Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8298

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
200.122.175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep wordt de door de rechtbank uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling op grond van artikel 287 lid 2 Fw aangemerkt als een afwijzing in de zin van artikel 292 lid 3 Fw. Het verzoek wordt vervolgens, met instemming van appellante, inhoudelijk behandeld en afgewezen op de grond dat appellante niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van (een substantieel deel van) haar schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.122.175

(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland, locatie Almelo: 133960)

arrest van de eerste civiele kamer van 25 april 2013

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. T. Seker.

1. Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij verzoekschrift van 18 december 2012 heeft [appellante] bij de rechtbank Almelo een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

1.2 Bij vonnis van 12 februari 2013 heeft de rechtbank Oost-Nederland, locatie Almelo,

[appellante] niet-ontvankelijk verklaard in dat verzoek. Het hof verwijst naar voornoemd vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 19 februari 2013 ingekomen verzoekschrift is [appellante] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en heeft zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, haar toe te laten tot de wettelijke schuldsanerings-regeling.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, alsmede van de brief met bijlagen van 13 maart 2013 van mr. Seker.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 april 2013, waarbij [appellante] is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Seker.

2.4 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft mr. Seker de volgende stukken overgelegd: een aanmaning van Catalpa Kinderopvang B.V. (hierna: Catalpa) van 26 juli 2011, een jaaroverzicht kosten kinderopvang 2011 van Catalpa, een e-mailbericht van

23 augustus 2012 van [X] van de ISD Noordoost aan [appellante] van 24 augustus 2012, een aantal op 24 augustus 2012 gedateerde ‘COA-archiefgegevens’ en een e-mailbericht van

16 april 2013 van [Y] (als SPV’er werkzaam bij Mediant) aan [appellante].

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.

[appellante], geboren op [geboortedatum], vormt een gezin met haar twee kinderen van 11 en 6 jaar oud.

[appellante] heeft een opleiding als schoonheidsspecialiste, visagie en nailstyling afgerond. Met de door haar gevolgde tweejarige mbo-opleiding zorg & welzijn (niveau 2) is zij na het eerste cursusjaar gestopt. In het verleden was [appellante] werkzaam in de schoonmaak en in een kapsalon. De gemeente Enschede heeft [appellante] tot 5 mei 2013 vrijgesteld van haar sollicitatieverplichting.

[appellante] is aangemeld voor een behandelingstraject bij Mediant. Blijkens het hiervoor onder 2.4 genoemde e-mailbericht van 16 april 2013 houdt dat traject het volgende in: gedurende een jaar vinden 20 gesprekken (ongeveer één keer per twee weken) plaats, [appellante] wordt op de wachtlijst geplaatst voor een door haar te volgen Verstraining, waarbij de mogelijkheid wordt opengehouden dat na een aantal gesprekken afspraken met de psychiater worden gemaakt, eventueel in verband met medicatie.

[appellante] ontvangt een WWB-uitkering, die volgens de Verklaring Schuldsanering van

20 november 2012 € 1.063,71 netto per maand, exclusief vakantiegeld, bedraagt.

3.2 Bij besluit van 15 augustus 2008, verzonden 19 augustus 2008, heeft de ISD Noordoost de over de periode 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 aan [appellante] verstrekte netto bijstand, na verrekening van het voor [appellante] gereserveerde vakantiegeld van € 26,66, van € 1.410,34 van [appellante] teruggevorderd. Deze schuld staat vermeld onder no. 8 (Cannock Chase) van de hierna onder 3.3 te noemen schuldenlijst en bedraagt volgens die lijst nog € 1.066,68.

3.3 De schuldenlast van [appellante] bedraagt volgens het bij de Verklaring Schuldsanering gevoegde schuldenoverzicht van 20 november 2012 in totaal € 18.571,67. Tot deze schulden-last behoren naast de hiervoor onder 3.2 genoemde schuld aan de ISD Noordoost onder meer een schuld aan de gemeente Enschede van € 3.812,58 ter zake van bij besluit van 24 maart 2012 aan [appellante] verleende bijstand in de vorm van een geldlening, een schuld aan Necker-mann van € 212,85, een schuld aan Catalpa van € 3.805,43, een schuld aan het CJIB van

€ 1.146,-, een schuld aan Belastingdienst Oost van € 2.058,- (bestaande uit inkomensheffing over 2007, 2009 en 2010 en motorrijtuigenbelasting over 2012) en een schuld aan een webwinkel (wordt geïnd door Segoria) van € 156,95.

Niet in het schuldenoverzicht opgenomen, maar wel handmatig daarop bijgeschreven, is een schuld van € 1.000,- vanwege, naar [appellante] stelt, de overname door haar van een auto van haar neef voor een bedrag van € 1.000,-. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellante] aangegeven dat haar vorige auto (een Opel Corsa) pech kreeg en zij stante pede een andere auto moest hebben, omdat zij vervoer nodig had om vanaf de woning van haar moeder thuis te komen. Gezien de laatstgenoemde door [appellante] erkende schuld bedraagt de totale schuldenlast van [appellante] € 19.571,67.

3.4 De rechtbank heeft [appellante] in haar verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsane-ringsregeling niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 287 lid 2 van de Faillisse-mentswet (hierna: Fw). Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Bij brief van 2 januari 2013 heeft de rechtbank [appellante] opgeroepen voor de zitting van

5 februari 2013 en heeft zij [appellante] opgedragen uiterlijk één week voor die zitting de terugvorderingsbesluiten van de gemeente Enschede en de ISD Noordoost te overleggen. [appellante] is ter zitting van 5 februari 2013 verschenen, maar heeft de verzochte terugvorderingsbesluiten niet aan de rechtbank doen toekomen.

3.5 Het hof dient eerst te beoordelen of [appellante], gelet op het gesloten stelsel van rechts-middelen, ontvankelijk is in het door haar bij dit hof ingestelde hoger beroep.

In zijn arrest van 29 januari 2010 (LJN: BK4947) heeft de Hoge Raad de beslissing, waarbij een schuldenaar in zijn verzoek om toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk is verklaard, aangemerkt als een afwijzing van dat verzoek, waartegen hoger beroep openstaat ingevolge artikel 292 lid 3 Fw.

Het hof is van oordeel dat ook een niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 287 lid 2 Fw moet worden aangemerkt als een afwijzing in de zin van artikel 292 lid 3 Fw. [appellante] is derhalve ontvankelijk in haar hoger beroep. In hoger beroep, dat mede dient tot herstel van verzuimen in eerste aanleg, zijn de door de rechtbank gevraagde stukken alsnog overgelegd.

[appellante] heeft ter zitting het hof haar instemming gegeven om, in geval haar verzoek ontvankelijk wordt geacht, dat verzoek inhoudelijk door het hof te laten beoordelen. Het hof zal daartoe overgaan.

3.6 Het hof stelt voorop dat het op grond van het bepaalde in artikel 288 lid 1 onder b Fw aan [appellante] is aannemelijk te maken dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop haar verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. [appellante] dient om die reden aan de hand van stukken onder meer inzichtelijk te maken welke schulden er zijn, hoe hoog deze schulden (exact) zijn, wanneer deze zijn ontstaan en wat de ontstaansredenen van die schulden zijn.

3.7 Het hof is van oordeel dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van ten minste twee schulden, aan de Belastingdienst en Catalpa (tezamen € 5.863,43, bijna 30% van de totale schuldenlast), niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt dat zij te goeder trouw is geweest. Ook de diverse stukken die [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep met betrekking tot de schuld aan Catalpa heeft overgelegd, maken niet duidelijk hoe deze schuld is ontstaan en waarom deze is opgelopen tot de huidige omvang.

Voorts is het hof van oordeel dat [appellante] moet worden aangerekend dat zij, in de weten-schap dat zij al een aanzienlijke schuldenlast had, geen afstand heeft gedaan van haar auto en zelfs een andere auto heeft gekocht toen haar toenmalige auto ermee ophield. Dat [appellante], naar zij heeft gesteld, met name is aangewezen op een auto omdat zij haar kinderen in het kader van de omgangsregeling met hun vaders steeds moet brengen en halen, is, nog daargelaten dat niet valt in te zien waarom ook de vaders van de kinderen hierin geen aandeel zouden kunnen leveren, onvoldoende om het bezit van een auto met alle bijkomende kosten (verzekering, motorrijtuigenbelasting, onderhoud, brandstof) te rechtvaardigen. Als gevolg hiervan heeft [appellante] gedurende een langere periode bestaande schulden onbetaald gelaten en heeft zij nieuwe schulden laten ontstaan, onder meer omdat zij haar auto niet had verzekerd (waardoor de schuld aan het CJIB is ontstaan), de motorrijtuigenbelasting over 2012 niet heeft betaald (waardoor een deel van de schuld aan de Belastingdienst is ontstaan) en omdat zij een andere auto heeft gekocht (waardoor de schuld aan haar neef is ontstaan).

Daarbij valt naar het oordeel van het hof moeilijk te begrijpen dat [appellante] een essentiële betalingsverplichting als het voldoen van haar zorgpremie niet is nagekomen, maar wel tot nieuwe schulden leidende consumptieve bestedingen heeft gedaan, zoals de aanschaf van een grasmaaimachine (Neckermann) en het kopen van kleding via een webwinkel.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellante] ten aanzien van het onbetaald laten van haar bestaande schulden en ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van (een substantieel deel van) haar nieuwe schulden niet te goeder trouw is geweest en dat zij om die reden niet kan worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.8 Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek van [appellante] tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling toch zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. Het hof zal dan ook beslissen als hierna te melden.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland, locatie Almelo, van 12 februari 2013, en opnieuw recht doende:

wijst het verzoek van [appellante] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, Ch.E. Bethlem en H.L. Wattel, en is op 25 april 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.