Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7068

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
12-04-2013
Zaaknummer
21-002841-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging zware mishandeling, nu het een voltooid delict betreft. Veroordeling voor mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft tot een taakstraf voor de duur van 60 uur waarvan 30 uur voorwaardelijk. Verwerping beroep op noodweer(exces).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002841-12

Uitspraak d.d.: 30 januari 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 9 november 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [1990],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 januari 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr J.M. Keizer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 25 april 2011 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf, om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] bij het hoofd/nek heeft vastgepakt en/of vervolgens (met kracht) een knietje in het gezicht heeft gegeven, althans zijn, verdachtes, knie (met kracht) in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 25 april 2011 te [plaats], [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] ), één of meermalen (met kracht) tegen/op zijn gezicht heeft geslagen en/of bij het hoofd/nek heeft vastgepakt en/of vervolgens (met kracht) een knietje in het gezicht heeft gegeven, althans zijn, verdachtes, knie (met kracht) in/tegen het gezicht van die [slachtoffer] heeft geduwd, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken linkeroogkas en/of een gebroken kaak en/of een gescheurde lip), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dat het letsel van [slachtoffer] is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de aard van het letsel, de tijd die met het herstel gemoeid is geweest en de tot op de dag van vandaag door aangever ondervonden gevolgen zoals van een en ander blijkt uit het schade-onderbouwingsformulier en de daarbij gevoegde medische gegevens van het VU medisch centrum d.d. 4 mei 2011 (bijlage 7 bij het voegingsformulier benadeelde partij): “Er was sprake van een zygomafractuur (hof: breuk van de jukbeenboog) links met dislocatie. Op 27 april 2011 werd in narcose het zygomacomplex gereponeerd en gefixeerd met een plaatje. Tevens werd de laceratie (hof: scheur) van de bovenlip gehecht.” [slachtoffer] bezocht in de periode van 26 april 2011 tot en met 23 mei 2011 vijf keer de polikliniek kaakchirurgie (bijlage 8 bij de vordering benadeelde partij). Op 19 mei 2011 werd een ontsteking geconstateerd en moest een drain worden geplaatst. Er is sprake van een beschadiging van de zenuwen onder de oogkas (bijlage 7 bij het voegingsformulier). Op 4 juli 2011 bestond deze beschadiging grotendeels nog steeds en er is sprake van littekenweefsel aan de binnenzijde van de mond.

Derhalve is geen sprake van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, maar van een voltooid delict.

Overweging met betrekking tot het bewijs ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard: “[slachtoffer] zei: ‘Moet je klappen hebben?’ Hierop zei ik: “Sla maar als je wilt slaan.” Wij liepen naar elkaar toe. Uit een reflex draaide ik weg, om mijn gezicht af te schermen. Ik deed dat niet met de bedoeling om hem uit te schakelen. Tijdens die draai heb ik [slachtoffer] waarschijnlijk met mijn hand, arm of elleboog geraakt. We stonden daarna vijf meter uit elkaar. Direct daarna kwam [slachtoffer] weer op mij af gestormd en hij wilde mij raken met zijn vuist. Ik wilde hem een knietje in zijn buik geven. Ik pakte hem in zijn nek vast met twee armen en tegelijkertijd plaatste ik mijn knie. Doordat ik hem bij zijn nek vastpakte, trok hij zijn hoofd naar beneden toe. Op dat moment raakte mijn knie zijn hoofd. Ik deed toen aan kickboksen, dat klopt. Ik weet hoe ik moet vechten.”

Getuige [getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard: “Ik zag dat [slachtoffer] [verdachte] een duw gaf, dat wil zeggen hij duwde met twee handen op tegen de bovenborst van [verdachte]. Ik zag [verdachte] een stap naar achteren doen. Ik had er goed zicht op dat [verdachte] daarop een stap naar voren deed en [slachtoffer] een klap tegen zijn gezicht of hoofd gaf. (…) Ik heb niet gezien dat [slachtoffer] iets terugdeed, want ik zag dat hij door zijn knieën zakte, waarbij zijn bovenlichaam voorover boog in de richting van [verdachte]. Ik zag daarop [verdachte] erover heengaan met een knie in het gezicht van [slachtoffer] . Ik zag dat [verdachte] het hoofd van [slachtoffer] aan de achterzijde vastpakte en [verdachte] vervolgens met zijn knie in het gezicht van [slachtoffer] sloeg. [slachtoffer] ging naar de grond….”

Getuige [getuige 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard: “Ik zag wel dat het [verdachte] was die mijn broer een klap in het gezicht gaf. Na die klap ging het gezicht van mijn broer naar voren en vervolgens kreeg [slachtoffer] een knietje in zijn gezicht. Een en ander gebeurde in een fractie van een seconde.”

Bespreking van het verweer: geen (voorwaardelijk) opzet

Het hof zal verdachte vrijspreken zover het tenlastegelegde ziet op het tegen/op het gezicht slaan, nu naar het oordeel van het hof niet vaststaat dat verdachtes opzet daar op was gericht. Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij zich wilde afweren, en daarbij [slachtoffer] niet wilde slaan, geloofwaardig.

Het hof is van oordeel dat verdachte door zijn manier van handelen wel het voorwaardelijk opzet heeft gehad dat het knietje dat hij gaf het slachtoffer in het gezicht zou raken. Door de nek van [slachtoffer] met twee handen te pakken en gelijktijdig een knietje te geven, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij met zijn knie het hoofd van verdachte zou raken. Het valt immers te verwachten dat indien iemand bij de nek wordt gepakt, hij/zij zijn hoofd naar voren beweegt om los te komen. Verdachte had dit als geoefend kickbokser ook kunnen verwachten. Het hof verwerpt het verweer.

Bespreking van het verweer: geen zwaar lichamelijk letsel

De raadsman heeft subsidiair partiële vrijspraak bepleit nu geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Het hof verwijst naar hetgeen ten aanzien van het primair ten laste gelegde is overwogen. Er is wel sprake van zwaar lichamelijk letsel, zij het dat het zwaar lichamelijk letsel waarop de subsidiaire tenlastelegging het oog heeft te weten een gebroken linkeroogkas en/of een gebroken kaak en/of een gescheurde lip (cursivering hof)” niet kan worden bewezen. De wel bewijsbare gescheurde lip is daarvoor onvoldoende. Dit staat echter aan de hierna opgenomen bewezenverklaring niet in de weg.

Het hof acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:

hij op 25 april 2011 te [plaats], [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer] bij het hoofd/de nek heeft vastgepakt en vervolgens met kracht een knietje in het gezicht heeft gegeven tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Namens verdachte is een beroep op noodweer gedaan. De raadsman heeft, kort gezegd, gesteld dat verdachte door [slachtoffer] werd aangevallen en dat hij zich verdedigde.

Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op noodweer dan wel noodweerexces, zal de rechter moeten onderzoeken of de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer zijn vervuld. Die houden blijkens art. 41 Sr in:

- wat betreft noodweer: dat het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding - waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding;

- wat betreft de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging (het zogenoemde noodweerexces): dat die overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een aanranding als vorenbedoeld.

Gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer kunnen onder omstandigheden in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer(exces) door de verdachte. Dat is bijvoorbeeld het geval indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij dronken was, dat hij zag dat een aantal personen ruzie had en dat hij zich vervolgens met die ruzie is gaan bemoeien. Hij heeft ook verklaard dat hij zowel tegen (naar het hof begrijpt) de zus van [slachtoffer] als tegen [slachtoffer] zelf heeft gezegd dat dezen hem maar moesten slaan. Vervolgens, aldus nog steeds de eigen verklaring van verdachte, zijn verdachte en [slachtoffer] op elkaar afgelopen. Verdachte dacht toen dat [slachtoffer] hem wilde slaan, draait weg om af te weren en raakt [slachtoffer] met zijn elleboog in het gezicht. Gelet op de hiervoor aangehaalde verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] heeft verdachte vervolgens -zonder dat er een actie van de zijde van [slachtoffer] aan voorafging - aan [slachtoffer] een knietje gegeven. Niet is aannemelijk geworden dat voorafgaand aan de provocerende woorden van verdachte sprake was van door [slachtoffer] of diens zus tegen verdachte of anderen uitgeoefend geweld of van dreiging met geweld waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Het hof is van oordeel dat verdachte zelf heeft uitgelokt dat [slachtoffer] met hem in gevecht zou gaan. Voorts is verdachte na het afweren met zijn elleboog zelf doorgegaan met het geweld tegen het slachtoffer, terwijl niet vast is komen te staan dat hij zich niet aan de situatie had kunnen onttrekken. Daarom komt hem geen beroep op noodweer toe. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Nu verdachte geen beroep toekomt op noodweer wordt ook het beroep op noodweerexces verworpen.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens het primair ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis waarvan 30 uur subsidiair 15 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt het volgen van een cursus agressie regulatie.

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte veroordeeld wegens primair ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 30 uur subsidiair 15 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt het volgen van een cursus agressieregulatie.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens het primair ten laste gelegde overeenkomstig het vonnis van de rechtbank, maar echter zonder oplegging van de bijzondere voorwaarde.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan geweld in het uitgaansleven. Hierdoor heeft hij een persoon zwaar lichamelijk letsel toegebracht, waarvan deze lange tijd de gevolgen van heeft ondervonden. Feiten als het on¬derhavige verster¬ken gevoelens van onvei¬ligheid en angst in de samenleving.

Het hof heeft acht geslagen op een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 januari 2013, waaruit volgt dat verdachte is aan te merken als first-offender. Voorts is gebleken, voor zover thans bekend, dat verdachte na onderhavig feit niet met politie en justitie in aanraking is geweest.

Voorts heeft het hof rekening gehouden met een reclasseringsadvies d.d. 21 november 2012, waaruit volgt dat verdachte (deels) verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag en dat bij verdachte geen sprake is van agressieproblematiek. De kans op recidive wordt ingeschat als klein.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is. Gelet op het voorgaande zal het hof een lagere straf dan door de advocaat-generaal is geëist opleggen. Evenals de advocaat-generaal, ziet het hof geen redenen om een bijzondere voorwaarde op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.467,72. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 589,72. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het hof is van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door

mr M.J. Stolwerk, voorzitter,

mr A. van Waarden en mr H.J. Biemond, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr E.S. van Soest, griffier,

en op 30 januari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr Biemond is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.