Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7461

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
200.082.363
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor de gevolgen van beslag ter zake van een vordering die in eerste aanleg is toegewezen, maar in hoger beroep alsnog volledig is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.082.363

(zaaknummer rechtbank Almelo 322.020 CV EXPL 09-6639)

arrest van de eerste kamer van 16 april 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. A. Hurenkamp,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.I. van den Heuvel-Boonstra.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 16 november 2010 dat de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo) tussen [appellante] als gedaagde in conventie/eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiseres in conventie/verweerster in reconventie heeft gewezen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 8 februari 2011,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in rechtsoverweging 2 van het vonnis van 16 november 2010.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. [appellante] heeft [geïntimeerde] op 14 april 2005 gedagvaard voor de kantonrechter te Almelo en gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 195.500,- met rente en kosten, wegens overtreding van een relatie- en/of concurrentiebeding. Tot zekerheid voor deze vordering heeft [appellante] op 29 november 2006 conservatoir beslag gelegd op de woning van [geïntimeerde] en conservatoir derdenbeslag onder de Postbank en de ABN AMRO bank. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 12 juni 2007 heeft de kantonrechter [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van € 172.500,- met rente en kosten. Op 12 juli 2007 heeft [appellante] dit vonnis aan [geïntimeerde] betekend en bevel gedaan om binnen twee dagen na betekening te voldoen aan de veroordeling, onder aanzegging dat bij gebreke van dien executie door alle middelen in het bijzonder door middel van beslaglegging en verkoop van de roerende en/of onroerende zaken van [geïntimeerde] zou volgen, met verdere aanzegging dat de gelegde conservatoire beslagen ingevolge artikel 704 Rv zijn overgegaan in executoriale beslagen. Op 20 juli 2007 heeft [geïntimeerde] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Om tenuitvoerlegging van het vonnis middels executie van haar woning te voorkomen, heeft [geïntimeerde] een bankgarantie afgegeven tot een bedrag van (bijna) € 200.000, waarvoor zij een tweede hypotheek heeft moeten vestigen. Bij arrest van 16 december 2008 heeft het gerechtshof Arnhem de vordering van [appellante] alsnog afgewezen. Tegen dit arrest is geen rechtsmiddel aangewend.

4.2 In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] in conventie betaling gevorderd door [appellante] van een bedrag van € 4.275,83, te vermeerderen met rente en kosten. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat met het in kracht van gewijsde gaan van het arrest van het gerechtshof Arnhem van 16 december 2008 is komen vast te staan dat [appellante], door het leggen van beslag en het verrichten van executiehandelingen na het vonnis in eerste aanleg, onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Zij stelt hierdoor schade te hebben geleden, bestaande uit de kosten als gevolg van de beslagen op de bankrekeningen en de woning en de kosten van de bankgarantie en de vestiging van de tweede hypotheek. [appellante] heeft verweer gevoerd. In reconventie heeft zij betaling gevorderd van een bedrag van € 5.683,25 wegens onnatuurlijk verval van polissen. Bij het bestreden vonnis van 16 november 2010 heeft de kantonrechter de vordering in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten in conventie en in reconventie.

Tegen deze beslissingen komt [appellante] op in dit hoger beroep.

4.3 Met grief I keert [appellante] zich tegen het oordeel van de kantonrechter over de vordering in conventie. Dit oordeel komt erop neer dat, nu [appellante] tot executie van een niet in kracht van gewijsde gegaan vonnis is overgegaan en het vonnis in hoger beroep is vernietigd, [appellante] op grond van onrechtmatige daad gehouden is de kosten te vergoeden die [geïntimeerde] als gevolg daarvan heeft gemaakt. Naar het oordeel van de kantonrechter komen alle door [geïntimeerde] genoemde kosten voor vergoeding in aanmerking, nu deze direct voortvloeien uit het besluit van [appellante] om tot executie over te gaan. [appellante] bestrijdt dat zij onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij tot executie is overgegaan. Verder betoogt zij dat de door [geïntimeerde] opgevoerde kosten, waaronder met name die met betrekking tot de vestiging van een tweede hypotheek, niet in rechtstreeks verband staan met het door [appellante] gelegde beslag.

4.4 Bij de beoordeling hiervan stelt het hof voorop dat degene die beslag legt, handelt op eigen risico en, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade dient te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd. Dat geldt ook in geval de betrokkene, op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd, bij het leggen van het beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld (HR 15 april 1965, LJN: AC4076 en HR 21 februari 1992, LJN: ZC0512). Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt. Dat geldt zowel voor conservatoir beslag op grond van een niet aan de beslaglegger toekomende vordering, als voor executoriaal beslag op grond van een executoriale titel die na de beslaglegging wordt vernietigd (HR 13 januari 1995, LJN: ZC1608). Op de beslaglegger rust daarbij een risicoaansprakelijkheid voor de gevolgen van het door hem gelegde beslag indien de vordering waarvoor beslag is gelegd geheel ongegrond is (HR 11 april 2003, LJN: AF2841).

4.5 In dit geval staat vast dat [appellante] conservatoire beslagen heeft gelegd ter verzekering van een vordering, die uiteindelijk bij rechterlijke uitspraak (het in kracht van gewijsde gegane arrest van het hof van 16 december 2008) geheel ongegrond is bevonden. Gelet op de hiervoor vermelde maatstaf betekent dit dat [appellante] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg van deze beslagen lijdt. Of er ten tijde van de toenmalige procedure bij de kantonrechter voldoende aanwijzingen waren om te veronderstellen dat het conservatoire beslag op goede gronden was gelegd, zoals [appellante] stelt, doet daarbij niet ter zake, nu het hier in feite om een risicoaansprakelijkheid gaat. Het betoog van [appellante] dat de vraag of het leggen van beslag onrechtmatig is moet worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval, gaat in dit geval dus ook niet op.

4.6 Vaststaat verder dat [appellante] het vonnis van de kantonrechter van 12 juni 2007, houdende de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 172.500,- met rente en kosten, op 12 juli 2007 aan [geïntimeerde] heeft betekend. Niet in geschil is dat, nu het vonnis uitvoerbaar bij voorraad was verklaard, sprake was van een voor tenuitvoerlegging vatbare executoriale titel. Ingevolge artikel 704 Rv is het conservatoir beslag hiermee dus in een executoriaal beslag overgegaan, zoals het betekeningsexploit overigens ook uitdrukkelijk vermeldt. Aan dit effect ziet [appellante] voorbij met haar betoog dat zij weliswaar beslag heeft gelegd, maar niet tot executiemaatregelen is overgegaan. Nu sprake is van een executoriaal beslag op grond van een executoriale titel die naderhand is vernietigd, is [appellante] voor de gevolgen daarvan eveneens aansprakelijk. Daarnaast heeft overigens nog te gelden dat, waar [appellante] door te dreigen met een executie van het onroerend goed [geïntimeerde] heeft gedwongen om maatregelen te treffen om dit af te wenden, zij in beginsel onrechtmatig heeft gehandeld nu zij, naar achteraf in hoger beroep is gebleken, geen voldoening aan de veroordeling kon verlangen. Van bijzondere omstandigheden, die tot een ander oordeel op dit punt zouden moeten leiden, is het hof niet gebleken. Ook in dat opzicht moet [appellante] aansprakelijk worden geacht voor de schade die [geïntimeerde] als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft geleden.

4.7 Wat de schade en het causale verband betreft, overweegt het hof het volgende.

[geïntimeerde] heeft aan de hand van door haar overgelegde bewijsstukken gemotiveerd gesteld dat de Postbank, ABN AMRO Bank en Achmea Hypotheekbank haar vanwege de beslagen op haar bankrekeningen en woning bedragen van respectievelijk € 70,-, €119,- plus € 82,74 en € 156,79 aan (afhandelings)kosten in rekening hebben gebracht. [appellante] heeft in elk geval in hoger beroep niet meer (gemotiveerd) betwist dat deze kosten in rechtstreeks verband staan met het gelegde beslag, zodat deze in elk geval als schade ten gevolge van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust aan [appellante] kunnen worden toegerekend.

4.8 Niet in geschil is verder dat partijen zijn overeengekomen dat na het verstrekken van een bankgarantie van € 200.000,- tot opheffing van de beslagen zou worden overgegaan. Nadat er een bankgarantie van € 197.808,58 was verstrekt en het verschil ad € 2.191,42 separaat aan de deurwaarder was voldaan, is [appellante] tot opheffing van de beslagen overgegaan. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [appellante] door de betekening van het vonnis het conservatoire beslag in executoriaal beslag doen overgaan. [appellante] heeft verder niet betwist dat haar gemachtigde in dit verband aan de gemachtigde van [geïntimeerde] heeft laten weten “alle registers open te trekken”. Voorts is onbetwist dat de hypotheekverstrekker, Avéro Achmea, bij brief van 18 juli 2007 na door [appellante] op de hoogte te zijn gesteld van het executoriale beslag aan [geïntimeerde] heeft medegedeeld dat de lening geheel opeisbaar was geworden en dat de vordering waarvoor beslag was gelegd moest worden betaald, dan wel dat binnen de gestelde termijn een acceptabele betalingsregeling moest worden getroffen, om openbare verkoop van het verbonden goed ex artikel 3:268 BW te voorkomen. Tegen deze achtergrond is duidelijk dat [geïntimeerde] de bankgarantie moest afgeven om executie van haar woning te voorkomen. De kosten die zij voor de afgifte van de bankgarantie heeft moeten maken (in totaal € 2.492,49), zijn in dit licht bezien te beschouwen als schade die in zodanig verband staat met de gelegde beslagen en verrichte executiehandelingen, dat deze, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als gevolg van deze handelingen aan [appellante] is toe te rekenen. Hetzelfde geldt voor de kosten van het vestigen van de tweede hypotheek ten gunste van [A] en [B], die de bank de opdracht tot afgifte van de bankgarantie hebben gegeven en in verband daarmee een contragarantie hebben verstrekt. [appellante] heeft niet (gemotiveerd) betwist dat alleen op deze wijze, met het vestigen van een tweede hypotheek, de bankgarantie kon worden verstrekt. Ook de daarmee verband houdende kosten (in totaal € 1.139,81) vormen daarom een schadepost die in causaal verband staat met het onrechtmatig handelen van [appellante].

4.9 Gelet op het voorgaande verenigt het hof zich met het oordeel van de kantonrechter dat alle door [geïntimeerde] genoemde kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Grief I faalt.

4.10 Met grief II stelt [appellante] haar reconventionele vordering opnieuw aan de orde. Deze vordering berust op de stelling dat [appellante] aan [geïntimeerde] provisie heeft uitbetaald, die [geïntimeerde] wegens onnatuurlijk verval van polissen tot een bedrag van € 5.683,25 moet terugbetalen. [appellante] beroept zich daarbij op de tussen partijen gemaakte afspraken in de arbeidsovereenkomst, inhoudende dat de werknemer bij onnatuurlijk verval een evenredig deel van de provisie dient terug te storten of te verrekenen. In eerste aanleg heeft [appellante], ter onderbouwing van deze vordering, twee provisieoverzichten over de maanden december 2002 en december 2003 overgelegd. Zoals de kantonrechter terecht heeft opgemerkt, valt daaruit op geen enkele manier de juistheid van de door [appellante] gepretendeerde vordering af te leiden. Ondanks de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] heeft [appellante] in eerste aanleg op dit punt ook (bij conclusie van repliek in reconventie) geen nadere onderbouwing gegeven. Met de kantonrechter is het hof dan ook van oordeel dat [appellante] hiermee niet aan haar stelplicht heeft voldaan. De klacht van [appellante] dat de kantonrechter haar in de gelegenheid had moeten stellen om haar vordering nader aan te tonen en bewijs te leveren, gaat niet op.

4.11 In hoger beroep heeft [appellante] alsnog een compleet provisieoverzicht over de periode van januari 2002 tot en met december 2003 overgelegd. Hoewel hierin een aantal gegevens voorkomt (de namen van klanten, met daarachter omschrijvingen van polissen en vermeldingen van premies, provisies, royementen en terugboekingen), constateert het hof dat nog steeds geen aansluiting valt te maken tussen de in die overzichten vermelde bedragen en de door [appellante] in deze procedure ingestelde vordering. Bovendien betreft het hierbij klaarblijkelijk een door [appellante] zelf opgesteld overzicht, zonder dat daarbij de achterliggende documenten zijn overgelegd waarom [geïntimeerde] in eerste aanleg al bij herhaling heeft gevraagd. Daarmee blijft onvoldoende duidelijk (en is voor [geïntimeerde] en het hof in elk geval niet controleerbaar) of sprake is van onnatuurlijk verval, in de zin van opzegging voor de einddatum van polissen/verzekeringen, en of het gaat om verzekeringen die door [geïntimeerde] zijn afgesloten. Daar komt nog bij dat [appellante] niet heeft betwist dat er een depot is gevormd voor onnatuurlijk verval. [appellante] is niet ingegaan op het verweer van [geïntimeerde] dat niet is aan¬getoond dat het eventuele onnatuurlijke verval niet binnen het opgebouwde depot zou vallen. Om deze redenen acht het hof de stellingen van [appellante] op dit punt nog steeds onvoldoende onderbouwd. Dat [appellante] aanspraak heeft op terugbetaling van het gevorderde bedrag aan provisie, is derhalve in rechte niet komen vast te staan. Ook het hof acht de desbetreffende vordering van [appellante] dus niet toewijsbaar. Grief II faalt eveneens.

4.12 Grief III heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft dus verder geen bespreking.

4.13 [appellante] heeft geen (voldoende concrete) feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Aan haar bewijsaanbod gaat het hof daarom voorbij. Aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] komt het hof niet toe.

5. Slotsom

5.1 De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten zullen aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op € 284,- voor verschotten (griffierecht) en € 632,- voor salaris van de advocaat (1 punt x tarief I).

5.3 Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter Almelo van 16 november 2010;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 284,- voor verschotten en op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, S.B. Boorsma en H.L. Wattel en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 april 2013.