Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7128

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
15-04-2013
Zaaknummer
200.106.803
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:BV8509, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Is voldoende aannemelijk dat begin december 2011 partijen een driepartijenovereenkomst zijn aangegaan?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.106.803

(zaaknummer rechtbank Arnhem 225111)

arrest in kort geding van de eerste kamer van 9 april 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Eurest Services B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

hierna: Eurest,

advocaat: mr. A.W. Brantjes,

tegen:

1. de vennootschap naar Duits recht

Nijmegen IV GmbH,

gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland),

hierna: SEB,

advocaat: mr. L.C. van der Marel,

2. de commanditaire vennootschap

Fiftytwodegrees C.V.,

gevestigd te Nijmegen,

hierna: FTD,

advocaat: mr. G.C.M. Schipper

geïntimeerden.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 20 februari 2012 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem tussen Eurest als eiseres en SEB en FTD als gedaagden heeft gewezen. Dit vonnis is gepubliceerd onder LJN: BV8509.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen in hoger beroep d.d. 19 maart 2012,

- het tegen SEB verleende verstek,

- de zuivering van het verstek,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord met productie aan de zijde van SEB,

- de memorie van antwoord met producties aan de zijde van FTD.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten die de voorzieningenrechter in het vonnis van 20 februari 2012 onder 2.1 tot en met 2.6 en 2.8 tot en met 2.34 heeft vastgesteld. Grief I gericht tegen de feitenvaststelling onder 2.7 komt hierna bij de beoordeling aan de orde.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Deze zaak gaat kort gezegd over het volgende. Eurest maakt onderdeel uit van de Compass Group en verzorgt facilitaire diensten, waaronder catering. FTD was eigenaar van het FiftyTwoDegrees-kantoorgebouw (hierna: het kantoorgebouw) te Nijmegen. Op 18 december 2006 hebben Eurest en FTD een afsprakenkader getekend, waarbij afspraken zijn gemaakt over het sluiten van diverse overeenkomsten met betrekking tot het kantoorgebouw, waaronder de verhuur van diverse ruimtes door FTD als verhuurder aan Eurest als huurder. SEB Investment GmbH is enig aandeelhouder van Nijmegen IV GmbH. Op 22 december 2006 heeft SEB Investment GmbH van (de beherend vennoot van) FTD het perceel met daarop het kantoorgebouw gekocht en geleverd gekregen. SEB Investment GmbH is in de rechten en verplichtingen van FTD getreden voor wat betreft de huurovereenkomsten met Eurest met betrekking tot het free flow restaurant en 40% van de vergaderlaag. Eurest diende het free flow restaurant en de vergaderlaag in te richten conform het ontwerp van een architect. Voor de financiering hiervan is gekozen voor een leaseconstructie waarbij FTD eigenaar zou blijven van de inrichting/keuken. Het asset management van het kantoorgebouw wordt uitgevoerd door de [werknemer geïntimeerde sub 1], werkzaam bij SEB. Het property management is in handen van Savills Nederland B.V., waarbij [werkneemster Savills] het aanspreekpunt is.

SEB heeft bij brief van 29 maart 2011 de facilitaire dienstenovereenkomst met Eurest opgezegd tegen 1 oktober 2011, waarna Eurest bij brief van 20 juni 2011 aan FTD de huurovereenkomst van, onder meer, het free flow restaurant en de vergaderlaag heeft opgezegd tegen 21 december 2011. SEB, FTD en Eurest zijn vervolgens in overleg getreden over een beëindigingsovereenkomst voor alle overeenkomsten. Partijen hebben ten behoeve van de beëindigingsovereenkomst de inrichting van het restaurant (de keuken) en de vergaderruimte (hierna: de installaties) laten taxeren. Vervolgens hebben partijen veelvuldig contact gehad, hoofdzakelijk per e-mail en tijdens een conference call op 1 december 2011, over de inhoud van de beëindigingsovereenkomst. Onderdeel van de beëindigingsgesprekken was dat SEB aan FTD een bedrag van € 400.000, via de cateraar die Eurest zou gaan vervangen, zou betalen voor de installaties. Tussen (hoofdzakelijk) Eurest en SEB is discussie ontstaan of op 1 of 2 december 2011 volledige overeenstemming ten aanzien van de beëindiging is bereikt. De advocaat van Eurest heeft op 28 december 2011 SEB en FTD gesommeerd tot nakoming van de gemaakte afspraken rondom 1 december 2011, zich daarbij onder meer op het standpunt stellende dat is afgesproken dat SEB per 22 december 2001 een nieuwe cateraar zou aanstellen en dat de huurovereenkomst tussen SEB en Eurest per die datum zou zijn beëindigd. SEB en FTD hebben hieraan geen gehoor gegeven.

4.2 Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de voorzieningenrechter onder 4.1 en 4.2 van het bestreden vonnis inzake de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en de toepasselijkheid van Nederlands recht, waarmee kennelijk is bedoeld het interne Nederlandse recht.

4.3 Eurest heeft, samengevat, gevorderd dat de voorzieningenrechter SEB en FTD veroordeelt om haar verplichtingen uit de driepartijenovereenkomst die volgens haar is gesloten op 1 december 2011 na te komen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Eurest afgewezen en haar veroordeeld in de kosten van SEB en van FTD. Eurest is met 5 grieven tegen het vonnis van 20 februari 2012 opgekomen. De grieven 2 tot en met 5, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, richten zich tegen (de overwegingen die hebben geleid tot) die beslissingen.

4.4 In dit kort geding in hoger beroep dient beoordeeld te worden of voldoende aannemelijk is dat Eurest, SEB en FTD op 1 dan wel op 2 december 2011 een driepartijenovereenkomst zijn aangegaan met de inhoud zoals Eurest heeft gesteld. Vooropgesteld dient te worden dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding daarvan (artikel 6:217 BW). Of een bepaalde uiting van een partij kan worden beschouwd als een aanbod of een aanvaarding is een vraag van uitleg, die vooral ingekleurd wordt door de geopenbaarde wil in een verklaring of gedraging van de ene partij, die door de andere partij redelijkerwijs opgevat mocht worden in de zin die hij daaraan redelijkerwijs mocht toekennen (artikel 3:33 juncto 3:35 BW).

4.5 Eurest en SEB verschillen met name van mening of op 1of 2 december 2011 overeenstemming is bereikt over een garantie van SEB dat zij vanaf 22 december 2011 met een nieuwe cateraar verder zou gaan en dat per die datum de huurovereenkomst tussen SEB en Eurest zou zijn beëindigd. In toelichting op de grieven 3 tot en met 5 stelt Eurest dat de garantie van SEB om op 22 december 2011 een nieuwe cateraar te installeren los staat van de garantie over de overname van het personeel van Eurest door de nieuwe cateraar. Eurest erkent als juist dat SEB zelf geen garantie voor de overname van het personeel kon geven en dat dit bij haar bekend was, maar dit laat, volgens haar, onverlet dat op 1 of 2 december 2011 tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met de garantieafspraak over de opvolgende cateraar per 22 december 2011. SEB betwist dat op 1 of 2 december 2011 een driepartijenovereenkomst tot stand is gekomen met de door Eurest gestelde garantie. Daarnaast voert SEB aan dat ook over andere punten nog geen overeenstemming was bereikt, dat de bij de onderhandelingen betrokkenen niet bevoegd waren op partijen te vertegenwoordigen en dat niet was voldaan aan de gemaakte voorbehouden voor de totstandkoming van de driepartijenovereenkomst. FTD refereert zich (als primair verweer) aan het oordeel van het hof.

4.6 Het hof oordeelt als volgt. Ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake was van volledige wilsovereenstemming op 1 of 2 december 2011 heeft Eurest met name verwezen naar de e-mailwisseling vanaf 22 november 2011 (productie 6-8 in eerste aanleg) tussen haarzelf, SEB en FTD.

In de e-mail van 22 november 2011 schrijft [werkneemster Savills] in verband met een inmiddels uitgevoerde waardering van de installaties onder meer:

"The board of SEB approved a payment of € 380,000. (…) Please inform us if your boards have agreed. If the agreement is reached a legal document has to be drawn up".

Hierop reageert FTD per e-mail van 23 november 2011 als volgt:

"We herewith confirm to agree with the payment of € 380.000,00 from SEB".

Vervolgens reageert [werknemer appellant] van Eurest per e-mail van 23 november 2011 waarin hij "the complete proposed solution at the table" opneemt. In dit voorstel zou Eurest onder meer in totaal € 184.392,50 aan FTD betalen en zou - samengevat - SEB garanderen om een nieuwe cateraar per 22 december 2011 te contracteren. [werknemer appellant] besluit die e-mail

"Until approval of all parties, there is no agreement or contract, nor shall proposals be of any use to create a legally binding relationship. Under reservation of all legal rights and defences". Op 28 november 2011 laat [werknemer appellant] per e-mail weten dat hij geen toestemming van "the board" heeft gekregen voor de door SEB voorgestelde schikking.

Op 30 november 2011 laat [werknemer appellant] per e-mail onder meer weten:

"(…) This resulted in the situation that both the board in NL as the mother in UK does not see why Compass should pay the proposed 185K to settle. Also it's not yet clear if the complete set of conditions for the solution (as written in my mail) is indeed accepted. I proposed another meeting to find a solution. (…) Compass/Eurest wants to settle for 115K under otherwise the same terms as mentioned in my earlier mail (kennelijk de e-mail van 23 november 2011, toevoeging hof)."

Op 1 december 2011 beleggen partijen een conference call. Vervolgens stuurt [werknemer geïntimeerde sub 1] op 1 december 2011 een e-mail, waarin hij onder meer schrijft:

"We need your feedback as soon as possible. The last and final offer of SEB as mentioned in the conference call today: Taking over 400 K EUR for installations (…). Rest needs to be settled between FTD and Eurest. (…) Remark: SEB cannot give any guaranties or take over any obligations out of the cancellation of Eurest in regards of the taking over any obligations that Eurest may have towards his employees. BUT: We are doing our very best to install a new provider and still are convinced that this is possible - but therefore we need to settle this termination - handover - cost story."

In reactie op deze e-mail van [werknemer geïntimeerde sub 1] stuurt FTD een e-mail met de volgende inhoud:

"We agree with your undermentioned proposal".

Vervolgens stuurt [werknemer appellant] op 2 december 2011 een e-mail met onder meer de volgende inhoud:

"Hereby I confirm that we agree with the final solution, where SEB will pick up 20K of the gap between the 185K and 115K and the remaining 50K will be split between FTD and ES. To summarize, this leads to the following:", waarna een aantal punten worden opgesomd, waaronder de betaling door Eurest aan FTD van een bedrag van (€ 115.000 + de helft van

€ 50.000 =) € 140.000 en - samengevat - de garantie van SEB om een nieuwe cateraar per 22 december 2011 te contracteren. [werknemer appellant] besluit de e-mail met de woorden: "I think this should be it, and we can create the binding agreement based on this outcome".

4.7 Het hof is van oordeel dat bovengeciteerde e-mails, in onderlinge samenhang bezien, voorshands onvoldoende aanknopingspunten bieden dat Eurest op grond van een verklaring of gedraging van SEB redelijkerwijs ervan uit mocht gaan dat SEB akkoord was met het door [werknemer appellant] in de e-mails van 23 november en 2 december 2011 opgenomen voorstel inzake - onder meer - de garantie. Uit geen van de overgelegde e-mails valt een bevestiging door SEB af te leiden van het door [werknemer appellant] uitgewerkte voorstel in de e-mails van 23 november en 2 december 2011. Uit de e-mailwisseling tussen 22 november 2011 en 2 december 2011 volgt dat partijen het met name oneens waren over de hoogte van het door SEB te betalen overnamebedrag van de installaties van het restaurant en vergaderzalen en dat de onderhandelingen daarop gericht waren. Ook volgt uit de e-mail van [werknemer geïntimeerde sub 1] van 1 december 2011, verzonden na de gehouden conference call, dat SEB geen garanties kon geven ten aanzien van het personeel, hetgeen Eurest overigens ook niet betwist. In diezelfde e-mail schrijft [werknemer geïntimeerde sub 1] echter ook dat SEB zijn uiterste best zal doen om een nieuwe cateraar te vinden en dat zij ervan overtuigd is dat dit mogelijk is. Het hof is van oordeel dat Eurest deze opmerking niet redelijkerwijs heeft kunnen opvatten als een garantie van SEB dat zij per 22 december 2011 die nieuwe cateraar ook gevonden zou hebben. Voorts acht het hof van belang dat [werknemer appellant] in de e-mail van 23 november 2011 vermeldt dat goedkeuring van alle partijen nodig is voordat er sprake kan zijn van een bindende afspraak en dat hij de e-mail van 2 december 2011 besluit dat op grond van de (door hem verwoorde) uitkomst een "binding agreement" kan worden gemaakt. Uit de e-mail van 1 december 2011 van [werknemer geïntimeerde sub 1] kan juist worden afgeleid dat SEB uitsluitend bereid was haar best te doen om een nieuwe cateraar te vinden. Verder staat vast dat naar aanleiding van de e-mail van 2 december 2011 geen "binding agreement" is opgemaakt. In dat licht bezien kan aan het onderwerp van de e-mail van 1 december 2011 van [werknemer geïntimeerde sub 1], te weten "20168 Nijmegen - Termination Eurest - settlement agreement", geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.

4.8 Eurest heeft in dit verband nog aangevoerd dat zij tijdens de conference call op 1 december 2011 aan alle partijen, dus ook aan SEB, heeft gevraagd of alle punten van haar voorstel juist en akkoord waren. Nog afgezien dat de beoordeling van dit standpunt nadere bewijslevering vergt, waarvoor een kort geding zich in beginsel niet leent, is een vaststelling dat Eurest deze vraag gesteld heeft en welk antwoord SEB en FTD daarop hebben gegeven niet van doorslaggevend belang, gelet op de e-mail van 1 december 2011 van [werknemer geïntimeerde sub 1] (zie hiervoor), die na de conference call is verzonden. Evenmin kan Eurest redelijkerwijs aan het feit dat FTD haar een factuur van € 140.000 heeft gestuurd, die Eurest vervolgens heeft betaald, de betekenis toekennen dat SEB akkoord zou zijn gegaan met de garantie ten aanzien van het contracteren van een nieuwe cateraar per 22 december 2011. Dit geldt ook voor de door FTD per e-mail van 23 november 2011 kenbaar gemaakte bevestiging. In deze e-mail bevestigt FTD louter in te stemmen met de betaling door SEB van een bedrag van € 380.000. In de e-mail van 1 december 2011 schrijft FTD aan (onder meer) [werknemer appellant] en [werknemer geïntimeerde sub 1]:

"We agree with your undermentioned proposal".

Deze e-mail is gestuurd in reactie op de e-mail van 1 december 2011 van [werknemer geïntimeerde sub 1] waarin hij het laatste aanbod van SEB om € 400.000 voor de installaties te betalen vermeldt, en waarin hij aangeeft dat SEB haar best zal doen om een nieuwe cateraar te vinden (zie hiervoor). Ook aan de bevestiging van FTD kan redelijkerwijs niet de betekenis worden toegekend zoals Eurest voorstaat. SEB kan immers niet worden gebonden door toestemming of uitvoeringshandelingen van FTD.

4.9 Ook het vaststaande feit dat SEB al maanden in gesprek was met Vercobe B.V. over de overname van de catering, kan niet leiden tot de conclusie dat Eurest hieraan redelijkerwijs de betekenis mocht toekennen dat SEB een garantie op 1 of 2 december 2011 had afgegeven dat zij met Vercobe per 22 december 2011 een contract voor de catering zou aangaan. Hieraan doet niet af dat SEB op 9 december 2011 Eurest telefonisch heeft geïnformeerd dat zij voor Vercobe had gekozen, dat op 15 december 2011 SEB Eurest telefonisch heeft laten weten dat Vercobe zich had teruggetrokken en dat SEB aan Eurest heeft gevraagd of zij voor een tijdelijke oplossing kon zorgen. Naar aanleiding hiervan heeft [werknemer appellant] op 16 december 2011 een e-mail aan [werkneemster Savills] gezonden, waarin hij een voorstel voor een overbrugging doet. Verder is in de e-mail onder meer vermeld:

"Voor alle duidelijkheid: Conform de afgesproken settlement (zoals besproken in de conference call op 1 december en beschreven en bevestigd in de mail 2 december) stoppen alle verplichtingen van Eurest Services uit de oude overeenkomst op 21-12-2011, waaronder de huur van restaurant en vergaderlaag. Voor de aangeboden overbrugging na deze datum is Eurest dus enkel dienstverlener en géén huurder meer".

[werkneemster Savills] reageert op dezelfde dag per brief op de e-mail van [werknemer appellant] en schrijft voor zover relevant:

"On behalf of SEB and further to Eurest's notice of premature termination dated 21 June 2011 pertaining tot the lease of the free flow restaurant and the meeting rooms I inform you as follows. As you are aware SEB did not accept the premature termination of the lease as regards the meeting rooms. However, SEB was prepared to accept the termination on the condition that it would find an new lessee for the restaurant and the meeting rooms. Unfortunately SEB had not been able to conclude an agreement with the envisaged new lessee. As a consequence all existing agreements will remain in place. SEB hopes to find a new lessee as soon as possible. (…)".

4.10 Op grond van al de hiervoor genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is het hof voorshands van oordeel dat Eurest er niet redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat op 1 of 2 december 2011 tussen haar en SEB en FTD een driepartijenovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij door SEB een garantie is afgegeven dat zij per 22 december 2011 een nieuwe cateraar gecontracteerd zou hebben. De grieven 2 tot en met 5 falen.

4.11 Grief 1 richt zich tegen de feitenvaststelling onder 2.7 van het bestreden vonnis. Nu deze feitenvaststelling niet dragend is voor de afwijzingen van de vorderingen van Eurest, heeft Eurest geen belang bij behandeling van deze grief.

5. Slotsom

5.1 Bij behandeling van grief 1 heeft Eurest geen belang. De grieven 2 tot en met 5 falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Eurest in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van SEB zullen worden vastgesteld op € 666 aan verschotten (griffierecht) en op € 894 (1 punt x tarief II) aan salaris advocaat, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en de nakosten zoals hierna vermeld.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van FTD zullen worden vastgesteld op € 666 aan verschotten (griffierecht) en op € 894 (1 punt x tarief II) aan salaris advocaat.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van 20 februari 2012 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem;

veroordeelt Eurest in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van SEB vastgesteld op € 666 voor verschotten en op € 894 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt Eurest in de nakosten van SEB, begroot op € 131, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68 in geval Eurest niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

veroordeelt Eurest in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van FTD vastgesteld op € 666 voor verschotten en op € 894 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, P.H. van Ginkel en Ch.E. Bethlem en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 april 2013.