Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7827

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
200.112.648/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De overeengekomen onderhoudsbijdrage voor de minderjarige kinderen, zoals opgenomen in het ouderschapsplan, is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 9 april 2013

Zaaknummer 200.112.648

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P.J. Jans, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P. Douma, kantoorhoudende te Winschoten.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 10 juli 2012 (zaaknummer 133977 / FA RK 12-1078) heeft de rechtbank Groningen de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en, voor zover hier van belang, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1]), geboren op [geboortedatum], [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2]), geboren op [geboortedatum] en [kind 3] (hierna te noemen: [kind 3]), geboren op [geboortedatum] allen geboren in de voormalige gemeente Winschoten, bepaald op € 225,- per kind per maand, zoals door partijen overeen gekomen in het door hen opgestelde ouderschapsplan.

Het geding in hoger beroep

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 5 september 2012, heeft de man verzocht de beschikking van 10 juli 2012 te vernietigen voor zover het de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] betreft en opnieuw beslissende de door de man te betalen bijdrage op nihil te stellen, zo mogelijk met terugwerkende kracht vanaf 10 juli 2012, althans tot een bedrag als het gerechtshof in goede justitie zal menen te behoren vast te stellen, waarbij het verzochte in de plaats treedt van hetgeen over de kinderalimentatie is overeengekomen in het ouderschapsplan.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 15 november 2012, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht het door de man ingestelde hoger beroep af te wijzen met bekrachtiging van de beschikking van de rechtbank Groningen van

10 juli 2012.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief met bijlagen van 5 oktober 2012, een brief met bijlagen van 16 oktober 2012, een brief van 13 november 2012 en een brief met bijlagen van 1 maart 2013 van mr. Douma en een brief met bijlagen van 17 januari 2013, een brief met bijlagen van 18 januari 2013 en een fax van 25 februari 2013 van mr. Jans.

Ter zitting van 28 januari 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn partijen met hun advocaten. Partijen hebben ter zitting vier weken de tijd gevraagd om te proberen samen tot een minnelijke oplossing te komen. Partijen zijn hier niet in geslaagd en hebben bij fax van 25 februari 2013 en brief van 1 maart 2013 om een beschikking van het hof gevraagd.

De beoordeling

Te laat binnengekomen stukken

1. Artikel 1.4.3. van het Procesreglement Verzoekschriftprocedures Familiezaken Gerechtshoven schrijft voor dat nadere stukken zo spoedig mogelijk doch uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen worden overgelegd.

Op 3 maart 2013 is er een brief van 1 maart 2013 met bijlagen van mr. Douma bij het hof binnengekomen. Mr. Douma heeft inkomensgegevens van de vrouw als bijlage meegezonden. Deze stukken zijn zonder noodzaak in strijd met het procesreglement en zonder toestemming van het hof na sluiting van het onderzoek ter zitting door het hof ontvangen. Het hof zal deze stukken dan ook buiten beschouwing laten.

De vaststaande feiten

2. Partijen zijn op 15 mei 1996 voor de eerste keer en op 10 december 2002 voor de tweede keer getrouwd. Hun tweede huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 24 oktober 2012.

3. Partijen oefenen het gezamenlijk het gezag uit over de kinderen en de kinderen hebben hun vaste verblijfplaats bij de vrouw.

4. Bij verzoekschrift van 16 mei 2012, binnen gekomen bij de rechtbank op

21 mei 2012, hebben partijen verzocht de echtscheiding uit te spreken en het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan geheel in de beschikking op te nemen.

5. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank voor zover hier van belang op het verzoek van partijen beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg".

Dwaling

6. Voor zover de man, onder punt 15 van zijn appelschriftuur, heeft willen stellen dat de overeenkomst inzake de kinderalimentatie in het ouderschapsplan onder dwaling tot stand is gekomen heeft de man dit beroep onvoldoende onderbouwd. Hij heeft evenmin geëigende consequenties aan dat beroep verbonden voor het door hem verzochte.

7. Het hof merkt hierbij ten overvloede op dat een overeenkomst die is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is:

a. indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten;

b. indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten;

c. indien de wederpartij bij het sluiten van de overeenkomst van dezelfde onjuiste veronderstelling als de dwalende is uitgegaan, tenzij zij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden.

De vernietiging kan niet worden gegrond op een dwaling die een uitsluitend toekomstige omstandigheid betreft of die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven.

8. In het onderhavige geval hebben partijen een gezamenlijke advocaat genomen om de gevolgen van hun echtscheiding te regelen. Vervolgens heeft de man ervoor gekozen om de vrouw de contacten met deze advocaat te laten onderhouden. De man heeft op geen enkel moment voorafgaand aan het ondertekenen van het ouderschapsplan vragen gesteld of nader onderzoek verricht naar de wijze waarop het in het ouderschapsplan genoemde bedrag aan kinderalimentatie tot stand is gekomen en of hij dit bedrag, gelet op zijn draagkracht, wel kon betalen. Het hof is van oordeel dat dit een omstandigheid is die voor rekening van de man behoort te blijven. Uitgangspunt is immers de eigen onderzoeksplicht van de dwalende. Van een mededelingsplicht aan de zijde van de vrouw is in dit verband geen sprake omdat de gegevens waarop een kinderalimentatie gebaseerd wordt bij de man bekend (konden) zijn. Een beroep op dwaling kan derhalve niet slagen.

Het verzoek tot wijziging van het ouderschapsplan

9. De man verzoekt in dit geding om wijziging van het tussen partijen op 8 mei 2012 gesloten ouderschapsplan, zoals opgenomen in de bestreden beschikking van de rechtbank, voor zover het de kinderalimentatie betreft. Een dergelijk wijzigings-verzoek dient te worden gegrond op de stelling dat de overeenkomst destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (artikel 1:401 lid 5 BW), dan wel dat de overeenkomst na het sluiten ervan door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven (artikel 1:401 lid 1 BW).

*Het verzoek tot wijziging op grond van artikel 1:401 lid 5 BW

10. De man heeft aan zijn wijzigingsverzoek in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat er sprake is van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven, zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 5 BW. Deze miskenning is volgens de man gelegen in de wijze waarop het door hem te betalen bedrag aan kinderalimentatie tot stand is gekomen. De man ging ervan uit dat de gezamenlijk door partijen ingeschakelde advocaat zou nagaan of de in het ouderschapsplan genoemde bedragen in lijn lagen, althans in overeenstemming zouden zijn, met de wettelijke maatstaven. De man is met de aan de vrouw te betalen kinderalimentatie akkoord gegaan omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat de advocaat had berekend dat hij dit bedrag conform de wettelijke maatstaven kon betalen. Aangezien er sprake zou zijn van maatwerk mocht hij daarop ook vertrouwen. De man stelt dat thans is gebleken dat hij geen draagkracht heeft om enige bijdrage te voldoen.

11. De vrouw bestrijdt de stellingen van de man waar het de gang van zaken betreffende de totstandkoming van het ouderschapsplan betreft en stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:401 lid 5 BW.

12. Met een grove miskenning van de wettelijke maatstaven wordt bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het betreft dan gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

13. Partijen zijn het er over eens dat het door de man aan de vrouw te betalen bedrag aan kinderalimentatie niet is vastgesteld aan de hand van een draagkracht-berekening.

Gelet op de hierna volgende berekening van de draagkracht van de man en de overeengekomen onderhoudsbijdrage van € 225,- per kind per maand, is het hof van oordeel dat tussen die twee bedragen een zodanige wanverhouding bestaat dat de overeenkomst destijds is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Daarbij is ter zitting vast komen te staan dat partijen niet de bedoeling hadden van de wettelijke maatstaven af te wijken, zodat de bijdrage voor wijziging vatbaar is.

De behoefte van [kind 1], [kind 2] en [kind 3]

14. Nu het ouderschapsplan op het punt van de kinderalimentatie gewijzigd wordt en de behoefte van de kinderen nog niet is vastgesteld, zal het hof dat eerst doen. De behoefte van een kind wordt, met betrekking tot het eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen, gebruikelijk vastgesteld op basis van de CBS-Nibud tabel. Aan de hand van de leeftijd van het kind en het gezinsinkomen tijdens de laatste jaren van het huwelijk, kan uit deze tabel worden afgeleid welke uitgaven die ouders gebruikelijk ten behoeve van dat kind doen. De behoefte van dat kind kan dan in redelijkheid worden gesteld op het bedrag van deze uitgaven c.q. kosten.

15. Nu partijen in 2012 uiteen zijn gegaan zal het hof voor de berekening van de behoefte van de kinderen uitgaan van het cumulatieve inkomen van de man over 2012, zijnde € 31.285,-.

Uitgaande van dit bedrag als bruto jaarinkomen had de man een netto inkomen van € 1.784,- per maand. De vrouw ontving, zoals ter zitting in hoger beroep is gebleken, in 2012 een bruto WAO-uitkering van € 1.147,31 per vier weken, zijnde, inclusief 8% vakantiegeld, een netto bedrag van € 1.038,- per maand. Het gezamenlijk netto gezinsinkomen van partijen bedroeg derhalve € 2.822,- per maand. Uitgaande van dit gezinsinkomen en de leeftijd van de kinderen in 2012 (resulterende in drie kinderbijslagpunten voor [kind 1], vijf punten voor [kind 2] en vijf punten voor [kind 3], gezamenlijk dertien kinderbijslagpunten) heeft het hof de behoefte van de kinderen op basis van de hiervoor genoemde CBS-Nibud tabel berekend op (afgerond) € 771,- per maand, zijnde € 257,- per kind per maand.

De geschilpunten

16. De geschilpunten tussen partijen betreffen:

? de draagkracht van de man en wel op de volgende punten:

? de huurkosten van de man;

? de hypotheekkosten;

? de omgangskosten;

? de bijzondere kosten;

? de herinrichtingskosten.

De huurkosten van de man

17. De man stelt in zijn appelschrift dat hij tijdelijk een stacaravan huurt op een camping tegen een huurbedrag van € 250,- per maand, maar dat rekening gehouden moet worden met een minimum bedrag van € 450,- aan huurkosten. Ter zitting in hoger beroep heeft hij echter verklaard dat voor de berekening van zijn draagkracht uitgegaan dient te worden van de draagkrachtberekening die hij bij zijn nadere stukken van 18 januari 2013 heeft overgelegd. In die berekening wordt uitgegaan van een woonlast van € 235,- per maand, zodat het hof daar ook mee zal rekenen.

De hypotheekkosten

18. De man stelt dat hij overeenkomstig het echtscheidingsconvenant de helft van de hypotheekkosten betaalt van de voormalige echtelijke woning totdat deze is verkocht en dat daarmee rekening moet worden gehouden. De vrouw betwist dit.

19. In het echtscheidingsconvenant is - voor zover hier van belang- onder meer het volgende bepaald:

"5. De echtelijke koopwoning:

(...)

Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat in goed overleg met de adviseur van de SNS bank de man zal worden ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid.

Partijen zullen middels tijdige aanvraag voordien bij de hypotheeknemer ervoor doen zorg dragen dat de man ter gelegenheid van de voornoemde afwikkeling door de notaris dan volkomen zal zijn ontslagen uit zijn verplichtingen uit hoofde van de onderhavige hypotheekschuld.

Indien het voorgaande niet ter uitvoering zal kunnen worden gebracht, zal het huis verkocht worden. Totdat dit alles is geregeld, worden de kosten van de hypotheek gedeeld. De overige vaste lasten zullen ook worden gedeeld. Mocht 1 van de partijen voor die tijd een andere woning betrekken dan komen de kosten die gemaakt worden voor bijvoorbeeld eigen gebruik (energie en water, etc) van de echtelijke koopwoning voor eigen rekening."

20. Vast staat dat de man niet is ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid en dat de voormalig echtelijke woning tot op heden niet is verkocht. Uit het genoemde artikel 5 van het echtscheidingsconvenant blijkt dat de man de helft van de hypotheekkosten en de overige kosten die betrekking hebben op de woning dient te betalen totdat hij is ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid of tot dat de woning is verkocht.

De man stelt dat hij de helft van de maandlasten van de hypotheek en de helft van de premie van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering betaalt. Daarnaast worden de zakelijke lasten van de woning (deels) afgeschreven van zijn rekening, aldus de man ter zitting.

De vrouw heeft dit enkel betwist. Nu geen van partijen echter stukken heeft overgelegd ten aanzien van de betaling van de (hypotheek)kosten en de premie levensverzekering zal het hof uitgaan van hetgeen in het echtscheidingconvenant is overeengekomen en in de draagkrachtberekening van de man rekening houden met de helft van deze kosten.

De omgangskosten

21. De man heeft in zijn draagkrachtberekening een bedrag van € 100,- per maand opgevoerd aan omgangskosten. De vrouw betwist dat er omgang plaatsvindt tussen de man en de kinderen en stelt dat daarom geen rekening moet worden gehouden met omgangskosten.

22. Ondanks het feit dat er op dit moment geen omgang plaatsvindt tussen de man en de kinderen zal het hof in de draagkrachtberekening van de man wel rekening houden met de door hem opgevoerde omgangskosten. In het ouderschapsplan is immers opgenomen dat de kinderen in principe eens per twee weken een weekend bij de man verblijven en dat de vakanties en feestdagen bij helfte zullen worden verdeeld. Het hof gaat ervan uit dat partijen, in het belang van de kinderen, in onderling overleg de omgangsregeling weer op zullen starten.

De bijzondere kosten

23. De door de man in zijn eerdere draagkrachtberekening opgevoerde lasten van € 100,- aan bijzondere kosten, heeft hij in zijn laatste berekening niet meer opgenomen en hij doet daar, gelet op zijn mededeling ter zitting zoals hiervoor onder 17 weergegeven, ook geen beroep meer op. Het hof zal daar derhalve evenmin mee rekenen.

De herinrichtingskosten

24. De man heeft in zijn draagkrachtberekening een bedrag van € 125,- per maand aan herinrichtingskosten opgenomen. De vrouw betwist dat de man dergelijke kosten maakt nu hij volgens haar bijna de volledige huisraad heeft meegenomen.

Het hof houdt geen rekening met deze kosten van herinrichting bij het berekenen van de draagkracht van de man nu deze niet op deugdelijke wijze zijn onderbouwd en deze kosten door de vrouw worden betwist.

* De zorgverzekeringspremie van de man

25. Het hof zal in de draagkrachtberekening van de man ten aanzien van de zorgverzekeringspremie van de man, anders dan de man in de door hem opgestelde draagkrachtberekening en gelet op de door hem in het geding gebrachte specificatie van de premie, uitgaan van een bedrag van € 97,- aan basispremie en een bedrag van € 55,- aan aanvullende premies. Nu de vrouw niet heeft betwist dat de man elk jaar zijn eigen risico vol maakt, zal het hof eveneens rekening houden met het door de man te betalen bedrag aan eigen risico ziektekosten ad € 18,- per maand.

* De draagkracht van de man

26. Het hof heeft een draagkrachtberekening van de man opgesteld en daarbij gelet op het voorgaande en de overige niet-betwiste bedragen zoals die blijken uit de door de man opgestelde draagkrachtberekening. Uit de door het hof opgestelde, en aangehechte, draagkrachtberekening blijkt dat de man een bedrag van € 162,- per maand beschikbaar heeft om een bijdrage te voldoen in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1], [kind 2] en [kind 3]. Het hof bepaalt de door de man te betalen bijdrage op € 109,- per kind per maand en neemt daarbij in aanmerking dat de man met deze bijdrage en de door hem te maken omgangskosten in aanmerking komt voor fiscaal voordeel.

Een draagkrachtvergelijking leidt, gelet op het geringe inkomen van de vrouw, niet tot een lagere bijdrage voor de man.

* De ingangsdatum

27. Tussen partijen is niet in geschil dat de door de man te betalen gewijzigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen in dient te gaan per 10 juli 2012, zodat het hof daarbij aan zal sluiten.

Slotsom

De beschikking waarvan beroep dient gedeeltelijk te worden vernietigd en er zal opnieuw worden beslist zoals hieronder aangegeven.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en het daarin ingelaste ouderschapsplan tussen partijen voor zover het de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] betreft;

en in zoverre opnieuw beslissende:

wijzigt het door partijen overeengekomen ouderschapsplan voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor [kind 1], [kind 2] en [kind 3] betreft;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1], geboren op [geboortedatum], [kind 2], geboren op [geboortedatum] en [kind 3], geboren op [geboortedatum], met ingang van 10 juli 2012 op € 109,- per kind per maand;

bepaalt dat deze bijdrage, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dient te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, voorzitter, G.M. van der Meer en S. Rezel, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 april 2013 in bijzijn van de griffier.