Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7134

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
15-04-2013
Zaaknummer
200.066.900/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Piloot in opleiding ten onrechte geschorst vanwege ontbreken VGB. Aanspraak op schadevergoeding. Causaliteit en schadebegroting. Verlies van een kans / proportionele aansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF LEEUWARDEN

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.066.900

(zaaknummer rechtbank 71903)

arrest van de derde civiele kamer van 29 januari 2013.

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.G.P van Marle,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DFA B.V.,

gevestigd te Eelde,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. P.W. Huitema.

Geïntimeerde sub 1 zal hierna DFA, geïntimeerde sub 2 [geïntimeerde 2] en geïntimeerden gezamenlijk zullen DFA c.s. (in vrouwelijk enkelvoud) worden genoemd.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 20 maart 2012 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.2 Partijen hebben schriftelijke pleidooien gehouden, waarbij zij tevens schriftelijk hebben gerepliceerd en gedupliceerd.

1.3 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Het hof blijft bij hetgeen in het tussenarrest is overwogen.

In het tussenarrest heeft het hof overwogen dat het debat zowel over de tekortkoming als de onrechtmatige daad nog onvoldoende tot ontplooiing is gekomen en dat behoefte bestaat aan nadere inlichtingen en heeft daartoe een comparitie van partijen gelast. Bij gelegenheid van deze comparitie van partijen op 20 maart 2012 heeft de advocaat van [appellant] onder meer verklaard: “De grondslag van de vordering is primair onrechtmatige daad, zoals nader in eerste aanleg toegelicht. Subsidiair is er sprake van een toerekenbare tekortkoming in het kader van de leerovereenkomst die partijen hebben gesloten. Ik verwijs naar de brief van de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding van 21 september 2009. DFA heeft immers de overeenkomst opgezegd althans [appellant] niet in staat gesteld de opleiding te vervolgen.

DFA heeft de verklaring van geen bezwaar (hierna: VGB) als voorwaarde gesteld voor het volgen van de opleiding. Dit volgt uit de brief van DFA van 29 januari 2008, productie 12 bij conclusie van antwoord, in het bijzonder: “deze verklaring is essentieel om te kunnen en te mogen deelnemen aan de opleiding”.

Dat uit de brief van de Nationale Coördinator blijkt dat ten onrechte een veiligheidsonderzoek is ingesteld, en dus in mijn visie geen VGB nodig was, wordt verweten aan DFA. [appellant] is immers geschorst en hij mocht de opleiding niet vervolgen. Uit de eerder aangehaalde brief blijkt dat de VGB niet nodig was.”

2.2 [appellant] heeft weliswaar zijn vorderingen in hoger beroep als primair en subsidiair aangeduid, maar niet als zodanig (gewijzigd) in het petitum/het gevorderde in hoger beroep opgenomen. [appellant] vordert - ook in hoger beroep - een bedrag van € 39.746,61 met rente en kosten. Dat ziet aldus de dagvaarding in eerste aanleg op schadevergoeding bestaande uit een vergoeding voor een termijn door hem betaald lesgeld (€ 24.800,-), een bedrag strekkende tot vergoeding van overige kosten (€ 8.946,61) en vergoeding van immateriële geleden schade door het onrechtmatige handelen van [geïntimeerde 2] (€ 3.000,-) en een bedrag voor het verlies van het schooljaar, het verdriet en frustratie rondom het moeten afbreken van de opleiding, ook immateriële schade (€ 3.000,-). Het hof ziet hierin aanleiding om de grondslag toerekenbare tekortkoming eerst te beoordelen.

Leerovereenkomst

2.3 Tussen partijen staat vast dat DFA en [appellant] een overeenkomst hebben gesloten. Partijen hebben zich in de gedingstukken over de aard van deze overeenkomst niet uitgelaten anders dan dat het betreft een overeenkomst tot het volgen van een opleiding van in beginsel (de overeenkomst spreekt over streefdatum) 18 maanden tot verkeersvlieger. In de, in zoverre onbestreden, rechtsoverweging 2.2 van het vonnis van het bestreden vonnis wordt gesproken over een “leerovereenkomst”, daarbij aansluitend bij de kop van het document waarin de overeenkomst is opgenomen. Partijen hebben deze leerovereenkomst niet nader juridisch gekwalificeerd en zich niet de vraag gesteld of het een bijzondere overeenkomst betreft waarvoor Boek 7 BW een regeling geeft.

Opdracht

2.4 In artikel 7:400 lid 1 BW is de overeenkomst van opdracht als volgt gedefinieerd: de overeenkomst waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken”.

De onderhavige leerovereenkomst voorziet erin dat DFA zich jegens [appellant] verbindt tot het verrichten van werkzaamheden bestaande uit het geven van onderricht. Geen der partijen stelt zich op het standpunt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. Daarmee voldoet de leerovereenkomst aan de wettelijke omschrijving van de overeenkomst van opdracht.

Het aanbod van DFA tot het volgen van de opleiding tot verkeersvlieger strekt tot het verlenen van gefixeerde diensten, ten aanzien waarvan [appellant] niet heeft gesteld dat hij als opdrachtgever een instructiebevoegdheid of aanwijzingsbevoegdheid heeft bedongen. In de literatuur wordt een dergelijke te verrichten prestatie van de opdrachtnemer ook wel als een pakketdienst omschreven (vgl. [namen van partijen] 7-IV* 2009, nr. 21 e.v. in het bijzonder nr 25). Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van overeenkomst van opdracht.

2.5 Artikel 7:408 lid 2 BW bepaalt dat de opdrachtnemer, in dit geval DFA, de overeenkomst die is aangegaan in de uitoefening van een beroep of bedrijf – hetgeen hier het geval is – en welke overeenkomst van bepaalde duur is, zoals waarvan hier naar het oordeel van het hof sprake is, alleen kan opzeggen ingeval van gewichtige redenen. Artikel 7.1 eerste volzin, van de leerovereenkomst luidt als volgt: “De DFA zal deze overeenkomst met onmiddellijke ingang kunnen opzeggen indien de leerling niet voldoet aan de eisen/normen als gesteld in artikel 3.1 en/of 3.2.”

Opzegging leerovereenkomst

2.6 Het hof stelt voorop dat DFA [appellant] op 17 januari 2008 heeft geschorst. Hem is de onmiddellijke verwijdering van het vliegveld en de school, alsmede van zijn interne woonruimte aangezegd. [appellant] is daarna zowel feitelijk als juridisch door DFA niet meer toegelaten tot de opleiding, zoals ook volgt uit het memo van DFA aan de studenten van voormelde datum (productie 10 bij conclusie van antwoord), onder meer luidende: “Hij ([appellant], hof) zal niet terugkeren bij de DFA”. Het hof beschouwt dit als een opzegging van de leerovereenkomst, ook al ontbreekt in zoverre een schriftelijke opzegging door DFA aan [appellant]. In het licht van het hiervoor geciteerde artikel 7.1 is een schriftelijke opzegging ook niet vereist en kan de opzegging worden afgeleid uit feitelijke handelingen en gedragingen van DFA. Gelet op het vorenstaande is daarvan sprake geweest. Dat sprake is geweest van een beëindiging van de overeenkomst door DFA vindt bevestiging in de brief van 29 januari 2008 (productie 12 bij conclusie van antwoord) waarbij DFA aan [appellant] onder meer schrijft: “De DFA is bereid de uitkomsten van uw bezwaar-en/of beroepsprocedure af te wachten. Indien uw bezwaar- en/of beroep zal worden afgewezen, zal de overeenkomst terstond worden beëindigd (…)”. Tussen partijen staat als onweersproken vast dat het door [appellant] ingediende bezwaar bij de minister/AIVD tegen de weigering van de VGB is afgewezen en het daartegen ingediende beroep door de rechtbank is afgewezen. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [appellant] onweersproken verklaard dat ook het hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is afgewezen. Gelet op deze afwijzingen is aldus ook in de visie van DFA de leerovereenkomst beëindigd. Gezien de persistente bezwaren van [appellant] tegen de gang van zaken kan niet worden geoordeeld dat sprake is van beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden. Het beroep van DFA in eerste aanleg (conclusie van antwoord sub 2.12) op de brief van 23 januari 2008 van [appellant] aan DFA baat haar niet. Uit de zinsnede “Ik ga er van uit dat mijn overeenkomst met DFA niet wordt beëindigd alvorens een definitieve uitspraak is gekomen op mijn verzoek om een verklaring van geen bezwaar te krijgen.” kon en mocht DFA niet afleiden dat [appellant] instemde met de schorsing en dat hij er mee akkoord zou gaan dat de overeenkomst zou worden beëindigd op het moment dat de GVB onherroepelijk zou zijn geweigerd. Ook uit de brief van [appellant] aan DFA van 3 juni 2008 (niet genummerde productie bij inleidende dagvaarding) kan niet worden afgeleid dat hij de overeenkomst beëindigt, dan wel daarin bewilligt, nu daarin slechts wordt geconstateerd dat het verweer tegen de weigering van de VGB vruchteloos is gebleken en hij niet in staat zal zijn binnen afzienbare tijd zijn opleiding te kunnen hervatten. Anders dan DFA c.s. heeft gesteld kan dit, mede in het licht van de voormelde brief van DFA van 17 januari 2008 en zonder toelichting die ontbreekt, niet worden opgevat als een instemming met beëindiging door DFA c.s. Dat geldt temeer nu [appellant] in de brief van 3 juni 2008 aanspraak maakt op terugbetaling van lesgeld en schadevergoeding. Voor zover [appellant] zich al zou hebben neergelegd bij de beëindiging heeft hij dat gedaan omdat DFA c.s. had aangegeven dat een VGB nodig was, hetgeen onjuist is gebleken. Dit kan DFA c.s. niet aan [appellant] tegenwerpen.

Schorsing

2.7 Nu de beëindiging van de leerovereenkomst is voorafgegaan door de schorsing van [appellant], zal het hof eerst deze schorsing beoordelen. De advocaat van DFA heeft ter comparitie in hoger beroep in dit verband onder meer verklaard: “Op uw vraag wat de juridische en feitelijke grondslag van de schorsing van [appellant] was antwoord ik dat de reden was dat [appellant] niet over een toegangspas kon beschikken en die was nodig om op de luchthaven te kunnen komen. Nader gevraagd deel ik u mede dat de grondslag gelegen is in het niet meer kunnen voldoen aan de overeenkomst omdat [appellant] niet meer op het vliegveld mocht komen. U houdt mij voor de artikelen 3.3 en 3.8 van de leerovereenkomst. Je zou het kunnen zien als een overtreding van de eerste volzin van artikel 3.3. Van overtreding van interne gedragsregels is begrijp ik geen sprake nu ik mijn cliënte hoor zeggen dat noch het hebben van een toegangspas, noch het hebben van een VGB in de gedragsregels is vermeld. Nader verklaar ik dat gesproken kan worden van schending van artikel 3.8, namelijk dat de leerling heeft verklaard zich volledig in te zetten en beschikbaar te zijn voor de opleiding. Dat is hij niet op het moment dat hij solo moet vliegen. Ik hoor mijn cliënte zeggen dat dat moment nog niet was aangebroken, maar wel in het verschiet lag.”

Opschorting/beroep op artikel 3.3 leerovereenkomst

2.8 Het hof overweegt dat een beroep van DFA op schorsing van [appellant] beschouwd moet worden als een beroep op opschorting van DFA van haar verplichtingen, zoals dit ook door DFA bij gelegenheid van de schriftelijke pleidooien (zie pleitnota 31 juli 2012 sub 4) als zodanig is aangeduid. Bij gelegenheid van deze schriftelijke pleidooien heeft DFA gesteld dat zij ter zake van de schorsing beroep doet op artikel 3.3 van de overeenkomst. Daarin is, aldus DFA, opgenomen dat de leerling verplicht is de instructies van de docenten en/of de vlieginstructeurs en/of overig voor de opleiding aangesteld personeel op te volgen. DFA heeft voorts gesteld dat [appellant] de instructies van DFA niet heeft opgevolgd (pleitnota sub 3). Het hof verwerpt het beroep van DFA op artikel 3.3 van de leerovereenkomst, nu dit beroep op geen enkele wijze feitelijk is geconcretiseerd of onderbouwd. Welke instructies [appellant] zou hebben overtreden is niet duidelijk geworden.

Gedragsregels

2.9 DFA heeft voorts gesteld dat [appellant] de interne gedragsregels heeft overtreden en ook dat kan leiden tot schorsing van de leerling. DFA verwijst daarbij naar de gedragsregels 1.2.1 “Attendance” en 1.2.5 “Maintaining Proper Behaviour” (pleitnota 31 juli 2012 sub 3).

Ook hier ontbreekt naar het oordeel van het hof een feitelijke concretisering en onderbouwing. Daarbij komt dat dit standpunt zonder toelichting, die ontbreekt, niet te rijmen is met de verklaring van DFA.c.s. bij gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep inhoudende dat van overtreding van de gedragsregels geen sprake is. Voor zover DFA met betrekking naar gedragsregel 1.2.1 beoogd heeft te verwijzen naar het ontbreken van een toegangspas van [appellant] zodat hij niet meer op het vliegveld kon komen, verwijst het hof naar hetgeen hierna zal worden overwogen. Ook het beroep op artikel 1.2.5 van de gedragsregels faalt. Niet gebleken is dat [appellant] opzettelijk (‘wilful’) een regel van DFA heeft geschonden. Ook van oneerlijk gedrag van [appellant] is niet gebleken. Van vervalsing van documenten of het achterhouden van informatie is evenmin gebleken. Het beroep van DFA op overtreding door [appellant] van deze gedragsregels gaat daarmee niet op. De schorsing van [appellant] kon derhalve niet worden gebaseerd op overtreding van de gedragsregels. Daarmee staat vast dat er geen sprake is van schorsing op grond van artikel 3.1 van deze leerovereenkomst, waarin het gaat om schending van gedragsregels/normen. Dat de situatie van artikel 3.2 van de leerovereenkomst - dat in het bijzonder ziet op het behalen van de examens - zich zou hebben voorgedaan, is gesteld noch gebleken. Daarmee staat tevens vast dat opzegging door DFA van de opleiding niet kon worden gebaseerd op het eerder genoemde artikel 7.1 van de leerovereenkomst, waarbij verwezen wordt naar schending van artikel 3.1 en 3.2, nog daargelaten dat DFA c.s. bij gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep heeft verklaard dat artikel 7.1 (en 7.2) van de overeenkomst niet van toepassing was. Hierna zal aan de orde komen of sprake was van andere gewichtige redenen die tot beëindiging van de opleiding hadden kunnen leiden.

Artikel 3.8 leerovereenkomst

2.10 DFA heeft bij gelegenheid van de schriftelijke pleidooien ter zake van de schorsing voorts beroep gedaan op artikel 3.8 van de leerovereenkomst. Op grond van dat artikel verklaart de leerling zich volledig in te zetten en beschikbaar te zijn voor de opleiding, aldus DFA. DFA c.s. stelt dat duidelijk was dat [appellant] tekortschoot dan wel op goede gronden gevreesd mocht worden dat [appellant] zijn verplichtingen niet meer zou kunnen nakomen en niet aan de lessen op het vliegveld zou kunnen deelnemen.

DFA heeft, naar het hof begrijpt, als overkoepelend verweer aangevoerd, zoals haar raadsman bij gelegenheid van de comparitie van partijen hoger beroep heeft verklaard : “Op uw vraag wat de juridische en feitelijke grondslag van de schorsing van [appellant] was antwoord ik dat de reden was dat [appellant] niet over een toegangspas kon beschikken en die was nodig om op de luchthaven te kunnen komen.” Het hof begrijpt het standpunt van DFA c.s. aldus dat door de afwijzing van de VGB aan [appellant], hem door de marechaussee geen toegang tot het vliegveld zou worden verleend zodat DFA [appellant] niet zou kunnen opleiden tot verkeersvlieger, hetgeen reden is voor de schorsing van de opleiding en uiteindelijk de beëindiging van de leerovereenkomst.

VGB geen voorwaarde

2.11 Het hof overweegt dat in het tussenarrest is vastgesteld dat niet is gebleken dat de afgifte van een VGB een noodzakelijke voorwaarde was in het kader van de opleiding van DFA. Het hof heeft daarbij overwogen dat DFA c.s. uitdrukkelijk heeft gesteld dat de VGB niet nodig was om de opleiding van de DFA te kunnen volgen (comparitie van partijen en memorie van antwoord sub 8). DFA heeft bij gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep nogmaals erkend dat de VGB niet een voorwaarde is voor de opleiding alsmede dat deze ook niet vermeld staat in de leerovereenkomst. Hieruit volgt naar het oordeel van het hof dat onjuist is hetgeen DFA heeft geschreven aan [appellant] op 29 januari 2008 (productie 12 bij conclusie van antwoord): “Deze verklaring (VGB, hof) is essentieel om te kunnen en te mogen deelnemen aan de opleiding”. Schorsing en beëindiging van de leerovereenkomst kon dan ook niet worden gebaseerd op het ontbreken van de VGB. Het hof stelt daarmee vast dat de afgifte van een VGB niet een noodzakelijke voorwaarde was voor het volgen van de opleiding van DFA.

2.12 Het hof overweegt verder als volgt. DFA heeft in hoger beroep de juistheid van de inhoud van de in het tussenarrest onder 4.2 weergegeven brief van de directeur Beveiliging Burgerluchtvaart van 12 september 2009 niet betwist, zodat het hof daarvan uitgaat. Uit deze brief volgt dat bepaalde delen van het vliegveld Eelde alleen toegankelijk waren met een toegangsbewijs. Uit deze brief volgt voorts dat aan [appellant] een bezoekerspas was verleend alsmede dat voor het verkrijgen/behouden van deze pas het vereiste van een VGB niet gold. Dit laatste staat daarmee vast, waarmee grief 4 slaagt. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft DFA voorts erkend dat het hebben van een toegangspas niet in de gedragsregels is vermeld en van overtreding van interne gedragsregels geen sprake is. Onder deze omstandigheden heeft DFA haar verweer dat [appellant] tekortschoot dan wel dat er gegronde vrees was dat hij tekort zou schieten omdat hij niet op het vliegveld lessen zou kunnen volgen, onvoldoende gemotiveerd. Immers, het dient daarbij te gaan om het tekortschieten in de tussen partijen gesloten leerovereenkomst. Dat [appellant], na intrekking van zijn pas wegens het afwijzen van de VGB, niet door de marechaussee zou worden toegelaten op het vliegveld heeft immers niet, althans niet rechtstreeks betrekking op (de nakoming van) de leerovereenkomst.

2.13 De enkele omstandigheid dat de marechaussee zich op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van de weigering van de VGB het vliegveld door [appellant] niet langer mocht worden betreden, brengt niet mee dat [appellant] tekortschoot en ook niet, voor zover de stelling van DFA aldus begrepen moet worden, dat DFA gerechtvaardigd beroep kan doen op overmacht. De houding van de marechaussee zou wellicht tot feitelijke problemen hebben geleid wanneer [appellant] desondanks het vliegveld zou hebben willen betreden, maar dat gaat in eerste instantie de marechaussee/luchtvaartautoriteiten van het vliegveld Eelde aan en niet DFA als vliegschool. Nu de VGB geen voorwaarde was voor de opleiding, had DFA geen actie behoeven én dienen te ondernemen na de mededeling van de marechaussee dat [appellant] geen toegang meer tot het vliegveld zou krijgen. DFA heeft zich evenwel niet slechts aangesloten bij de opstelling van de marechaussee, maar is nog een stap verder gegaan door [appellant] te schorsen van de opleiding, hetwelk uiteindelijk heeft geleid tot het beëindigen van zijn opleiding en van de leerovereenkomst.

2.14 Daarbij komt dat [geïntimeerde 2] bij gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep heeft verklaard dat zij het systeem dat een toegangspas nodig is om op het luchthaventerrein te vertoeven kende, omdat ze zelf in de verleden vlieger was geweest en het voor haar dus gewoon was dat ook de leerling zo’n toegangspas en dus een VGB nodig had. Zij heeft evenwel tevens verklaard dat zij dat nooit met de luchthavenautoriteiten of de marechaussee heeft besproken. Tegen de achtergrond van de hiervoor onder 2.12 genoemde brief van de directeur Beveiliging Burgerluchtvaart komt dit laatste evenwel in zoverre voor rekening en risico van DFA, dit temeer nu DFA heeft verklaard dat zij inmiddels de procedure heeft aangepast en nu wordt volstaan met het aanvragen van een Verklaring Omtrent Gedrag waarvoor een, naar het hof begrijpt, minder zware toets geldt.

Tussenconclusie inzake schorsing en opzegging

2.15 In het vooraanstaande ligt besloten dat DFA [appellant] ten onrechte heeft geschorst van de opleiding en daarmee DFA geen beroep op opschorting toekomt. Het verweer van DFA c.s. bij gelegenheid van de repliek van de schriftelijke pleidooien dat [appellant] afstand heeft gedaan van zijn recht om zich te verzetten tegen de schorsing, verwerpt het hof. Daartoe zijn onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd terwijl het enkele stilzitten niet tot afstand van recht kan leiden. Ook uit de correspondentie tussen partijen kan een dergelijke afstand van recht niet worden afgeleid. Nu aldus is vastgesteld dat DFA ten onrechte haar verplichtingen uit hoofde van de leerovereenkomst heeft opgeschort, staat daarmee tevens vast dat zij toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomst. Voorts volgt uit het voorgaande dat van andere gewichtige redenen op grond waarvan DFA als opdrachtnemer de leerovereenkomst had mogen opzeggen niet is gebleken, zodat DFA naar het oordeel van het hof de overeenkomst schadeplichtig heeft opgezegd.

Aansprakelijkheid van DFA en/of [geïntimeerde 2]

2.16 Het hof gaat, behoudens hetgeen hierna zal worden overwogen, hierbij alleen uit van de aansprakelijkheid van DFA, nu het een zuivere contractuele aansprakelijkheid betreft en [geïntimeerde 2] en [appellant] niet in enige contractuele relatie met elkaar stonden. Dat [geïntimeerde 2] uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is jegens [appellant] enkel op grond van het tekortschieten van DFA, dan wel dat zij uit dien hoofde persoonlijk naast de besloten vennootschap DFA aansprakelijk is, is naar het oordeel van het hof onvoldoende komen vast te staan. Daartoe heeft [appellant] niet voldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd en daarmee in zoverre niet voldaan aan zijn stelplicht. [geïntimeerde 2] heeft steeds gehandeld in haar functie als directeur van DFA. Dat haar handelen als bestuurder ten opzichte van [appellant] in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat haar daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt is evenmin komen vast te staan, behoudens voor zover hierna zal worden overwogen. Het hof zal in zoverre het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen tegen [geïntimeerde 2] worden afgewezen, dan ook bekrachtigen.

Causaliteit I

2.17 Tussen partijen staat vast dat de schorsing van [appellant] door DFA is voorafgegaan door de intrekking van zijn toegangspas en de weigering van de marechaussee om hem nog toe te laten op het vliegveld Eelde. Nu de gevorderde schade aldus het gevolg kan zijn van meerdere aansprakelijkheidheidvestigende gebeurtenissen, en vaststaat dat de schade door tenminste een van deze gebeurtenissen is dan wel kan zijn ontstaan, rust de verplichting tot vergoeding van de schade op ieder van de voor deze gebeurtenissen aansprakelijke personen en, in dit geding louter van belang, daarmee op DFA.

Causaliteit II

2.18 Het hof overweegt voorts als volgt. Uitgangspunt vormt dat de aansprakelijkheid van DFA vaststaat. Er bestaat naar het oordeel van het hof in beginsel een zogenaamd conditio sine qua non verband tussen de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid is gebaseerd (de schorsing van [appellant] en beëindiging van de opleiding/leerovereenkomst) en de gevorderde schade; immers naar redelijke mate van waarschijnlijkheid zou zonder de schorsing van [appellant] de gestelde schade niet, althans niet volledig, zijn ingetreden. Op het causale verband ten aanzien van de onderscheiden schadeposten zal het hof later nader ingaan.

Causaliteit III/schadebegroting

2.19 Als de schorsing van [appellant] door DFA wordt weggedacht blijft in de causale keten staan de weigering van de marechaussee om [appellant] toe te laten op het vliegveld. Ook in dat geval zou [appellant] de opleiding, en in elk geval het (vlieg) praktische gedeelte niet hebben kunnen vervolgen, laat staan kunnen voltooien, zoals DFA heeft aangevoerd. Of [appellant] desondanks schade heeft geleden die nog toegerekend kan worden aan DFA hangt dan ook af van hetgeen [appellant] tegen de weigering van de marechaussee zou hebben ondernomen en met welk (te verwachten) resultaat. Enerzijds staat vast dat [appellant] geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de weigering van de marechaussee om hem toe te laten tot het vliegveld, terwijl ook vaststaat dat het door hem wel gebezigde middel (het maken van bezwaar bij het ministerie/AIVD tegen de afwijzing van de VGB) niet geleid heeft tot het alsnog afgeven van de VGB en evenmin tot het alsnog toelaten tot het vliegveld, zodat dit bezwaar in elk geval reeds daarom niet effectief is geweest. Anderzijds heeft DFA zelf in haar brief van 29 januari 2008 aan [appellant] gesteld dat de VGB “essentieel is om te kunnen en mogen deelnemen aan de opleiding”, zodat het [appellant] niet kan worden verweten dat hij zich daarop in eerste instantie heeft gericht. Daarom kan niet worden uitgesloten dat, in geval DFA niet tot schorsing van [appellant] zou zijn overgegaan, [appellant] zich alsnog tegen de weigering van de marechaussee om hem toe te laten, zou hebben verzet. Voor zover de marechaussee aan deze weigering ten grondslag zou hebben gelegd het ontbreken van de VGB gaat het hof er in dit geding van uit dat de toegangspas niet vanwege de weigering/het ontbreken van de VGB had kunnen worden afgewezen, zoals hiervoor en in het tussenarrest is overwogen.

Daarmee dient te worden vastgesteld wat de kans zou zijn geweest dat [appellant] zich succesvol, dus zowel inhoudelijk als in de tijd gezien - wat dit laatste betreft dus tijdig - zou hebben verzet tegen de weigering van de marechaussee om hem toe te laten tot het vliegveld en aldus uiteindelijk de opleiding zou hebben kunnen vervolgen. Het hof oordeelt, de goede en kwade kansen afgewogen, deze kans op 50%.

Voor zover niet van verlies van een kans maar van proportionele aansprakelijkheid zou moeten worden uitgegaan, omdat het condictio sine qua non-verband niet voldoende is komen vast te staan, komt het hof tot hetzelfde resultaat. In die zin dat DFA als aansprakelijke persoon wordt veroordeeld tot schadevergoeding in evenredigheid met de door voormelde percentage uitgedrukte kans dat de schade door haar normschending is veroorzaakt. Toepassing van deze regel acht het hof mogelijk nu de strekking van de geschonden norm (de mogelijkheid om ongestoord de opleiding te voltooien) en de aard van de normschending (onmiddellijke schorsing en latere beëindiging van de opleiding, waarbij de schorsing gepaard is gegaan door zeer expliciete negatieve uitlatingen van de zijde van DFA c.s., zoals hierna aan de orde zal komen) toepassing daarvan rechtvaardigen en hier sprake is van uitzonderlijke omstandigheden zoals hiervoor aan de orde is gekomen.

Het hof zal hierna eerst beoordelen welke schade veroorzaakt is door het tekortschieten van DFA en zal daartoe achtereenvolgens de onderscheiden schadeposten beoordelen en de vraag beantwoorden welke schade kan worden toegerekend aan (de handelingen van) DFA.

Schadeposten

2.20 [appellant] heeft in eerste aanleg de navolgende schadeposten gevorderd:

- 1e termijn opleidingskosten € 24.800,-

- keuringen € 943,-

- kosten notaris (borgstelling ouders) € 687,61

- verzekeringen € 2.162,--

- reiskosten € 360,--

- huur (woningen DFA Eelde en Norg) € 1.676,--

- advocaatkosten € 3.118,--

- immateriële schade (tweemaal) € 6.000,--

Totaal € 39.746,61

[appellant] heeft in de inleidende dagvaarding nog een bij de bank openstaand bedrag van

€ 31.827,- genoemd, maar nu niet gebleken is dat dit bedrag is gevorderd, gaat het hof hieraan reeds daarom voorbij.

Opleidingskosten

2.21 [appellant] maakt aanspraak op schadevergoeding uit wanprestatie en onrechtmatige daad en betrekt deze schadevergoeding, zoals uit het weergegeven staatje blijkt, ook op het reeds betaalde lesgeld. Dat dit niet mogelijk zou zijn, is gesteld noch gebleken. De enkele omstandigheid dat een vergelijkbaar resultaat middels een beroep op ontbinding en ongedaanmaking zou zijn te bereiken - waarvan niet is gebleken - staat aan vergoeding als schade in elk geval niet in de weg.

2.22 Indien iemand uitgaven heeft gedaan ter verkrijging van een voordeel en hij dit voordeel heeft moeten missen, zal met het oog op de grootte van de door hem geleden schade - die als vermogensschade moet worden aangemerkt - als uitgangspunt hebben te gelden dat de waarde van het gemiste voordeel moet worden gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven die hun doel hebben moeten missen. Indien deze schade op de voet van artikel 6:98 BW aan een ander kan worden toegerekend als gevolg van een gebeurtenis waarvoor deze aansprakelijk is, zal die ander deze schade moeten vergoeden, tenzij dit, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, onredelijk zou zijn.

2.23 Tussen partijen staat vast dat [appellant] lessen heeft gevolgd tot 17 januari 2008, in totaal ongeveer vijf maanden. Voorts staat vast dat de opleiding gericht was op het behalen van de bevoegdheid tot verkeersvlieger. Het staat ook vast dat dit doel niet is bereikt. Gesteld noch gebleken is dat de vijf maanden opleiding voor [appellant] enig (ander) nut of waarde heeft gehad. Daarmee hebben deze kosten hun doel volledig gemist en zijn de kosten van het lesgeld aan te merken als vergeefs gemaakt. Dit betekent dat [appellant] in beginsel aanspraak heeft op terugbetaling van het betaalde lesgeld van € 24.800,-. Gelet op hetgeen onder 2.19 is overwogen is daarmee een bedrag van € 12.400,- als schadevergoeding toewijsbaar.

Keuringen

2.24 [appellant] heeft voorts aanspraak gemaakt op de Aviation Human Factor Center keuring van € 450,- en de vliegmedische keuring van € 493,-. Het hof acht deze kosten niet als schade vergoedbaar, nu immers, zoals DFA met juistheid en verder onbestreden als verweer heeft aangevoerd dat de kosten die worden gemaakt voor een keuring, kosten zijn die ook worden gemaakt indien men niet zou worden aangenomen. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan deze post niet als schade worden toegerekend aan DFA en is daarmee niet toewijsbaar.

Kosten notaris

2.25 [appellant] heeft aanspraak gemaakt op de “notariskosten (zodat ouders borg staan)” (inleidende dagvaarding pagina 7). Enige toelichting ontbreekt. Als productie is bij inleidende dagvaarding overgelegd een krediet verhouding in rekening-courant tussen [appellant] en de Friesland Bank, waarbij als een van de zekerheden wordt genoemd in borgstelling door de heer [appellant] en mevrouw [partner van appellant], naar het hof begrijpt de ouders van [appellant]. Uit de rekening-courant overeenkomst blijkt voorts dat voor de borgstelling het recht van tweede hypotheek zou worden gevestigd op een woonhuis aan [adres] te [woonplaats] voor een bedrag van maximaal € 130.000,-. Het hof begrijpt dat de kosten van deze notariële akte van (tweede) hypotheekverlening door de ouders van [appellant], door [appellant] zelf als schade wordt gevorderd. Gesteld noch gebleken is dat deze kosten ten laste zijn gekomen van [appellant]. Reeds om deze reden zijn deze kosten niet als schade van [appellant] toewijsbaar, nog daargelaten dat sprake is van een te ver verwijderd verband met het schadetoebrengend feit.

Verzekeringen

2.26 [appellant] heeft voorts aanspraak gemaakt op vergoeding van de kosten van een verzekering tegen verlies van vliegbevoegdheid van € 531,-. Hij maakt voorts aanspraak op kosten van een ongevallenverzekering van € 271,-. Het hof is van oordeel dat deze schadeposten zijn toe te rekenen aan het handelen van DFA. [appellant] heeft voorts aanspraak gemaakt op de kosten van een aansprakelijkheidsverzekering van € 360,- en de kosten van een levensverzekering van € 1.000,-. Het hof wijst deze schadeposten af nu sprake is van algemeen gebruikelijke verzekeringen en, zonder toelichting die ontbreekt, niet kan worden vastgesteld dat deze veroorzaakt zijn door het handelen van DFA. De totale te vergoeden kosten van verzekering bedragen daarmee € 802,- waarvan 50%, zijnde € 401,- als schadevergoeding toewijsbaar is.

Reiskosten

2.27 [appellant] maakt aanspraak op de reiskosten in de weekenden, 18 maal de reis Eelde naar [woonplaats] ad € 20,- per keer, in totaal € 360,-. Nu, zoals hierna zal blijken, vaststaat dat [appellant] woonachtig was in woonruimte van DFA in Eelde, komen deze tevergeefs gemaakte reiskosten als schade voor toewijzing in aanmerking, met dien verstande dat 50% voor eigen rekening blijft. Toewijsbaar is een bedrag van € 180,-.

Huur woning

2.28 [appellant] heeft aanspraak gemaakt op de huurkosten van de woning van DFA in Eelde, waar hij gedurende opleiding tot en met december 2007 woonachtig is geweest. Dat ziet op een bedrag van € 1.376,-. Daarnaast maakt hij aanspraak op de huur van een woning in Norg in januari 2008 voor een bedrag van € 300,-. DFA heeft deze kosten gemotiveerd betwist. Het hof acht deze kosten niet toewijsbaar nu tegenover deze kosten woongenot heeft gestaan en voorts in het geval [appellant] deze opleiding niet zou hebben gevolgd, bij gebrek aan nadere motivering aangenomen mag worden dat hij elders vergelijkbare woonkosten had gehad.

Advocaatkosten

2.29 [appellant] maakt voorts aanspraak op advocaatkosten ten bedrage van € 3.118,-.

Zoals [appellant] zelf heeft vermeld in de inleidende dagvaarding ziet het op de kosten van de advocaat in de bezwaarprocedure tegen de AIVD, het hof begrijpt in verband met de afwijzing van de VGB. [appellant] heeft toegelicht dat administratiefrechtelijke procedures tot en met de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn gevoerd. DFA heeft deze kosten betwist. Het hof is van oordeel dat deze kosten niet vergoedbaar zijn, nu deze in een te ver verwijderd verband tot de schadetoebrengende handeling staan. Daarbij komt dat niet gebleken is dat de activiteiten van de advocaat hebben geleid tot een andersluidend oordeel in rechte, zodat de procedures in zoverre ook niet effectief zijn geweest.

Intermezzo

2.30 Gelet op het bovenstaande zal het hof DFA veroordelen tot betaling aan [appellant] van ( € 12.400,- + € 401,- + € 180,- =) € 12.981,-.

Immateriële schade

2.31 [appellant] heeft aanspraak gemaakt op een bedrag van € 3.000,- aan immateriële schade voor het verliezen van een heel schooljaar (carrière vertraging) en het verdriet en de frustratie rondom het moeten afbreken van de opleiding. Het hof overweegt dat immateriële schade alleen voor vergoeding in aanmerking komt indien zich een van de drie in artikel 6:106 BW opgesomde gevallen voordoet. Nu gesteld noch gebleken is dat DFA het oogmerk had immateriële schade toe te brengen, kan alleen in aanmerking komen het bepaalde in lid 1 sub 2 van voormelde bepaling, te weten indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting in de persoon, maar daarvoor is niet voldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Nu van geestelijk letsel niets is gesteld of gebleken, is deze schadepost niet toewijsbaar.

Immateriële schade tweede deel

2.32 [appellant] heeft voorts aanspraak gemaakt op (nog eens) € 3.000,- immateriële schadevergoeding omdat, kort samengevat, [geïntimeerde 2], althans DFA zo begrijpt het hof, vanaf het moment dat duidelijk werd dat afgifte van een VGB aan hem werd geweigerd, zijn privacy heeft geschonden, zich schuldig heeft gemaakt aan laster en smaad, onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van zijn beeltenis, en hem het contact met klas- en huisgenoten en zijn vriendin door intimidatie onmogelijk heeft gemaakt. Hij stelt dat hij daardoor zijn huis heeft moeten verlaten en zijn vriendschappen en relatie zijn stukgelopen. [geïntimeerde 2] heeft het een en ander betwist. Het hof zal de onderscheidenlijke feitelijke stellingen van [appellant] hierna achtereenvolgens bespreken.

2.33 Het hof stelt daarbij voorop dat, zoals hiervoor is overwogen, voor zover [geïntimeerde 2] heeft gehandeld in haar functie als directeur van DFA zij niet persoonlijk aansprakelijk is behoudens in het geval haar daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of dat het geval is, zal hierna aan de orde komen.

2.34 [appellant] heeft gesteld (inleidende dagvaarding sub 13) dat [geïntimeerde 2] foto's van hem heeft laten verspreiden op het terrein van vliegveld Ede, kennelijk om alle medewerkers op te attenderen dat hij niet op het terrein van vliegveld mocht komen en aan de medewerkers op het vliegveld is instructie gegeven om melding van te maken als [appellant] zich zou laten zien op vliegveld. DFA c.s. heeft als verweer aangevoerd dat de marechaussee om een foto van [appellant] heeft gevraagd. Die foto is gegeven, om niet tegen te werken. DFA c.s. benadrukt dat zij steeds op advies van de marechaussee heeft gehandeld.

Het hof overweegt als volgt. Niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde 2] zelf foto’s van [appellant] heeft laten verspreiden. Als onvoldoende weersproken en staat tussen partijen vast dat de verspreiding heeft plaatsgevonden door de marechaussee en/of de luchthaven autoriteiten. Het enkele door [geïntimeerde 2] verschaffen van een foto aan de marechaussee is, zonder toelichting ontbreekt, naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig jegens [appellant].

2.35 [appellant] heeft voorts gesteld (inleidende dagvaarding sub 12) dat [geïntimeerde 2] onmiddellijk na de ontvangst van de brief van de AIVD op 17 januari 2008 hem uit de klas heeft laten verwijderen en naar huis gestuurd met de mededeling dat hij niet meer op school en het vliegveld mocht komen. Direct na zijn vertrek heeft [geïntimeerde 2] alle leerlingen van de school bijeen geroepen en heeft gemeld dat hij van school was gestuurd omdat hij een crimineel was met vier pagina’s strafblad, aldus [appellant]. Ook heeft [geïntimeerde 2] alle leerlingen gemaand op geen enkele wijze contact te hebben met [appellant] op straffe van schorsing van de opleiding. In het bijzonder heeft [geïntimeerde 2] zich gewend tot de huisgenoten, tevens klasgenoten, van [appellant] waarbij [geïntimeerde 2] ervoor heeft gewaarschuwd dat zij niet in één huis konden blijven met hem omdat hij een crimineel was en het niet acceptabel was voor DFA als zij met hem zouden blijven omgaan. Hierbij is zelfs opgemerkt, aldus [appellant], dat hij niet te vertrouwen was en dat de huisgenoten voorzichtig moesten zijn op een persoonlijke eigendommen en moesten zij ook melding maken van elk contact dat ze hadden met [appellant], aldus nog steeds [appellant].

2.36 DFA c.s. heeft deze stellingen betwist. Bij gelegenheid van de conclusie van antwoord heeft zij deze uit de lucht gegrepen en behoorlijk aangedikt genoemd. Voorts heeft de marechaussee het advies gegeven om een memo te doen uitgaan dat alle leerlingen waarin alle leerlingen op de hoogte worden gesteld van het een en ander en hen ook wordt gewezen op het lopende onderzoek. DFA c.s. voert aan dat zij dienovereenkomstig heeft gehandeld. Zij stelt voorts dat kort nadat de marechaussee DFA heeft bezocht ook de politie op bezoek kwam. De politie heeft gevraagd om gegevens van [appellant] en zijn huisgenoten, welk verzoek door DFA c.s. is voldaan. De politie heeft toen met de meerdere leerlingen gesproken en hen ook bericht dat zij op hun hoede moesten zijn voor [appellant] en voor zaken die hen opvielen en die relevant konden zijn voor het onderzoek. De leerlingen vonden dit enigszins “eng” en hebben [geïntimeerde 2] gevraagd wat ze moesten doen, waarop zij heeft geantwoord dat ze erbuiten stond maar dat ze naar de politie moesten luisteren. DFA c.s. voert verder aan dat zij correct heeft gehandeld, dat zij volledige medewerking heeft verleend aan de politie, marechaussee en vliegveldautoriteiten en dat zij zich heeft laten adviseren door de marechaussee. Van criminalisering van [appellant] door [geïntimeerde 2] is geen sprake, aldus DFA c.s.

2.37 [appellant] heeft verder gesteld (inleidende dagvaarding sub 14) dat [geïntimeerde 2] contact heeft gezocht met de vader van [vriendin van appellant] (hierna: [vriendin van appellant]), een klasgenote en ook de toenmalige vriendin van [appellant], en dat [geïntimeerde 2] bij die gelegenheid de vader van zijn vriendin heeft gemeld dat zijn dochter een relatie met een crimineel had en dat haar toekomst en opleiding op het spel stonden. Dit heeft geleid tot een groot conflict tussen [vriendin van appellant] en haar vader met als gevolg dat vader [vriendin van appellant] alle financiële steun aan zijn dochter heeft ingetrokken en uiteindelijk is de relatie tussen [appellant] en [vriendin van appellant] door de stress en frustratie die deze situatie voor hen meebracht, beëindigd, aldus [appellant].

2.38 In het bestreden vonnis is geoordeeld dat het op de weg van [appellant] had gelegen om op de stellingen van [geïntimeerde 2] concreet en specifiek te reageren, hetgeen hij aldus de rechtbank heeft nagelaten. Van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 2] (en DFA) is niet gebleken, zo overweegt de rechtbank. Met grief 5 komt [appellant] op tegen dit oordeel.

2.39 Bij gelegenheid van de schriftelijke pleidooien heeft DFA c.s. van 31 juli 2012 processen-verbaal overgelegd van het verhoor van de studenten die door de rechter-commissaris in het strafrechtelijk onderzoek tegen [geïntimeerde 2] zijn gehoord. Deze verklaringen onderschrijven kennelijk (deels) de stellingen van [appellant]. Niet gebleken is dat [appellant] heeft kunnen reageren op deze processen-verbaal. Zijn reactie op het schriftelijk pleidooi van DFA c.s. dateert immers eveneens van 31 juli 2012. Het hof zal [appellant] daartoe in de gelegenheid stellen middels het nemen van een akte. DFA c.s. zal daarop mogen reageren. Het hof geeft partijen in overweging, mede gelet op de kosten, om deze laatste schadepost in onderling overleg tot een regeling te brengen. Het hof overweegt dat naar zijn voorlopig oordeel in het geval de stellingen van [appellant], in elk geval voor een substantieel deel, komen vast te staan bijvoorbeeld door middel van voormelde verklaringen waarvan de juistheid door DFA c.s. tot nu toe niet is bestreden, de wijze waarop de schorsing van [appellant] bekend is gemaakt als buitenproportioneel moet worden aangemerkt en aanleiding kan vormen voor toekenning van een immateriële schadevergoeding wegens aantasting in de eer of goede naam van [appellant] of op andere wijze in zijn persoon. Het oordeel of daarvan sprake is en zo ja, of dit alleen voor DFA geldt of ook voor [geïntimeerde 2] in privé, zal worden aangehouden tot na de bedoelde aktewisseling.

2.40 Voor zover [appellant] heeft bedoeld in hoger beroep de in eerste aanleg aangevoerde stellingen dat DFA c.s. onrechtmatig heeft gehandeld door (i) [appellant] als leerling aan te nemen zonder dat hij beschikte over een VGB en daarmee (ii) in strijd handelde met de Wet Veiligheidsonderzoeken en (iii) [appellant] is opgezadeld met een onaanvaardbaar risico door hem een aanvang te laten nemen met een opleiding ter waarde van € 99.200,- zonder te beschikken over een VGB, te handhaven, overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat de stellingen van [appellant] falen. Voor zover dat niet reeds begrepen is in hetgeen hiervoor is overwogen, verenigt het hof zich met de overwegingen 7.4 tot en met 7.14 van het bestreden vonnis en maakt die tot de zijne.

Slotsom

2.41 In het vooraanstaande ligt besloten dat de grieven deels slagen en deels falen. [appellant] kan jegens DFA aanspraak maken op materiële schadevergoeding ten belope van

€ 12.981,-. Ter zake van de tweede post immateriële schadevergoeding ten bedrage van

€ 3.000,- zal [appellant] bij akte alsnog mogen reageren op de bij schriftelijk pleidooi door DFA c.s. in het geding gebrachte strafrechtelijke processen-verbaal. DFA c.s. zal daarop bij antwoordakte mogen reageren. Partijen wordt in overweging gegeven ter zake daarvan in onderling overleg tot overeenstemming te komen. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van 26 februari 2013 voor akte aan de zijde van [appellant];

iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena, G.P.M. van den Dungen en M.F.J.N. van Osch en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2013.