Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7371

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
200.101.466/02 wraking
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Geen belang bij wraking rolraadsheer. Gezien de stand waarin de procedure zich bevindt is het redelijkerwijze niet aannemelijk dat de raadsheer in deze zaak nog als rolraadsheer zal moeten optreden. Bijzondere omstandigheden die hiertoe zouden kunnen leiden zijn niet, dan wel onvoldoende, naar voren gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

Wrakingskamer

zaaknummer gerechtshof 200.101.466/02

Beschikking van 16 april 2013

Op het schriftelijke verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

procesadvocaat: mr. S.H. Baas, kantoorhoudende te Baarn,

hierna te noemen: [verzoeker],

verzoeker,

dat strekt tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:

mr. J.H. Kuiper,

raadsheer in dit hof.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Bij de sector civiel van het hof is onder zaaknummer 200.101.466/01 een procedure aanhangig tussen [verzoeker] als appellant en [X] als geïntimeerde.

1.2 Op 18 maart 2013 is ter griffie van het hof een brief van mr. S.H. Baas binnengekomen, met onder meer het verzoek van [verzoeker] tot wraking van mr. Kuiper.

1.3 Mr. Kuiper heeft bij verweerschrift van 25 maart 2013 op het wrakingsverzoek gereageerd.

2.

2.1 Op 2 april 2013 zijn ter griffie van het hof drie producties van de zijde van [verzoeker] binnengekomen.

2.2 Bij faxbericht van 3 april 2013 van mr. H.A. van der Kleij is bericht dat [X] niet ter zitting zal verschijnen.

2.3 Het verzoek is behandeld ter zitting van de wrakingskamer op 4 april 2013.

Verschenen is mr. G.D. te Biesebeek, advocaat te Zwolle, namens [verzoeker].

3. De beoordeling van het verzoek

3.1 Ter rolzitting van 11 september 2012 is aan [X] akte niet dienen verleend voor de memorie van grieven. Bij rolbeschikking van 2 oktober 2012 is die beslissing gehandhaafd en is verstaan dat mr. Te Biesebeek zich op de rol van 25 september 2012 als procureur heeft onttrokken, waarop de zaak naar de rol is verwezen voor het stellen van een nieuwe advocaat aan de zijde van [verzoeker] en het wijzen van arrest in de door [verzoeker] op 11 september 2012 gevorderde voeging met de eveneens bij dit hof tussen partijen aanhangige kort geding procedure. Bij arrest in het incident van 26 februari 2013 is de gevorderde voeging afgewezen en is de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen (partijberaad). Op 12 maart 2013 heeft [verzoeker] een akte genomen die is geweigerd.

3.2 De zaak staat thans voor het fourneren door partijen van een kopie van het procesdossier ten behoeve van het wijzen van arrest.

3.3 Mr. Kuiper heeft als rolraadsheer in deze zaak de genoemde rolbeslissingen van 11 september 2012, 2 oktober 2012 en 12 maart 2013 genomen. Mr. Kuiper maakt geen deel uit van de meervoudige kamer van dit hof die de voornoemde zaak (inhoudelijk) behandelt.

3.4 Het wrakingsverzoek is erop gebaseerd dat deze rolbeslissingen, al dan niet tezamen genomen, wijzen op vooringenomenheid van mr. Kuiper en klaagt in de kern genomen over de (handhaving van de) op 11 september 2012 verleende akte niet dienen voor de memorie van grieven.

3.5 Ter zitting van de wrakingskamer is namens [verzoeker] nog aangevoerd dat het belang bij het wrakingsverzoek erin is gelegen dat mr. Kuiper voortaan niet meer als rolraadsheer optreedt in voornoemde bodemprocedure tussen [verzoeker] en [X]. Naar de mening van [verzoeker] valt het nodige af te dingen op het hiervoor omschreven procesverloop en wordt met het wrakingsverzoek beoogd dit onder de aandacht te brengen van de meervoudige kamer die thans in de zaak arrest zal gaan wijzen.

3.6 Het is vaste rechtspraak dat behoudens beperkte uitzondering van de gegeven verlening van akte niet dienen in dezelfde instantie niet kan worden teruggekomen. Voor aanvaarding van een uitzondering is plaats ingeval bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan een dergelijke eindbeslissing zou zijn gebonden (Hoge Raad 1 mei 1998, LJN: ZC2640). Bij rolbeschikking van 2 oktober 2012 is reeds gemotiveerd beslist dat en waarom aan de op 11 september 2012 gegeven beslissingen wordt vastgehouden, tegen welke beslissing uiteindelijk cassatie openstaat. De weigering van de akte van [verzoeker] op 12 maart 2013 is in lijn met deze rolbeschikking.

3.7 Gezien de stand waarin de procedure zich daarmee bevindt acht de wrakingskamer het redelijkerwijze niet aannemelijk dat mr. Kuiper in deze zaak nog als rolraadsheer zal moeten optreden. Bijzondere omstandigheden die hiertoe zouden kunnen leiden zijn niet, dan wel onvoldoende, naar voren gebracht.

3.8 [verzoeker] heeft daarom geen belang bij de door hem verzochte wraking.

3.9 De wrakingskamer zal [verzoeker] om die reden niet-ontvankelijk verklaren in zijn wrakingsverzoek.

4. De beslissing

Het hof (de wrakingskamer): verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mrs. H.J. Deuring, voorzitter, J.J. Beswerda en G. van Rijssen, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 april 2013.