Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7960

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
19-04-2013
Zaaknummer
200.078.785/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Uitlegging. Overgangsrecht. Ouderlijke boedelverdeling. Legitieme portie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.078.785/01

(zaaknummer rechtbank [Assen] 75673 / HA ZA 09-755)

arrest van de tweede kamer van 16 april 2013

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. J.V van Ophem te Leeuwarden,

voor wie gepleit heeft mr. A.A.M. Kroon-Jongbloed, advocaat te Groningen,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. K. van Barneveld-Peters te Arnhem, die ook heeft gepleit.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 25 november 2009, 3 maart 2010 en 8 september 2010 door de rechtbank [Assen], hierna te noemen de rechtbank.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 30 november 2010 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van het genoemde vonnis d.d. 8 september 2010, hierna te noemen het beroepen vonnis, met dagvaarding van [geïntimeerden] tegen de zitting van 21 december 2010.

Het petitum van de dagvaarding in hoger beroep luidt:

'dat het Gerechtshof te Leeuwarden zal vernietigen het vonnis d.d. 8 september 2010, door de Rechtbank [Assen] tussen partijen gewezen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van appellante, eiseres in eerste aanleg, zoals vermeld in de inleidende dagvaarding d.d. 30 september 2009 volledig toe te wijzen en geïntimeerden te veroordelen in de kosten van beide instanties.'

De conclusie van de memorie van grieven waarbij [appellante] tevens haar eis als oorspronkelijk eiseres heeft gewijzigd en producties heeft overgelegd, luidt:

'het vonnis van de rechtbank [Assen] d.d. 8 september 2010 te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

I Voor recht te verklaren dat het erfdeel van [appellante] krachtens het testament van [Erflater] overleden [in 2003] bedraagt 2/9-deel der nalatenschap;

II Voor recht te verklaren dat [appellante] ex artikel 4:85 BW tijdig aanspraak heeft gemaakt op haar legitieme portie inzake de nalatenschap van de heer [Erflater[in 2003]] welke legitieme portie betreft 2/9-deel der legitimaire massa met in achtneming van artikel 4: 70 jo 4:71 BW;

III Voor recht te verklaren dat de schenkingen van [Erflater] overleden [in 2003] en/of zijn echtgenote [geïntimeerde 1] welke voldoen aan artikel 4:67 BW voor de berekening van de legitimaire massa inzake de nalatenschap van eerstgenoemde voor 50% in aanmerking komen;

IV Voor recht te verklaren dat de eigendomsoverdracht op 8 juli 2002 van de woning aan [adres] aan [geïntimeerde 2] gevolgd door kwijtschelding van de verkoopprijs bij schenkingsakten d.d. 8 juli 2002, 2 december 2002 en 24 januari 2003 vermeerderd met het verschil tussen de verkoopprijs en de economische waarde een schenking betreft, welke voor

€ 92.939,70 ter berekening van de legitimaire massa inzake de nalatenschap van [Erflater] overleden [in 2003] in aanmerking komt;

V Voor recht te verklaren dat de schenkingen van [Erflater] overleden [in 2003] en/of zijn echtgenote [geïntimeerde 1] aan [X] vanaf datum huwelijk met [geïntimeerde 2] [in 1970] tot datum echtscheiding [in 1994] voor de berekening van de legitimaire massa inzake de nalatenschap van [Erflater] overleden [in 2003] voor 50% in aanmerking komt;

VI Voor recht te verklaren dat [appellante] een direct opeisbare vordering heeft op [geïntimeerde 2] ter grootte van 50% van haar legitieme portie in de nalatenschap van [Erflater] overleden [in 2003];

VII Voor recht te verklaren dat op de nalatenschap van [Erflater] overleden [in 2003] de Ouderlijke Boedelverdeling ex artikel (oud) 4:1167 BW van toepassing is;

VIII Primair: De legitieme vordering van [appellante] zoals bedoeld in artikel 4:80 BW vast te stellen op € 23.853,88 en aan haar toe te kennen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 september 2007 tot de dag der voldoening, dan wel op enig ander bedrag door Uw Gerechtshof in goede justitie vast te stellen, en [geïntimeerde 2] te veroordelen tot betaling van 50% van deze vordering binnen tien dagen na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 250,00 voor elke dag dat [geïntimeerde 2] in gebreke blijft;

Subsidiair: Geïntimeerde te veroordelen tot het verlenen van medewerking aan de vaststelling van de legitimaire massa alsook de legitieme vordering van [appellante] zoals bedoeld in artikel 4:80 BW, onder verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 250,00 voor elke dag dat zij in gebreke blijven hieraan te voldoen.

IX Geïntimeerde sub 1 en 2 te veroordelen in de gerechtelijke- en buitengerechtelijke kosten van deze procedure.'

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerden] onder producties verweer gevoerd met als conclusie:

'Tot bekrachtiging van het vonnis van 8 september 2010 althans tot afwijzing van de vorderingen in hoger beroep, met veroordeling in de proceskosten, het salaris van de advocaat daaronder begrepen.

Vervolgens heeft [appellante] onder overlegging van producties een akte genomen, waarop [geïntimeerden] onder overlegging van producties met een antwoordakte hebben gereageerd.

Daarna hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Ten slotte heeft het hof een dag bepaald voor het wijzen van arrest. Met instemming van partijen zal recht worden gedaan op het zijdens [appellante] ingezonden pleitdossier en het zijdens [geïntimeerden] gefourneerde procesdossier.

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze vóór 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

De grieven

[appellante] heeft zeven grieven opgeworpen en voorwaardelijke grief.

De beoordeling

Omvang van de rechtstrijd in hoger beroep

1. [appellante] is weliswaar enkel in hoger beroep gekomen van het beroepen vonnis, maar nu haar voorwaardelijke grief zich keert tegen het genoemde tussenvonnis van 25 november 2009, is ook dit tussenvonnis in het hoger beroep betrokken.

Wijziging van eis

2. [appellante] heeft bij memorie van grieven haar eis gewijzigd. Tegen deze wijziging van eis is door [geïntimeerden] als zodanig geen bezwaar gemaakt. Aangezien de wijziging van eis tijdig is gedaan en de eisen van een goede procesorde zich daartegen ook niet verzetten, zal het hof uitgaan van de vorderingen van [appellante] als oorspronkelijk eiseres, zoals die na de gedane wijziging van eis luiden. Deze vorderingen zijn hiervoor ook het kopje 'Het geding in hoger beroep' vermeld bij de weergave van de conclusie van de memorie van grieven.

3. In de memorie van grieven heeft [appellante] gesteld dat haar legitieme portie, zoals die haar volgens art. 4:63 e.v. zou toekomen, een beloop heeft van € 23.853,88. Bij de door haar genomen akte heeft zij dit bedrag gesteld op € 27.925,44. en ten pleidooie op € 27.925,--. Anders dan [geïntimeerden] ter gelegenheid van het pleidooi hebben aangevoerd, blijft [appellante] naar het oordeel van het hof ook bij deze laatste wijzigingen binnen de grenzen van haar vorderingen als oorspronkelijk eiseres (zie met name haar primaire vordering onder VIII).

De vaststaande feiten

4 Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet voldoende betwist staat tussen partijen in hoger beroep het volgende vast:

(i) [in 2003] is te [plaats], zijn laatste woonplaats, overleden [Erflater], geboren te Brielle [in 1911], hierna te noemen de erflater. Hij is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [geïntimeerde 1]. Uit het huwelijk van de erflater en [geïntimeerde 1] zijn twee nog in leven zijnde kinderen geboren, te weten [appellante] en [geïntimeerde 2].

(ii) [geïntimeerde 2] is [in 1970] zonder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd met [X], welk huwelijk is ontbonden door de inschrijving in de registers van de Burgerlijke Stand [in 1994] van een echtscheidingsbeschikking van de rechtbank.

(iii) [appellante] heeft in september 1986 het contact met haar ouders verbroken. Het contact is tot september 1998 verbroken gebleven. In februari 2002 heeft zij het contact met haar ouders bij brief van 12 februari 2002 (onderdeel van prod. 9 bij inleidende dagvaarding) opnieuw verbroken.

(iv) De voornoemde brief vermeldt onder meer:

'Pa en ma,

Ruim drie jaar geleden heb ik geprobeerd het contact met jullie te herstellen. Dit is mij heel erg zwaar gevallen en is ten koste gegaan van mijn gezondheid. Met name vanaf medio 2000 werd het steeds moeilijker om nog een enigszins dragelijke situatie te creëren, zelfs zo moeilijk dat het voor mij alleen niet eens meer op te brengen was en Anna het afgelopen jaar met mij mee is gegaan. Ook samen kunnen wij het niet langer opbrengen. Ik heb dan ook moeten besluiten om per direct alle contacten definitief te verbreken. Jullie hebben mij geen andere keuze gelaten en ik ga er vanuit dat jullie mijn besluit zullen respecteren.

[appellante].'

(v) De erflater heeft bij openbaar testament, op 2 mei 2002 verleden voor

[waarnemend notaris] als waarnemer van [notaris 1], notaris te [plaats] (prod. 5 bij inleidende dagvaarding), voor zover van belang, als volgt over zijn nalatenschap beschikt:

I. HERROEP1NG

Ik herroep alle uiterste wilsbeschikkingen vóór heden door mij gemaakt.

II. RECHTSKEUZE

Ik bepaal dat op de vererving van mijn nalatenschap Nederlands recht van toepassing is dat geldt ten tijde van mijn overlijden.

III. OVERLIJDEN ALS KORTSTLEVENDE, ERFSTELLING EN VERDELING

Onterving

Het is mijn uitdrukkelijke wens dat mijn dochter [appellante] per saldo niets uit mijn nalatenschap ontvangt: ik onterf haar. Mocht zij een beroep doen op haar legitieme deel dan is het mijn wens dat zij per saldo zo weinig mogelijk ontvangt.

Voor het geval mijn huwelijk met [geïntimeerde 1], hierna te noemen: “mijn echtgenote”, door mijn overlijden wordt ontbonden en ten tijde van mijn overlijden geen procedure tot echtscheiding of scheiding van tafel en bed in rechte aanhangig is, beschik ik als volgt

A. Erfstelling/Legaat

Indien mijn dochter [appellante] berust in de onterving benoem ik tot mijn erfgenamen, tezamen:

- mijn genoemde echtgenote voor één procent (1%);

- mijn dochter [geïntimeerde 2] voor het grootst mogelijk deel van mijn nalatenschap dat mogelijk is;

met inachtneming van plaatsvervulling zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek voor erfopvolging bij versterf.

Indien mijn dochter [appellante] niet berust in de onterving of zich beroept op de nietigheid van de verdeling, benoem ik tot mijn erfgenamen, tezamen:

- mijn genoemde echtgenote voor één procent (1%);

- mijn dochter [geïntimeerde 2] voor het grootst mogelijk deel van mijn nalatenschap dat mogelijk is, met inachtneming van plaatsvervulling zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek voor erfopvolging hij versterf.

- mijn dochter [appellante] voor het kleinst mogelijk deel van mijn nalatenschap dat mogelijk is met inachtneming van plaatsvervulling zoals geregeld in het Burgerlijk Wetboek voor erfopvolging bij versterf

B. Verdeling

Indien en voorzover niet door mijn echtgenote en mijn overige erfgenamen binnen

zes maanden na mijn overlijden anders wordt overeengekomen, bepaal ik als volgt:

1. Gebruikmakende van de door artikel 4:1167 en volgende Burgerlijk Wetboek gegeven bevoegdheid verdeel ik bij deze tussen mijn echtgenote en mijn overige erfgenamen mijn nalatenschap als volgt:

Ik deel toe aan mijn echtgenote: alle goederen die tot mijn nalatenschap zullen blijken te behoren, zulks onder de verplichting voor haar om:

a. voor haar rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen: alle schulden die ten laste van mijn nalatenschap zullen blijken te bestaan alsmede de kosten van mijn begrafenis of crematie;

b. de door mijn overige erfgenamen uit mijn nalatenschap verschuldigde successierechten alsmede ieders aandeel in de taxatie- en boedelkosten voor haar rekening te nemen;

c. mijn overige erfgenamen voor alle aanspraken van derden deswege te vrijwaren.

2. Door de daardoor plaatshebbende overbedeling zal mijn echtgenote aan mijn overige erfgenamen schuldig zijn een bedrag gelijk aan de waarde van het erfdeel van de betrokken erfgenaam, berekend in het saldo van mijn nalatenschap en verminderd met ieders aandeel in de kosten van mijn begrafenis of crematie, eventuele taxatie- en/of boedelkosten en de ten laste van ieder komende successierechten, voor zover een en ander door mijn echtgenote is voldaan als sub b. bepaald.

Ik heb dit mede bepaald ter verzorging van mijn echtgenote na mijn overlijden.

Ik bied mijn echtgenote omzetting aan van deze natuurlijke verbintenis in een rechtens afdwingbare.

Ik bepaal, dat voor zover volgens de wetgeving die geldt ren tijde van mijn overlijden op het uit hoofde van deze verbintenis verschuldigde door mijn legitimarissen zou kunnen worden ingekort, deze inkorting eerst zal geschieden, nadat al mijn overige makingen en giften uit hoofde van inkorting volledig zijn vernietigd.

C. Bepalingen en bedingen

Deze verdeling vindt plaats onder de navolgende bepalingen en bedingen:

1. De waardering van de goederen van mijn nalatenschap zal moeten geschieden in onderling overleg binnen zes maanden na mijn overlijden en bij gebreke van overeenstemming daaromtrent op de wijze als door de wet is voorgeschreven voor verdeling van gemeenschappen, zulks op verzoek van de meest gerede partij.

2. De schulden van mijn nalatenschap dienen te worden gewaardeerd op de contante waarde daarvan.

3. De sub B.2. bedoelde vorderingen met de daarover verschuldigde rente ten laste van mijn echtgenote zullen eerst opeisbaar zijn bij haar overlijden.

De vorderingen zullen echter onmiddellijk en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zijn ingeval van:

a. haar faillissement;

b. verlening aan haar van surséance van betaling;.

c. haar ondercuratelestelling of de onderbewindstelling van haar vermogen;

d. het niet nakomen door haar van de sub B.1c. omschreven vrijwaringsplicht;

e. haar hertrouwen zonder het maken van huwelijkse voorwaarden, inhoudende de uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en uitsluiting van verrekenbedingen, met uitzondering van een verrekenbeding ten aanzien van onverteerde inkomsten.

4. Over de voormelde vorderingen zal vanaf mijn overlijden een enkelvoudige rente verschuldigd zijn. Deze rente is, mede ter voldoening aan de legitieme portie, zodanig dat de vorderingen nominaal zijn en geen sprake zal van een fictief vruchtgebruik zoals aangegeven in BNB 89/260. Mijn erfgenamen zijn bevoegd in gezamenlijk overleg en eenstemmig een andere rente overeen te komen, ook tijdens de looptijd van de vorderingen.

5. Onverplichte aflossing en/of rentebetaling door mijn echtgenote is te allen tijde toegestaan, ook in gedeelten.

6. In afwijking van het in artikel 6:44 Burgerlijk Wetboek bepaalde geldt dat elke betaling op hetgeen mijn echtgenote aan haar mede-erfgenamen in mijn nalatenschap verschuldigd is, in mindering strekt op de hoofdsom van het verschuldigde en eerst nadat deze volledig is betaald op de verschuldigde rente, tenzij anders wordt overeengekomen.

7. De eventueel door mijn erfgenamen verschuldigde fiscale heffing(en) over voormelde vorderingen zal door mijn echtgenote moeten worden voldaan in mindering op de hoofdsommen daarvan. De bij eventuele vererving van voormelde vorderingen verschuldigde successierechten zullen insgelijks door mijn echtgenote in mindering op de hoofdsommen moeten worden voldaan.

8. Indien één of meer van mijn overige erfgenamen de hiervoor gemaakte verdeling of opeisbaarheidsbepalingen schriftelijk betwist(en), stel ik hem of hen in de legitieme en benoem ik tot erfgenaam van het daardoor vrijkomende gedeelte van mijn nalatenschap mijn overige afstammelingen.

Wanneer alle afstammelingen de hiervoor gemaakte verdeling en/of een der opeisbaarheidsbepaimgen schriftelijk betwisten stel ik hen allemaal in de legitieme en benoem ik tot erfgenaam van het daardoor vrijkomende gedeeltes van mijn nalatenschap genoemde echtgenote.

Indien en voor zover die legitieme wordt geschonden, geschiedt een uitkering door opleg in contanten, zodat de onderhavige verdeling onverlet blijft.

9. Ik benoem mijn echtgenote tot verzorger van mijn begrafenis of crematie.

IV. OVERLIJDEN ALS LANGSTLEVENDE

(…)

V. UITSLUITING

Voor het geval mijn huwelijk met mijn echtgenote door mijn overlijden wordt beëindigd en ten tijde van mijn overlijden een procedure tot echtscheiding en/of scheiding van tafel en bed in rechte aanhangig is of een vonnis van scheiding van tafel en bed is uitgesproken, sluit ik mijn echtgenote uit als erfgename van mijn nalatenschap.

VI. (GEEN) INBRENG

Ik stel mijn bloedverwanten (behalve mijn dochter [appellante] of haar rechtsopvolger(s) in de rechte nederdalende lijn) vrij van de verplichting tot inbreng in mijn nalatenschap van door hen ontvangen schenkingen en materiële bevoordelingen.

VII. EXECUTEURSBENOEMING

a. Voor het geval ik overlijd onder de werking van het huidige erfrecht benoem ik mijn echtgenote en bij haar ontstentenis mijn dochter [geïntimeerde 2] tot uitvoerster van mijn uiterste wilsbeschikkingen en tot beredderaar van mijn boedel als ook tot bezorgster van mijn uitvaart, onder toekenning aan haar van alle daartoe benodigde macht, speciaal die tot inbezitneming van de goederen van mijn nalatenschap voor de tijd van de vereffening daarvan vereist.

Ik verzoek haar daarvoor geen loon in rekening te brengen.

Zij heeft de bevoegdheid een andere persoon. bij voorkeur een notaris, mede de werkzaamheden uit te laten voeren.

b. Voor het geval ik overlijd onder de werking van het nieuwe erfrecht benoem ik mijn echtgenote en bij ontstentenis mijn dochter [geïntimeerde 2] tot executeur en bepaal als volgt

(…)

c. Mocht mijn echtgenote danwel mijn dochter [geïntimeerde 2] ten tijde van mijn overlijden deze executeursbenoeming niet kunnen of willen aanvaarden dan benoem ik voor haar in de plaats de notaris bewaarder van deze minuut.

VIII. UITSLUITINGSCLAUSULE/BESCHERMJNG ERFGENAMEN

(…)

IX. GEREGISTREERD PARTNERSCHAP

(…)

X. NIEUW ERFRECHT

Indien ten tijde van mijn overlijden op grond van wettelijke bepalingen de bovenstaande (boedel)verdeling niet van toepassing is of mijn echtgenote die verdeling niet aanvaardt, benoem ik mijn echtgenote tot enig erfgenaam en bepaal ik ten behoeve van mijn niet van tafel en bed gescheiden echtgenote, dat eventuele ten laste van haar komende vorderingen terzake van de legitieme portie eerst opeisbaar zijn na haar overlijden. Onverminderd het bepaalde in de vorige zin is mijn echtgenote, voor zover de vordering terzake van de legitieme portie niet opeisbaar is, op verzoek van een legitimaris verplicht tot voldoening voor deze van de belasting, geheven terzake van de verkrijging van deze vordering. Die vordering van de betreffende legitimaris wordt verminderd met het ingevolge de vorige zin voor de legitimaris voldane bedrag.'

(vi) Een door voornoemde [notaris] aan de erflater en [geïntimeerde 1] gerichte brief d.d. 24 april 2002 (prod. 8 bij memorie van antwoord) behelst een toelichting op voormelde uiterste wil en vermeldt onder meer:

'Het testament heeft de navolgende inhoud:

U herroept alle eventueel gemaakte testamenten

U benoemt tot uw erfgenamen de langstlevende echtgenoot en de kinderen. Daarbij is

geregeld dat [appellante] het liefst niets en anders zo weinig mogelijk ontvangt.'

(vii) In september 2007 heeft [appellante] jegens [geïntimeerde 1] en

[geïntimeerde 2] beroep op de legitieme portie gedaan.

(ix) Blijkens taxatierapport d.d. 21 juni 2002 (prod. 12 bij inleidende dagvaarding) heeft [makelaar en taxateur], makelaar en taxateur te [plaats], de onderhandse verkoopwaarde, vrij van huur en gebruik, van de echtelijke woning van de erflater en

[geïntimeerde 1], plaatselijk bekend [adres], getaxeerd op € 170.000,--.

(x) Blijkens akte van levering, op 8 juli 2002 verleden voornoemde [notaris], ingeschreven in de openbare registers te [plaats] op 10 juli 2002 (prod. 11 bij inleidende dagvaarding), hebben de erflater en [geïntimeerde 1] de voornoemde onroerende zaak voor een koopprijs van € 129.200,-- verkocht en overgedragen aan [geïntimeerde 2].

(xi) Voormelde akte van levering, waarin de erflater en [geïntimeerde 1] als comparanten sub 1 genoemd zijn aangeduid en [geïntimeerde 2] als comparante sub 2 genoemd, vermeldt onder meer:

'KOOPPRIJS. VERREKENING DIVERSE BEDRAGEN.

De koopprijs bedraagt éénhonderdnegenentwintig duizend tweehonderd euro (€ 129.200,00, van welk koopprijs door koper een bedrag groot zesennegentig duizend tweehonderd euro

(€ 96.200,00) is voldaan.

(…)

LEVERINGSVERPLICHTING, JURIDISCHE EN STAAT

ARTIKEL 2

(…)

3. Het verkochte wordt aanvaard in de feitelijke staat, waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond, in genot van huur. Het voortgezet gebruik van verkoper als zorgvuldig schuldenaar na het tot stand komen van de koopovereenkomst tot aan het tijdstip van aflevering wordt geacht geen wijziging te hebben gebracht in de staat van het verkochte.

(…)

KWIJTSCHELDING

De comparanten sub 1 genoemd verklaarden voorts hierbij kwijt te schelden aan hun dochter, de comparante sub 2 genoemd een gedeelte van voormelde koopsom, ten bedrage van drieëndertig duizend euro (€ 33.000,00), welke kwijtschelding te zijnen behoeve de comparant sub 2 genoemd hierbij verklaarde aan te nemen, zijnde gemelde kwijtschelding gedaan onder uitdrukkelijke vrijstelling van de verplichting tot inbreng en niet vrij rechten en kosten (…).'.

(xi) Ter gelegenheid van de vorenstaande transactie zijn [geïntimeerde 2] als verhuurder en de erflaatster en [geïntimeerde 1] als huurders een huurovereenkomst ter zake van de genoemde onroerende zaak aangegaan.

(xii) Voorts vermeldt de akte van schenking op 2 december 2002 (prod. 15 bij inleidende dagvaarding) onder meer:

'1. Bij notariële akte gedateerd op acht juli tweeduizend is door de comparanten sub 1 en 2 het pand aan [adres] overgedragen aan hun dochter, comparante sub 3 genoemd, waarin de comparanten sub 1 en 2 verklaarden aan hun dochter, comparante sub 3, kwijt te schelden een gedeelte van de koopsom, ten bedrage van drieëndertig duizend euro

(€ 33.000,00).

2. Bij onderhandse akte van schuldbekentenis gedateerd op acht juli tweeduizend twee, is door de comparante sub 3 genoemd schuldig gebleven aan haar ouders de comparanten sub 1 en 2 genoemd het restant van de koopsom, een bedrag groot éénhonderdvijf duizend tweehonderdnegenenzeventig euro en vier eurocent (€ 105.279,04).

3. De comparanten sub 1 en 2 genoemd verklaren tevens dat op acht juli tweeduizend twee bij wijze van schenking aan de comparante sub 3 genoemd op voormeld bedrag kwijt is gescholden een bedrag groot vijftig duizend negenhonderdzestig euro (€ 50.960,00), een en ander onder de navolgende:

BEDINGEN EN BEPALINGEN

1. De begiftigde is vrijgesteld van de verplichting tot inbreng in de nalatenschap van de comparanten sub 1 en 2 genoemd;

2. (…)';

en de akte, op 24 januari 2003 verleden (prod. 16 bij inleidende dagvaarding) voor voornoemde [notaris]:

'3. Blijkens akte op twee december tweeduizend twee verklaarden de comparante sub 1 a en de volmachtgever sub 1 b genoemd dat tevens op acht juli tweeduizend twee bij wijze van schenking aan de comparante sub 2 genoemd op voormeld bedrag is kwijt gescholden een bedrag groot vijftig duizend negenhonderdzestig euro (€ 50.960,00);

Na de schenking op acht juli tweeduizend twee en na de kwijtschelding van twee december tweeduizend twee is het restant van de schuld van de dochter de comparant sub 2 genoemd aan haar ouders de comparante sub 1 a en de volmachtgever sub 1 b genoemd, een bedrag groot vierenvijftig duizend driehouderdnegentien euro en vier eurocent (€ 54.319,04).

De comparante sub 1 a en de volmachtgever sub 1 b genoemd, zo voor zich als in gemelde hoedanigheid, verklaart op heden bij wijze van

schenking aan de comparante sub 2 genoemd het voormelde bedrag, vierenvijftig duizend driehonderdnegentien euro en vier eurocent (€ 54.319,04), geheel kwijt te schelden, een en ander onder de navolgende

BEDINGEN EN BEPALINGEN

1. De begiftigde is vrijgesteld van de verplichting tot inbreng in de nalatenschap van de

comparante sub 1 a en de volmachtgever

sub 1 b genoemd;

2. (…)'

5. Aangezien het hof de feiten opnieuw heeft vastgesteld, heeft [appellante] geen belang bij de behandeling van grief I, waarmee zij opkomt tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in het beroepen vonnis in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.3).

De kern van het geschil

6. Partijen houdt verdeeld de vraag of [appellante] als erfgename tot de nalatenschap van de erflater is geroepen, alsmede de vraag of haar legitieme portie geschonden is.

Toepasselijk recht

7. Aangezien de nalatenschap van de erflater onder het huidige erfrecht is opengevallen, is dat erfrecht ingevolge art. 68a Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek van toepassing behoudens voor zover de laatst bedoelde wet anders bepaalt.

Met betrekking tot de voorwaardelijke grief

8. Deze grief is weliswaar door [appellante] ingesteld onder de voorwaarde dat het hof het beloop van haar legitieme portie niet zal kunnen vaststellen aan de hand van de thans voorliggende gedingstukken, maar het hof ziet aanleiding reeds thans op deze grief in te gaan. Aangezien het hof naar aanleiding van de stellingen van [appellante] aangaande haar legitieme portie een comparitie tot verstrekken van inlichtingen kan gelasten of kan bevelen bepaalde stukken in het geding te brengen, indien het hof daarover de beschikking behoeft voor de vaststelling van het beloop van de legitieme portie van [appellante], hetgeen hierna zal moeten blijken, heeft [appellante] geen belang bij verdere behandeling van deze grief.

Met betrekking tot grief II:

9. Anders dan uit de bewoordingen van grief II zelf zou kunnen worden afgeleid, heeft deze grief II blijkens de toelichting erop betrekking op de uitlegging van de uiterste wilsbeschikkingen van de erflater en wel met name op de vraag of [appellante] als erfgenaam tot de nalatenschap van de erflater wordt geroepen.

10. Deze grief houdt verband met de vordering van [appellante] onder I genoemd.

11. [appellante] stelt zich blijkens haar door [geïntimeerden] bestreden stellingen dienaangaande op het standpunt dat zij voor 2/9 deel als erfgenaam tot de nalatenschap van de erflater is geroepen.

De uitleg van hetgeen de erflater omtrent de erfopvolging heeft beschikt

12. Het hof stelt voorop dat iedere wilsverklaring uitleg behoeft en dat het bij de uitleg van een wilsverklaring gaat om het vaststellen van het rechtsgevolg waarop zij is gericht.

13. Indien het bij de uit te leggen wilsverklaring om een uiterste wilsbeschikking gaat, reikt de wet in art. 4:46 lid 1 BW een maatstaf voor de uitlegging ervan aan. In gevolge deze wetsbepaling dient bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt. Tot die omstandigheden rekent het hof in het onderhavige geval ook de hiervoor in rechtsoverweging 4 onder (vi) gedeeltelijk aangehaalde brief d.d. 24 april 2002, door voornoemde [notaris] gericht aan de erflater en [geïntimeerde 1]. Bij het vorenstaande tekent het hof aan, dat onder de in art. 4:46 lid 1 BW voorkomende uitdrukking 'uiterste wil' het geheel van de door een erflater gemaakte beschikkingen is te verstaan. Volgens art. 4:46 lid 2 BW mogen daden en verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft. Dit laatste is het geval, indien de beschikking voor meerderlei uitleg vatbaar is.

14. In het onderhavige geval heeft de erflater, voor zover thans van belang, in zijn uiterste wil onder III onder de 'kopjes Onterving en A. Erfstelling/legaat 'kennelijk de erfopvolging willen regelen voor het geval dat hij de eerst stervende echtgenoot zou zijn.

15. Wat betreft de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, is in aanmerking te nemen dat de uiterste wil - naar onvoldoende weersproken vaststaat - is gemaakt in reactie op het ten tweede male verbreken van het contact door [appellante] met haar ouders en wel - zoals uit de hiervoor in rechtsoverweging 4 onder (iv) aangehaalde brief d.d. 12 februari 2009, door [appellante] gericht aan de erflater en [geïntimeerde 1], kan worden afgeleid - naar haar intentie definitief.

16. Ook is in aanmerking te nemen dat op het tijdstip van het maken van de uiterste wil de Invoeringswet Boek 4 BW reeds in het Staatsblad was verschenen en met de mogelijkheid dat de erflater onder de werking van het thans geldende erfrecht zou overlijden, rekening kon worden gehouden. Blijkens het in de uiterste wil van de erflater ondermeer onder II en VII bepaalde heeft de erflater zich daarvan ook rekenschap gegeven.

17. Voorts kan worden opgemerkt dat het karakter van de legitieme portie naar huidig erfrecht in sterke mate afwijkt van het karakter dat de legitieme portie onder het oude erfrecht had. Immers volgens het oude erfrecht had een legitimaris het recht om de legitieme portie als erfgenaam te ontvangen en wel in natura en vrij en onbezwaard, zij het dat de erflater (onder omstandigheden) het recht van de legitimaris om de legitieme portie in natura (dat wil zeggen in goederen van de nalatenschap) te ontvangen door het maken van een ouderlijke boedelverdeling, als bedoeld in art. 4:1167 (oud) BW kon doorbreken (Hoge Raad, 12 mei 1972, NJ 1973, 53; Hoge Raad, 21 december 1973, NJ 1974, 30). Naar huidig recht heeft een legitimaris slechts het recht om de legitieme portie als schuldeiser en wel in geld en in beginsel vrij en onbezwaard te ontvangen (art. 4:65 e.v. BW). Overigens is naar zowel oud als huidig erfrecht de regeling van de legitieme portie grotendeels van dwingend recht.

18. Gelet op het hiervoor overwegene, is het hof van oordeel dat nu de erflater onder de werking van het huidige erfrecht is overleden, uit hetgeen de erflater omtrent de erfopvolging heeft beschikt, volgt, dat [geïntimeerde 1] voor 1/100 en [geïntimeerde 2] voor 99/100 deel als enige erfgenamen tot de opengevallen nalatenschap zijn geroepen.

19. Daarmee is het standpunt van [appellante] aangaande de erfopvolging verworpen en van de vorderingen van [appellante] als oorspronkelijk eiseres haar vordering onder I genoemd niet toewijsbaar.

20. Grief II treft mitsdien geen doel.

Met betrekking tot grief III:

21. Met deze grief III komt [appellante] op tegen rechtsoverweging 5.4 van het beroepen vonnis, waarin de rechtbank in het midden laat of de nalatenschap van de erflater ingevolge de door hem gemaakte ouderlijke boedelverdeling, als bedoeld in art. 4:1167 e.v. (oud) BW, is verdeeld.

22. Deze grief houdt verband met de vordering van [appellante] onder VII genoemd.

Voor zover de grief ook betrekking zou hebben op de erfopvolging, kan zij blijkens het hiervoor in rechtsoverweging 9 e.v. met betrekking tot grief II overwogene, geen doel treffen. Het hof zal daarom voor de verdere behandeling van grief III ervan uitgaan dat zij enkel betrekking heeft op de vraag of de nalatenschap tengevolge van de door de erflater gemaakte ouderlijke boedelverdeling is verdeeld.

23. Voorop gesteld moet worden dat een ouderlijke boedelverdeling die door een erflater die onder het huidige erfrecht is overleden, onder het oude erfrecht geldig is gemaakt, ingevolge het bepaalde in art. 127 jo art. 79 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (vgl. ook art. 129 lid 3 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek), onder het huidige erfrecht haar geldigheid behoudt (vgl. hiervoor rechtsoverweging 7 slot). Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat in een dergelijk geval afd. 4.3.1 BW buiten toepassing blijft.

24. De enkele onterving van een kind maakte onder het oude erfrecht de ouderlijke boedelverdeling nog niet nietig. Dit was slechts het geval wanneer het onterfde kind door een beroep op de legitieme portie de positie van erfgenaam kreeg en hij in dat geval ook niet in de verdeling was betrokken (HR 10 mei 1996, NJ 1996, 692). Naar huidig recht heeft een beroep op de legitieme portie geen aantasting van de onterving van de legitimaris tot gevolg. De nalatenschap van de erflater heeft daarom naar het oordeel van het hof als verdeeld te gelden. Bij dit oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat ook anderszins niet van een gebrekkigheid van de door de erflater gemaakte ouderlijke boedelverdeling is gebleken.

25. Aangezien [appellante] geen deelgenote in de nalatenschap van de erflater is en ook anderszins niet is gebleken is, welk belang zij bij toewijzing van haar onder VII vermelde vordering heeft, komt deze vordering naar het oordeel van het hof niet voor toewijzing in aanmerking,

26. Grief III faalt derhalve

Met betrekking tot grief IV:

27. Met deze grief IV komt [appellante] op tegen rechtsoverweging 5.5 van het beroepen vonnis, waarin de rechtbank - voor zover in verband met het hiervoor met betrekking tot grief III overwogene thans nog van belang - heeft overwogen, dat, kort gezegd, bij een ouderlijke boedelverdeling als de onderhavige de andere erfgenaam of erfgenamen dan de langstlevende echtgenoot - naar het hof begrijpt in de regel - een vordering wegens overbedeling ten laste van de langstlevende echtgenoot heeft respectievelijk hebben.

28. Anders dan [appellante] - blijkens de toelichting op de grief - ingang tracht te doen vinden, heeft de bestreden overweging geen betrekking op de opeisbaarheid van de vordering die zij eventueel door het beroep op de legitieme portie jegens de gezamenlijke erfgenamen heeft. Haar grief berust op een verkeerde lezing van de met de grief bestreden overweging van de rechtbank.

29. Grief IV faalt daarom eveneens.

Met betrekking tot grief V:

30. Grief V is gericht tegen hetgeen de rechtbank in overweging 5.6 van het beroepen vonnis heeft overwogen. Volgens de toelichting op de grief zou de bestreden overweging betrekking op de vordering die zij eventueel door het beroep op de legitieme portie jegens de gezamenlijke erfgenamen heeft. Wat daarvan verder ook zij, nu de vraag of [appellante] een dergelijke vordering heeft en in hoeverre deze opeisbaar is, bij de verdere beoordeling van de toewijsbaarheid van haar vordering onder VIII genoemd aan de orde zal komen, behoeft de onderhavige grief geen verdere behandeling.

Met betrekking tot de grieven VI en VII:

31. De grieven zijn gericht tegen hetgeen de rechtbank in overweging 5.7 van het beroepen vonnis heeft overwogen. De toelichting op de grief gaat ervan uit dat deze overweging betrekking op de vordering die [appellante] eventueel door het beroep op de legitieme portie jegens de gezamenlijke erfgenamen heeft. Gelijk hiervoor is overwogen, zal de vraag of zij een dergelijke vordering heeft en in hoeverre deze opeisbaar is, bij de verdere beoordeling van de toewijsbaarheid van haar vordering onder VIII genoemd aan de orde komen, zodat ook de grieven VI en VII geen verdere behandeling behoeven.

Met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vorderingen van [appellante] als oorspronkelijk eiseres onder I tot en met VII genoemd

32. Gelijk het hof in rechtsoverweging 19 en 25 heeft overwogen, zijn de vorderingen onder I en VII genoemd niet toewijsbaar. Aangezien de vorderingen onder II tot met VI strekken tot het geven van verklaringen van recht en alle betrekking hebben op de legitieme portie, missen deze vorderingen naast de vorderingen onder VIII genoemd naar het oordeel van het hof zelfstandige betekenis, zodat zij niet voor toewijzing in aanmerking komen

Met betrekking tot de vorderingen van [appellante] onder VIII genoemd

33. Voorop gesteld moet worden dat slechts plaats is voor een beroep op de legitieme portie, indien deze is geschonden, zodat het hof te dezen heeft te onderzoeken of de legitieme portie van [appellante] is geschonden.

34. Naar vaststaat heeft [appellante] in september 2007 jegens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zich op de legitieme portie beroepen. Gelet op het bepaalde in art. 4:85 BW is dit beroep tijdig gedaan.

35. Gelet op het bepaalde in art. 4:79, 4:80 BW en art. 4:89 BW verkrijgt een legitimaris door het beroep op de legitieme portie een vordering op de gezamenlijke erfgenamen ten belope van het bedrag van de schending van zijn legitieme portie met dien verstande dat het beloop van deze vordering de in art. 4:80 lid 2 tweede zin BW bedoelde waarde niet boven kan gaan. Is de vordering van de legitimaris op de gezamenlijke erfgenamen onvoldoende om zich de legitieme portie te verschaffen, dan kan de legitimaris op de voet van art. 4:89 e.v. BW de daarvoor vatbare giften inkorten.

36. De legitieme porties worden berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de giften die bij de berekening van het beloop van de legitieme porties ingevolge art. 4:67 BW e.v. in aanmerking zijn te nemen, en verminderd met de schulden van de nalatenschap, als bedoeld in art. 4:7 onder a tot en met c en f BW (art. 4:65 BW).

37. Tot de giften die voor de berekening van de legitieme portie in aanmerking worden genomen, behoren de giften door een erflater aan een afstammeling gedaan, mits deze of een afstammeling van hem legitimaris is (art. 4:67 onder d BW), zodat de door de erflater aan [geïntimeerde 2] en [appellante] gedane giften voor de berekening van het beloop van de legitieme portie van [appellante] in aanmerking zijn te nemen. Onder de in art. 4:67 BW e.v. bedoelde giften vallen niet de door de erflater aan de kinderen van [geïntimeerde 2] gedane giften, omdat deze, gelet op het bepaalde in art. 4:63 lid 2 BW, in casu geen legitimarissen van de erflater zijn.

38. De giften die volgens de stellingen van [appellante] door de erflater aan voornoemde [X] (zie rechtsoverweging 4 onder (ii)) zouden zijn gedaan, worden niet bestreken door enige categorie van de volgens art. 4:67 BW e.v. bij de berekening van de legitieme porties in aanmerking te nemen giften. De omstandigheid dat [X] in wettelijke gemeenschap van goederen met [geïntimeerde 2] is gehuwd geweest (zie rechtsoverweging 4 onder (ii), maakt - anders dan [appellante] ingang wenst te doen vinden - niet dat de bedoelde giften voor de berekening van de schending van haar legitieme portie voor de helft in aanmerking zouden moeten worden genomen. Het hof kan zich daarom ontslagen achten van de verplichting om op dit punt de juistheid van de stellingen van

[appellante] verder te onderzoeken.

39. Het saldo van de nalatenschap van de erflater heeft volgens het onvoldoende betwiste standpunt van [geïntimeerden] (memorie van antwoord, prod. 6, vgl. ook bijlage 2 van prod. 5 bij de memorie van grieven) een beloop van € 24.426,--. Het hof gaat ervan uit - nu niet anders is gesteld of gebleken - dat het bij het genoemde bedrag gaat om de waarde van de goederen van de nalatenschap, verminderd met de schulden van de nalatenschap, als bedoeld in art. 4:7 onder a tot en met c en f BW (rechtsoverweging 36).

40. Het hof leidt uit de door [geïntimeerden] bij memorie van antwoord overgelegde productie 6 af dat zij zich op het standpunt stellen dat [appellante] een bedrag van in totaal € 55.200,50 aan giften van de erflater heeft ontvangen. [appellante] stelt zich op het standpunt dat zij in totaal een bedrag van € 36.839,-- aan giften van de erflater heeft ontvangen (bijlage bij de zijdens [appellante] overgelegde pleitnotities; nader gespecificeerd bij de bij akte overlegde productie 28).

41. Uit een vergelijking van de standpunten leidt het hof af dat het verschil daarin is gelegen dat [geïntimeerden] zich op het standpunt stellen dat de erflater en [geïntimeerde 1] tezamen aan [appellante] voor een bedrag ƒ 31.000,-- aan spaarbrieven hebben geschonken en dat de erflater en [geïntimeerde 1] aan haar in de periode van 1987 tot en met 1993 een bedrag van in totaal van ƒ 49.924,-- aan giften hebben gedaan. Dit is door [appellante] voldoende gemotiveerd bestreden (productie 23 bij inleidende dagvaarding; memorie van grieven,

nr. 24). Naar het oordeel van het hof rust de bewijslast te dier zake op [geïntimeerden], nu [geïntimeerden] zich erop beroepen dat deze giften in mindering komen van de legitieme portie van [appellante] (art. 150 Rv). Aangezien [geïntimeerden] ter zake daarvan naar het oordeel van het hof voldoende geconcretiseerd bewijs hebben aangeboden, zal het hof hun bewijs opdragen als in het dictum van dit arrest zal worden omschreven.

42. Anders dan ten aanzien van de door de erflater aan [appellante] gedane giften is naar het oordeel van het hof het verschil in de door partijen ingenomen standpunten ten aanzien van de door de erflater aan [geïntimeerde 2] gedane giften niet aanstonds op vergelijkbare wijze te omlijnen. Het hof zal daarom de geschilpunten die zich daarvoor lenen, thans beslissen en [appellante] vervolgens in de gelegenheid stellen om bij akte een gespecificeerde en voldoende onderbouwde berekening van hetgeen - met inachtneming van de beslissingen van het hof in dit arrest - volgens haar het beloop van de schending van haar legitieme portie is, in het geding te brengen.

43. [geïntimeerden] hebben niet betwist dat de erflater en [geïntimeerde 1] aan [geïntimeerde 2] in de periode 1980-1986 een gift van in totaal ƒ 100.000,-- hebben gedaan, in de periode 1986-1987 een gift in de vorm van spaarbrieven ter waarde van ƒ 31.000,--, in de periode 1987-1993 een gift van in totaal ƒ 49.925,-- en in april 2001 een gift van ƒ 8.545,--. Deze giften belopen in totaal een bedrag van ƒ 189.469,--, waarvan aan de erflater is toe te rekenen een bedrag van ƒ 94.734,50 ofte wel € 42.988,64.

44. [appellante] heeft gesteld dat de erflater en [geïntimeerde 1] in de periode 1974-1979 aan [geïntimeerde 2] een gift hebben gedaan van in totaal ƒ 12.000,-- waarvan de helft aan de erflater is toe te rekenen. Deze stelling is door [geïntimeerden] gemotiveerd betwist. Aangezien [appellante] naar het oordeel van het hof ter zake geen voldoende geconcretiseerd bewijsaanbod heeft gedaan, moet het hof aan deze stelling van [appellante] voorbijgaan.

45. Tussen partijen staat vast dat de verkoop en overdracht van de woning plaatselijk bekend [a[plaats] door de erflater en [geïntimeerde 1] aan [geïntimeerde 2] is geschied in verhuurde staat tegen een prijs van ƒ 129.200,--.

46. De erflater en [geïntimeerde 1] hebben - naar het hof uit de vaststaande feiten en het debat van partijen afleidt - [geïntimeerde 2] in totaal aan koopsom en kosten ter zake van deze transactie een bedrag van € 138.279,04- kwijtgescholden, waarvan aan de erflater is toe rekenen de helft of € 69.139,52. Anders dan [geïntimeerden] ingang wensen te doen, maakt de omstandigheid dat bij de aangifte voor het recht van successie, tegenwoordig erfbelasting genoemd, van giften, binnen 180 dagen vóór het overlijden van de erflater gedaan, melding moet worden gemaakt, niet dat dergelijke giften niet als giften in aanmerking zouden moeten genomen. Overigens is ook niet voldoende gemotiveerd gesteld of anderszins gebleken dat in het in rechtsoverweging 39 genoemde bedrag enig deel van de bedoelde kwijtschelding is verdisconteerd, zodat ook van een dubbeltelling geen sprake is.

47. Vaststaat dat ter gelegenheid van de verkoop en levering van de onroerende zaak plaatselijk bekend [a[plaats] [geïntimeerde 2] als verhuurder en de erflaatster en [geïntimeerde 1] als huurders een huurovereenkomst ter zake van die onroerende zaak zijn aangegaan, zodat - anders dan [appellante] ingang tracht te doen vinden - zich geen uitzondering voordoet op de hoofdregel voor de waardering van giften, zoals die is neergelegd in art. 4:66 lid 1 BW.

Daarom behoeft het hof ook niet in te gaan op de vraag of gelet op de tijdstippen waarop de eerder bedoelde kwijtschelding heeft plaatsgevonden voor de berekening van de schending van de legitieme portie van [appellante] de onroerende zaak moet worden geacht zelf te zijn geschonken. De hoofdregel van art. 4:66 lid BW wijkt immers wat het tijdstip van waardering van gedane giften af van het daaromtrent in art. 4:968 (oud) BW bepaalde.

De beslissing

Het gerechtshof:

draagt [geïntimeerde 1] op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de erflater en [geïntimeerde 1] tezamen aan [appellante] voor een bedrag van ƒ 31.000,-- aan spaarbrieven hebben geschonken en dat de erflater en [geïntimeerde 1] aan haar in de periode van 1987 tot en met 1993 een bedrag van in totaal van ƒ 49.924,-- aan giften hebben gedaan;

bepaalt voor zover [geïntimeerde 1] het bewijs zou willen leveren door middel van

getuigen dat het verhoor zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden, op een nog nader te bepalen dag en uur voor mr. W. Breemhaar, hiertoe tot raadsheer commissaris benoemd;

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 14 mei 2013 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n), voor de periode van drie maanden na bovengenoemde rolzitting, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

verstaat dat de advocaat van [geïntimeerden] uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor zal plaatsvinden een kopie van het volledige procesdossier ter griffie van het hof doet bezorgen, bij gebreke waarvan de advocaat van [geïntimeerde 1] alsnog de gelegenheid heeft uiterlijk één week voor de vastgestelde datum een kopie van de processtukken over te leggen;

verwijst voorts de zaak naar genoemde rolzitting voor het nemen van de akte, als bedoeld in rechtsoverweging 42 door [appellante];

verstaat dat [geïntimeerden] vervolgens daarop zullen kunnen reageren door het nemen van een antwoordakte;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. W. Breemhaar, voorzitter, R.A. van der Pol en R.Ch. Verschuur en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag

16 april 2013 in bijzijn van de griffier.