Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8230

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-04-2013
Datum publicatie
25-04-2013
Zaaknummer
200.122.548
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Keuze aanschaf woning tegen lagere koopsom dan de destijds geldende taxatie- en executiewaarde met meefinanciering van bestaande schulden, waardoor aanzienlijk lagere maandlasten werden gerealiseerd, valt te rechtvaardigen. Inkomensterugval vanwege verlies baan, intreden recessie en crisis op de huizenmarkt - waardoor de echtelijke woning met zwaar verlies is verkocht - konden appellanten redelijkerwijs niet voorzien en valt hen niet te verwijten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.122.548

(zaaknummers rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Almelo: 133994 en 133995)

arrest van de eerste civiele kamer van 25 april 2013

inzake

[appellant sub 1],

en

[appellant sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. A.C.M. Scharenborg.

1. Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Almelo, van 19 februari 2013 zijn de verzoeken van appellanten (hierna te noemen: [appellant sub 1] en [appellant sub 2]) tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 27 februari 2013 ingekomen verzoekschrift zijn [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis en hebben zij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog op hen de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, alsmede het bericht met bijlagen van 8 april 2013 (ingekomen ter griffie van het hof op 9 april 2013) van

mr. Scharenborg.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 april 2013, waarbij [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Scharenborg.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.

[appellant sub 1], geboren op [geboortedatum], en [appellant sub 2], geboren op [geboortedatum], zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Samen hebben zij twee - thans nog minderjarige - kinderen. [appellant sub 2] heeft drie kinderen uit een eerder huwelijk.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben op 23 juli 2007 de door hen bewoonde huurwoning met een huur van € 750,- per maand van hun (destijds failliet verklaarde) verhuurder gekocht voor

€ 130.000,- (€ 143.776,48 inclusief aankoop- en hypotheekkosten). De taxatiewaarde van deze woning bedroeg € 177.500,- en de executiewaarde € 160.000,-. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben ten behoeve van de financiering van die woning een hypothecaire lening afgesloten bij ING Bank voor € 200.000,-. Met het vrijkomende bedrag hebben zij een aantal bestaande schulden afgelost ten bedrage van € 48.717,36, waaronder een schuld aan ABN AMRO bank ter zake van een flexibel krediet van bijna € 32.000,- (met een aflossingsverplichting van circa € 600,- per maand). Het restant van het te besteden bedrag (ruim € 7.500,-) is volgens de verklaring van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] besteed aan een (nieuwe) verwarmingsketel en aan overige kosten ten behoeve van de woning. Al met al hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hun vóór de aankoop van de woning te betalen maandelijkse last van circa € 1.200,- (huur, flexibel krediet ABN AMRO Bank en overige schulden) verlaagd naar € 866,- (de maandlasten van de bij ING Bank afgesloten hypothecaire lening). Ten tijde van de financiering van de woning was [appellant sub 1] werkzaam in loondienst, waarmee hij ongeveer € 1.675,- netto per maand verdiende. Volgens de ter zitting van het hof gegeven verklaring had [appellant sub 1] net promotie gemaakt en een vast dienstverband gekregen. Tot het gezinsinkomen behoorden ook door [appellant sub 2] gegenereerde inkomsten uit werkzaamheden in de horeca.

Nadat hij in juni 2008 was ontslagen, is [appellant sub 1] per 1 september 2008 bij een andere werkgever in dienst getreden. Zijn inkomsten bedroegen ongeveer € 1.775,- netto per maand. Per 1 mei 2009 is het contract van [appellant sub 1] bij die werkgever vanwege economische omstandigheden beëindigd. Vervolgens heeft [appellant sub 1] een WW-uitkering ontvangen van

€ 1.115,20 netto per vier weken. In november 2009 is [appellant sub 1] via een uitzendbureau bij een bedrijf in Haaksbergen gaan werken en daarna bij een bedrijf in Oldenzaal. Bij dat laatste bedrijf verdient [appellant sub 1] volgens de Verklaring Schuldsanering van 19 november 2012

€ 1.661,58 netto per maand. Naar [appellant sub 1] ter zitting van het hof heeft verklaard, raakt hij eind april 2013 zijn baan kwijt en zal hij, mocht hij nog geen ander werk hebben gevonden, (andermaal) zijn aangewezen op een WW-uitkering.

[appellant sub 2] is nog steeds parttime werkzaam in de horeca. Haar inkomen varieert naar eigen zeggen tussen € 200,- en € 500,- netto per maand. [appellant sub 2] probeert bij haar huidige werkgever extra uren te verkrijgen en solliciteert volgens haar ter zitting van het hof gegeven verklaring daarnaast naar werk in de avonduren in de schoonmaak en in de zorg.

De woning van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is in 2012 executoriaal verkocht, met als opbrengst een bedrag van € 99.000,-. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bewonen thans een huurwoning voor € 479,- per maand.

3.2 De schuldenlast van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bedraagt volgens het bij de Verklaring Schuldsanering gevoegde schuldenoverzicht van 19 november 2012 in totaal ruim

€ 122.000,-. Tot deze schuldenlast behoren onder meer een resthypotheekschuld aan ING Bank van € 116.352,60 en een schuld aan Menzis van € 3.711,66.

3.3 De rechtbank heeft het verzoek van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, reeds omdat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het onbetaald laten van hun schuld aan ING Bank. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Bij de aankoop van de woning in 2007 hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] een hypothecaire geldlening afgesloten van € 200.000,-. Op dat moment hadden beiden een inkomen uit arbeid. Ter zitting hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] verklaard dat de hypotheekadviseur hen bij het aangaan van die financiële verplichting heeft meegedeeld dat het afsluiten van die hypotheek niet verstandig was en dat zij moesten hopen dat zij beiden hun werk zouden behouden. Desondanks hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] de hypothecaire geldlening afgesloten. [appellant sub 1] heeft in juni 2008 zijn baan verloren. Als gevolg van die inkomstenterugval waren [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vanaf begin 2009 niet meer in staat de hypotheeklasten te voldoen. Als gevolg van de hypotheekachterstand is de woning uiteindelijk in 2012 executoriaal verkocht en is een restschuld ontstaan.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hadden - nog steeds volgens de rechtbank - moeten inzien dat door het aangaan van de hypothecaire geldlening een teruggang in inkomsten tot onoverkomelijke problemen zou leiden, hetgeen kennelijk ook is geschied. Ondanks dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] waren gewaarschuwd door hun hypotheekadviseur, hebben zij willens en wetens een risico genomen door de hypothecaire lening toch af te sluiten. Daar komt nog bij dat [appellant sub 2] ter zitting heeft verklaard dat zij bij het aangaan van de hypothecaire verplichting financieel al hoge verplichtingen hadden en zij de woning eigenlijk niet hadden moeten kopen. Gelet hierop is het niet verwonderlijk dat bij een terugval in inkomsten de verplichtingen niet langer konden worden nagekomen. Weliswaar is de hypothecaire verplichting langer dan vijf jaar geleden voorafgaand aan de verzoeken van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] afgesloten, maar het risico van het onbetaald laten heeft zich verwezenlijkt binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan die verzoeken. Gelet hierop dient die omstandigheid voor rekening van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] te blijven en kan dat risico niet nu al op hun schuldeisers worden afgewenteld, aldus de rechtbank.

3.4 Het hof stelt voorop dat de hypothecaire geldlening in 2007 is afgesloten. De restschuld aan de ING Bank, die zijn oorsprong vindt in deze lening, is dus langer dan vijf jaar voor de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de wettelijke schuldsanerings-regeling ontstaan. Of [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ten aanzien van het ontstaan van deze schuld te goeder trouw zijn geweest, staat daarom niet meer ter beoordeling.

Op grond van de stukken, het verhandelde ter zitting in hoger beroep en onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 3.1 als feiten en omstandigheden wordt vermeld, is het hof bovendien, anders dan de rechtbank, van oordeel dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de aanzienlijke schuld aan ING Bank, welke schuld bijna 95% van de totale schuldenlast van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] omvat.

Daartoe neemt het hof in aanmerking dat de keuze van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] om in juli 2007 hun huurwoning tegen een relatief gunstige prijs aan te kopen met het (zich nadien ook verwezenlijkte) vooruitzicht dat hun maandlasten na die transactie aanzienlijk lager zouden uitvallen (circa € 1.200,- tegen € 866,-) te rechtvaardigen valt, temeer omdat [appellant sub 1] juist in die tijd promotie had gemaakt en een vast dienstverband had gekregen en ook [appellant sub 2] inkomsten uit arbeid verwierf. Voorts was toen de recessie nog niet ingetreden en gaven ook de omstandigheden op de huizenmarkt nog geen reden tot zorg. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] mochten dan ook aannemen dat de hypothecaire geldlening, waarin de bestaande schulden werden meegefinancierd, voor een belangrijk deel door de waarde van de woning werd gedekt, die destijds op € 177.500,- werd gewaardeerd.

De later ingetreden omstandigheden - [appellant sub 1] raakte zijn baan kwijt en kreeg daardoor met een substantiële inkomensterugval te maken met als gevolg dat de betalingsverplichtingen jegens ING Bank en andere schuldeisers niet meer konden worden nagekomen en de jaren later gedwongen verkoop van de echtelijke woning met een aanzienlijke restschuld als uitvloeisel van de crisis op de woningmarkt - konden [appellant sub 1] en [appellant sub 2] naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet voorzien. Voor [appellant sub 1] en [appellant sub 2] pleit in dit verband dat zij zich ten tijde van de keuze om al dan niet hun huurwoning te kopen breed hebben georiënteerd in de huursector ten einde mogelijk een andere huurwoning met een lagere maandlast te verkrijgen. De verklaring van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat hun pogingen om in aanmerking te komen voor een dergelijke woning op niets zijn uitgelopen, omdat hun gezinsinkomen daarvoor te hoog was, acht het hof aannemelijk. Bovendien hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] terecht gesteld dat ook al hadden zij een dergelijke woning met minder huur kunnen bemachtigen, dit nog onvoldoende was om het andere probleem waarmee zij te kampen hadden, namelijk de met hun schuldenlast van bijna € 49.000,- verband houdende maandelijkse aflossingsverplichtingen, op te lossen.

Dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] als gevolg van de gewijzigde, zoals reeds is overwogen: onvoor-zienbare, omstandigheden uiteindelijk niet meer in staat bleken ook andere verplichtingen dan aan ING Bank na te komen, acht het hof dan ook aannemelijk en evenmin verwijtbaar aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het om een relatief klein aantal andere schuldeisers gaat met een totaalschuld van beperkte omvang. Ten aanzien van enkele van deze schulden hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2], naar zij ter zitting hebben verklaard, reeds enkele aflossingen gedaan.

3.5 Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de verzoeken van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling moeten worden toegewezen. Het hoger beroep slaagt derhalve. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en er zal als volgt worden beslist.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Almelo, van

19 februari 2013, en opnieuw recht doende:

verklaart de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, Ch.E. Bethlem en F.J.P. Lock, en is op 25 april 2013 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.