Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7786

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
200.100.223
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2011:BR3549, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsuitkering in verband met de diefstal van een auto (taxi); aftrek van BPM-deel van de aanschafwaarde; indemniteitsbeginsel.

De op de nieuwwaarde gebaseerde dagwaarde van een auto wordt mede bepaald door de daarop geheven BPM. Dat is niet anders doordat de taxiondernemer dankzij een voor hem geldende fiscale regeling de op de auto geheven BPM van de belastingdienst terug ontvangt. Vergoeding van de waarde inclusief BPM-component kan wel strijd opleveren met het indemniteitsbeginsel in geval bij aanschaf van een vervangende auto in de prijs daarvan een BPM-component is verdisconteerd die niet kan worden terug ontvangen van de belastingdienst. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.100.223

(zaaknummer rechtbank Utrecht 292619)

arrest van de eerste kamer van 16 april 2013

inzake

[appellant],

wonend te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P.F. Keuchenius,

tegen

de naamloze vennootschap

ASR Schadeverzekering N.V. (voorheen Fortis ASR Schadeverzekeringen N.V.),

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

Partijen worden hierna [appellant] en ASR genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het arrest in deze zaak van het gerechtshof Arnhem van 4 december 2012. Bij dat arrest is [appellant] in de gelegenheid gesteld om te reageren op de stelling van ASR dat [appellant] bij de aanschaf van een vervangende auto de betaalde BPM van de belastingdienst zal terug ontvangen.

1.2 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de akte zijdens [appellant];

- de antwoordakte zijdens ASR, met producties;

- de akte uitlating producties zijdens [appellant].

1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Zoals bij voornoemd tussenarrest van 4 december 2012 reeds is vastgesteld, heeft [appellant] aanspraak op vergoeding van de dagwaarde van de Mercedes, welke dagwaarde is te definiëren als de nieuwwaarde te verminderen met een aftrek wegens waardevermindering door ouderdom of slijtage. Anders dan ASR kennelijk veronderstelt, betekent de enkele omstandigheid dat [appellant] de op de Mercedes geheven BPM van de belastingdienst heeft terug ontvangen, nog niet zonder meer dat [appellant] op basis van de verzekeringsovereenkomst geen aanspraak zou kunnen maken op een dagwaarde die is bepaald op basis van de nieuwwaarde van de Mercedes inclusief BPM-component. De nieuwwaarde van een auto, en daarmee ook de dagwaarde, wordt immers mede bepaald door de daarop geheven BPM. Dat is niet anders doordat [appellant] dankzij een op hem toepasselijke fiscale regeling de op de auto geheven BPM van de belastingdienst heeft terug ontvangen. Een dergelijke teruggave leidt weliswaar de facto voor hem tot een lagere (netto) aanschafprijs maar verandert de nieuwwaarde van de auto niet. In het onderhavige geval is in de verzekeringspolis ook de nieuwwaarde van de Mercedes inclusief BPM (€ 76.172,-) opgenomen.

2.2 Ook kan niet zonder meer worden gezegd dat bij vergoeding van de dagwaarde op basis van deze nieuwwaarde (dus inclusief een BPM-component) [appellant] een vergoeding ontvangt die hem in een duidelijk voordeliger positie brengt. De rechter behoeft, gelet op de literatuur en de jurisprudentie van de Hoge Raad over toepassing van het in artikel 7:960, eerste volzin van het Burgerlijk Wetboek neergelegde indemniteitsbeginsel (zie in dit verband Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX 2012, nr. 428 e.v. en de daar aangehaalde jurisprudentie, waaronder HR 10 december 1993, LJN ZC1176), niet spoedig aan te nemen dat van een duidelijk voordeliger positie van de verzekerde ten gevolge van de uitkering sprake zal zijn. De enkele omstandigheid dat [appellant] de bij de aanschaf op de auto geheven BPM van de belastingdienst heeft terug ontvangen, noopt niet zonder meer tot de gevolgtrekking dat een uitkering van de dagwaarde op basis van een nieuwwaarde inclusief BPM-component in strijd is met het indemniteitsbeginsel. Ook in dat geval is immers goed mogelijk dat de schadelijke gevolgen van de diefstal van de auto voor [appellant] slechts kunnen worden weggenomen door een uitkering op basis van de waarde inclusief BPM-component. Dat zal zich met name voordoen in het geval dat bij de aanschaf van een vervangende auto in de prijs van die auto een BPM-component is verdisconteerd die niet kan worden terug ontvangen van de belastingdienst. Het is in dit verband dat [appellant] in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het standpunt van ASR dat ook in geval van aanschaf van een vervangende auto [appellant] weer de BPM van de belastingdienst zal terug ontvangen.

2.3 Uit de aktes van partijen en de door beide partijen aangehaalde regeling Teruggaaf van bpm voor taxi’s (hierna: regeling Teruggaaf BPM) volgt genoegzaam dat indien [appellant] na de diefstal van de Mercedes een vervangende auto zou hebben aangeschaft in het kader van zijn taxionderneming (in de bewoordingen van de regeling Teruggaaf BPM: een personenauto die voor 90% of meer zou worden gebruikt voor taxivervoer), hij opnieuw in aanmerking zou kunnen komen voor een teruggaaf van de op de nieuw aangeschafte auto betaalde BPM. Dat zou betekenen dat [appellant], indien hij een uitkering zou krijgen op basis van de waarde van de auto inclusief BPM-component, in een duidelijk voordeliger positie zou geraken zolang hij die auto als taxi zou inzetten. In dit geval doet zich evenwel de bijzondere omstandigheid voor dat, zoals door [appellant] gesteld en door ASR niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist, vast staat dat [appellant], als uitvloeisel van het schadevoorval (de diefstal van de voor zijn taxionderneming gebruikte Mercedes) terwijl hij niet over voldoende financiële middelen beschikte om (al dan niet via een leasemaatschappij) een vervangende auto te kunnen aanschaffen, zijn taxionderneming feitelijk per 24 juni 2009 en formeel (middels uitschrijving bij de Kamer van Koophandel) per 31 december 2009 heeft beëindigd. Daarmee voldeed [appellant] niet meer aan de in de regeling Teruggaaf BPM gestelde voorwaarden voor teruggaaf van de op de nieuw aan te schaffen auto te betalen BPM. ASR heeft daartegenover slechts aangevoerd dat de bedrijfsbeëindiging niet relevant is omdat de over de gestolen Mercedes geheven en weer terug ontvangen BPM niet aan de belastingdienst behoeft te worden terugbetaald. Zoals uit het voorgaande volgt, is deze omstandigheid noch wat betreft de bepaling van de dagwaarde noch wat betreft het beroep op het indemniteitsbeginsel doorslaggevend. Beslissend is of over de koopsom van de vervangende auto BPM verschuldigd is zonder dat daarvan teruggaaf kan worden verkregen. Nu, uitgaande van de niet betwiste bedrijfsbeëindiging per 24 juni 2009, gesteld noch gebleken is dat de op de door [appellant] aan te schaffen vervangende auto te betalen BPM door de belastingdienst zou worden terugbetaald, faalt het beroep van ASR op het indemniteitsbeginsel. Ook de omstandigheid dat [appellant] bij vergoeding van een dagwaarde inclusief BPM-component een vergoeding ontvangt die hoger ligt dan de netto door hem betaalde aanschafprijs van de gestolen Mercedes, maakt dat niet anders. ASR heeft niet gesteld, en dat is ook anderszins niet gebleken, dat de (netto) aanschafprijs van een vervangende auto lager zou liggen dan de te vergoeden dagwaarde inclusief BPM-component. Dit betekent dat de grieven van [appellant] voor zover die zich richten tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering ter zake van de rest-BPM (grieven 1 tot en met 5 in het principaal appel) slagen.

2.4 De hoogte van de door [appellant] gevorderde rest-BPM is door ASR niet betwist zodat dit bedrag van € 17.903,- zal worden toegewezen. De door [appellant] gevorderde wettelijke rente over dat bedrag (waarvan de ingangsdatum door ASR is betwist) is ASR verschuldigd vanaf het moment dat zij met betaling van de (volledige) verzekeringsuitkering in verzuim was. Uit hetgeen bij voornoemd tussenarrest reeds is overwogen (rechtsoverweging 3.4), volgt dat ASR pas tot uitbetaling behoefde over te gaan nadat de eigendomsrechten van de Mercedes aan haar waren overgedragen, namelijk 18 september 2009. Gelet op het bepaalde in artikel 9 lid 1 van de toepasselijke Algemene Voorwaarden Bedrijfsverzekering is ASR binnen een termijn van vier weken daarna geen wettelijke rente verschuldigd. Een redelijke uitleg van deze bepaling, in samenhang met het bepaalde in artikel 14 van de Bijzondere Voorwaarden Personenautoverzekering Casco Compleet (rechtsoverweging 2.3 van voornoemd tussenarrest), brengt met zich dat ASR een termijn van vier weken heeft om tot betaling over te gaan nadat aan de voorwaarden voor uitkering, waaronder de overdracht van de eigendomsrechten van de gestolen auto, is voldaan. Door [appellant] zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die tot een andere uitleg van deze bepaling zouden kunnen leiden. Het hof zal de wettelijke rente mitsdien toewijzen vanaf 16 oktober 2009.

2.5 Het door ASR in eerste aanleg gevoerde verweer dat de vordering van [appellant] is verjaard, is blijkens het bestreden vonnis ter gelegenheid van de comparitie van partijen ingetrokken zodat dit geen verdere behandeling behoeft. Ten aanzien van hetgeen overigens door [appellant] is gevorderd, is reeds bij voornoemd tussenarrest afwijzend beslist.

2.6 De slotsom is dat de grieven 1 tot en met 5 in het principaal hoger beroep en de grief in het incidenteel hoger beroep slagen en dat de grieven 6 en 7 in het principaal hoger beroep doel missen. De vermeerderde vordering tot betaling van vertragingsschade moet worden afgewezen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en ASR zal alsnog worden veroordeeld om aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 17.903,-, vermeerderd met de wettelijke rente. Partijen hebben niet voldoende concreet en specifiek feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere conclusie aanleiding zouden kunnen geven zodat de bewijsaanbiedingen worden gepasseerd.

2.7 Het arrest zal desgevorderd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Door ASR zijn onvoldoende belangen gesteld die zich tegen uitvoerbaarverklaring bij voorraad zouden verzetten of die tot het stellen van voorwaarden of zekerheden aanleiding zouden moeten geven; het door ASR gestelde restitutierisico heeft zij onvoldoende onderbouwd.

2.8 Nu partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in beide instanties worden gecompenseerd.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 6 juli 2011 en opnieuw recht doende:

veroordeelt ASR om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 17.903,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 oktober 2009 tot de dag der voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H.L. Wattel en F.J.P. Lock, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 april 2013.