ongegrond verklaard voor zover het de naheffingsaanslag betreft, het beroep gegrond verklaard voor zover het de boetebeschikking betreft, de uitspraak op het bezwaar vernietigd voor zover deze de boetebeschikking betreft en de boete nader vastgesteld op € 95.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2013 te Leeuwarden. Belanghebbende en de Inspecteur zijn daar, met kennisgeving aan het Hof, niet verschenen.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is sinds 24 maart 1997 houder van de personenauto met kenteken YY-YY-00 (hierna: de auto).

2.2 Bij brief van 16 april 2008 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht de maandelijkse inning van € 63 motorrijtuigenbelasting bij voorkeur met ingang van 28 april 2008 stop te zetten. Ter onderbouwing van het verzoek merkt belanghebbende in deze brief onder meer op:

“Er wordt niet meer aan het verkeer deelgenomen met YY-YY-00.

De auto staat geparkeerd op een klein parkeerterrein tussen flatgebouwen dat alleen door omwonenden wordt gebruikt.”.

2.3 De Inspecteur heeft bij brief van 8 mei 2008 de ontvangst van de onder 2.2 genoemde brief bevestigd. In de brief merkt de Inspecteur voorts, voor zover hier van belang, het volgende op:

“Ook als u langere tijd geen gebruik maakt van de weg, bent u toch verplicht motorrijtuigenbelasting te betalen. U kunt dan wel gebruik maken van de schorsingsregeling. Als de schorsingsperiode drie maanden of langer duurt, hoeft u in die periode geen motorrijtuigenbelasting te betalen. Aan het schorsen zijn kosten verbonden.

Omdat schorsing te maken heeft met de kentekenregistratie, voert de RDW de regeling uit. Voor meer informatie over schorsing kunt u contact opnemen met de RDW [volgen postadres en telefoonnummer van de Rijksdienst voor het Wegverkeer,hierna: RDW]

De automatische incasso heb ik beëindigd. Indien er geen schorsing volgt, ontvangt u acceptgirokaarten.”.

2.4 Bij brief van 13 mei 2008 heeft belanghebbende, onder overlegging van kopieën van de onder 2.2 en 2.3 genoemde brieven, de RDW medegedeeld “graag in aanmerking te komen voor z.s.m. schorsing uit het kentekenregister voor een periode die naar schatting langer dan 3 maanden in beslag zal nemen”.

2.5 De directie van de RDW heeft bij brief van 28 mei 2008 de ontvangst van de onder 2.4 vermelde brief bevestigd. In de brief merkt de directie voorts, voor zover hier van belang, het volgende op:

“Naar aanleiding [van de onder 2.4 genoemde brief] stuur ik u de folder “Uw voertuig en het kenteken”. In deze folder kunt u in hoofdstuk 5 lezen hoe u de wettelijke voertuigverplichtingen (APK, WA-verzekering en de motorrijtuigenbelasting) kunt laten schorsen op het postkantoor.”.

2.6 In § 5.1 van de bij de brief van de RDW van 28 mei 2008 gevoegde folder staat onder meer:

“Wanneer alles in orde is betaalt u het schorsingsbedrag en ontvangt u een nieuw tenaamstellingsbewijs. Hierop staat vermeld: ‘Geschorst tot en met (datum)’.

De schorsing gaat onmiddellijk in. Vanaf dat moment mag u met uw voertuig geen gebruik meer maken van de openbare weg. Het voertuig moet dan op een ‘eigen’ terrein zijn geparkeerd.”.

2.7 De RDW heeft op aanvraag van belanghebbende de geldigheid van het kentekenbewijs van de auto een aantal keren geschorst, onder meer voor de periode van 23 juni 2010 tot en met 21 juni 2011.

2.8 Op 7 juni 2011 om 15:30 uur is bij een visuele controle van de Belastingdienst geconstateerd dat de auto op die dag en dat tijdstip geparkeerd stond in de a-straat te Z.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of naheffingsaanslag terecht is opgelegd en de boetebeschikking, zoals verminderd door de Rechtbank, terecht is opgelegd.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend. Hij concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking.

3.3 De inspecteur beantwoordt de in geschil zijnde vragen bevestigend. Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 19, lid 1, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) wordt voor tijdvakken die aanvangen tijdens een voor het motorrijtuig geldende schorsing onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen geen motorrijtuigenbelasting geheven. Bij constatering van gebruik van de weg met een motorvoertuig tijdens een voor het motorvoertuig geldende schorsing kan de motorrijtuigenbelasting worden nageheven over een tijdsduur van vier aaneengesloten tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het gebruik van de weg wordt geconstateerd (artikel 35, lid 1 en lid 2, van de Wet)

4.2 Naar het oordeel van het Hof behoort het parkeerterrein, waarop de auto ten tijde van de visuele controle geparkeerd stond (hierna: het parkeerterrein), tot de ‘weg’ in de zin van artikel 5 van de Wet en artikel 1, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wegenverkeerswet. Hieraan doet niet af dat het parkeerterrein gelegen is tussen flatgebouwen en alleen door de omwonenden wordt gebruikt. Evenmin is van belang wie de eigenaar van het parkeerterrein is. Doorslaggevend is dat het parkeerterrein voor het openbaar rijverkeer of ander verkeer openstaat.

4.3 Ook indien een motorvoertuig geparkeerd staat op een ‘weg’ in de zin van de onder 4.2 genoemde bepalingen, is er sprake van gebruik van de weg. Daarvoor is, anders dan belanghebbende kennelijk meent, niet nodig dat met het motorvoertuig aan het verkeer wordt deelgenomen. Voor matiging van de naheffingsaanslag vanwege de aard en/of de omvang van het gebruik van de weg laat de wet geen ruimte.

4.4 Naar het oordeel van het Hof kon de Inspecteur, gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, motorrijtuigenbelasting naheffen over het onder 1.1 vermelde heffingstijdvak.

4.5 Uit hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd met betrekking tot de onder 2.2 tot en met 2.6 vermelde correspondentie volgt dat hij de opvatting is toegedaan dat bij hem een rechtens te honoreren vertrouwen is gewekt dat aan heffing van motorrijtuigenbelasting in de weg staat. Het Hof kan belanghebbende daarin niet volgen. Bij dit oordeel neemt het Hof het volgende in aanmerking. De Inspecteur heeft belanghebbende in zijn reactie van 8 mei 2008 op de brief van belanghebbende van 16 april 2008 verwezen naar de RDW. De reactie van 8 mei 2008 bevat geen toezegging of informatie, inhoudende dat het parkeerterrein niet tot de ‘weg’ in de zin van de onder 4.2 genoemde bepalingen behoort; evenmin kan in de reactie worden gelezen dat heffing van motorrijtuigenbelasting achterwege zou blijven zolang de auto op het parkeerterrein geparkeerd stond. De Inspecteur hoefde naar aanleiding van de (beknopte) informatie in de brief van belanghebbende van 16 april 2008 over het geparkeerd zijn van de auto op het parkeerterrein geen actie te ondernemen. Ook de RDW heeft in zijn brief van 28 mei 2008 geen toezegging gedaan over het parkeren van de auto op het parkeerterrein, nog daargelaten of een toezegging van de RDW de Inspecteur kan binden. De bij de brief van 28 mei 2008 gevoegde folder bevat algemene informatie over (de gevolgen van) de schorsing. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende, afgaande op deze informatie, een handeling heeft verricht of nagelaten ten gevolge waarvan hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen, maar daarenboven schade lijdt. Reeds om die reden kan belanghebbende aan de informatie in de folder geen rechtens te beschermen vertrouwen ontlenen (Hoge Raad 26 september 1979, nr. 19 250, BNB 1979/311).

4.6 Voor de Inspecteur was de beslissing van de RDW om het schorsingsverzoek van belanghebbende in te willigen een gegeven; hij hoefde daarin – anders dan belanghebbende kennelijk meent - geen aanleiding te vinden om nader onderzoek te doen naar de fiscale merites van het parkeren op het parkeerterrein.

4.7 Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank met juistheid en op goede gronden beslist dat de Inspecteur een verzuimboete als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen mocht opleggen. Bij dit oordeel neemt het Hof het volgende in aanmerking. Belanghebbende heeft niet aan de voorwaarden voor de schorsingsregeling voldaan. Als gevolg daarvan is, naar hiervoor onder 4.1. tot en met 4.4. is overwogen, van hem terecht motorrijtuigenbelasting nageheven. Gelet op de zo-even vermelde wetsbepaling kon de Inspecteur belanghebbende om die reden een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4.920 opleggen. De Inspecteur heeft met toepassing van paragraaf 34 van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst de boete bepaald op 100% van de nageheven belasting, oftewel € 954 Met de duur van het niet voldoen aan de schorsingsvoorwaarden en de mate van verwijtbaarheid behoefde hij bij de boeteoplegging geen rekening te houden. Bijzondere omstandigheden of afwezigheid van alle schuld hadden aanleiding kunnen zijn tot matiging of het achterwege laten van de boete. Voor zover belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd, heeft beoogd te stellen dat er in dit geval sprake is van afwezigheid van alle schuld, kan het Hof hem hierin niet volgen omdat op belanghebbende de verantwoordelijkheid rust de voorwaarden en beperkingen van een schorsing na te komen en hij hierin heeft verzaakt. De Rechtbank heeft wel bijzondere omstandigheden geconstateerd, en heeft de boete naar aanleiding van het door de Inspecteur ingenomen standpunt dat de boete wegens de financiële omstandigheden van belanghebbende dient te worden verminderd tot € 95, nader op dat bedrag vastgesteld. Deze beslissing acht het Hof juist. Ook overigens is een verzuimboete van € 95 in dit geval, gelet op de omstandigheden van het geval en de aard van het verzuim, naar het oordeel van het Hof passend en geboden.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. van Leijenhorst, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 23 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

H. de Jong G.J. van Leijenhorst

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 april 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.