Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6851

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
11-04-2013
Zaaknummer
200.124.562/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De raadsman heeft gelet op de beslissing van het hof omtrent het preliminair verweer, alsmede de bejegening van de oudste raadsheer, niet tegen zijn cliënt, maar tegen de raadsman, en het non-verbale gedrag van de oudste raadsheer, namens verzoeker de leden van de meervoudige strafkamer gewraakt. De feiten en omstandigheden die verzoeker aan zijn verzoek tot wraking van de oudste raadsheer ten grondslag heeft gelegd, geven geen grond om te vrezen dat het de oudste raadsheer ontbreekt aan onpartijdigheid. Uit voorgaande volgt dat het wrakingsverzoek voor zover dat zich richt tegen de overige leden van de strafkamer eveneens geen kans van slagen heeft. Het wrakingsverzoek zal om die reden worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 11 april 2013

Rekestnummer 200.124.562/01

Parketnummer strafzaak 24-002444-12

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Wrakingskamer

Beschikking in de zaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

thans verblijvende in PI Flevoland, HvB Almere Binnen te Almere,

verzoeker in het wrakingsincident,

raadsman mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere,

strekkende tot wraking van:

mr. J. Hielkema, mr. L. Wemes en mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg

raadsheren in dit hof,

verweerders in het wrakingsincident.

Het verloop van de procedure

In de strafzaak met parketnummer 24-002444-12 heeft de meervoudige strafkamer van het hof, bestaande uit mrs. J. Hielkema, L. Wemes en H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, raadsheren, op 28 maart 2012 zitting gehouden. Ter zitting is namens verdachte door de raadsman mondeling een verzoek gedaan dat strekt tot wraking van de genoemde raadsheren. Het verkorte proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken.

Mr. Wemes heeft mede namens mr. Hielkema en mr. Tebbenhoff Rijnenberg mondeling medegedeeld dat verweerders niet in de wraking berusten. Er is bij die gelegenheid tevens kenbaar gemaakt dat bij geen van hen de behoefte bestaat om op grond van artikel 515 van het Wetboek van Strafvordering te worden gehoord.

De advocaat-generaal heeft te kennen gegeven dat zij evenmin gebruik zal maken van de mogelijkheid om op het wrakingsverzoek te worden gehoord.

Het wrakingsverzoek is behandeld in openbare raadkamer op 28 maart 2013. Verschenen is verzoeker met zijn raadsman. Zij hebben het wrakingsverzoek mondeling toegelicht.

De beoordeling

De ontvankelijkheid van het verzoek

De wrakingskamer acht het verzoek tijdig gedaan en acht verzoeker ook overigens ontvankelijk.

De gronden van het wrakingsverzoek

Aan het wrakingsverzoek hebben verzoeker en zijn raadsman blijkens het verkorte proces-verbaal van de zitting in de strafzaak de volgende argumenten ten grondslag gelegd, waaruit volgens hen een (schijn van) vooringenomenheid bij de gewraakte raadsheren blijkt, te weten - kort gezegd - :

Gelet op de beslissing van het hof omtrent het preliminair verweer, alsmede de bejegening van de oudste raadsheer, niet tegen mijn cliënt, maar tegen mij, en het non-verbale gedrag van voornoemde raadsheer, wraak ik de leden van dit hof.

Het standpunt van verweerders

De oudste raadsheer Mr. Wemes heeft namens verweerders op bovenstaande gereageerd. Hetgeen door verzoeker omtrent de gang van zaken ter zitting naar voren is gebracht, wordt door verweerders niet herkend. Bij geen van hen is op welke wijze dan ook sprake van vooringenomenheid.

Mondelinge toelichting ten overstaan van de wrakingskamer door de raadsman

De raadsman heeft bij de behandeling van de wraking ten overstaan van de wrakingskamer de volgende toelichting op zijn wrakingsverzoek gegeven:

Ik, als raadsman, maakte ter zitting kenbaar een preliminair verweer te willen voeren waarop de oudste raadsheer tegen de voorzitter zei: ‘Laat hem zijn preliminair verweer voeren, dat scheelt ons weer een rondje’. Ik legde vervolgens mijn pleitnota over met daarin vervat de inhoud van mijn preliminair verweer. Na de derde zin gooide de oudste raadsheer de pleitnota van zich af, om vervolgens het verweer zuchtend en fronsend aan te horen. Dit verweer zag onder meer op de kwestie of een rechter-commissaris bij een doorzoeking de cautie dient te geven alvorens hij vraagt om vrijwillige uitlevering van geld/wapens/drugs. Na afloop van het door het mij gevoerde preliminair verweer vroeg de oudste raadsheer mij of ik wel eens bij een doorzoeking aanwezig ben geweest, waarop ik ontkennend antwoordde. Vervolgens gaf de oudste raadsheer aan dat hij in het kader van een eerdere functie, naar mij bekend is als rechter-commissaris, bij 200 doorzoekingen aanwezig is geweest, dat hij dan altijd vroeg om vrijwillige uitlevering van geld/wapens/drugs, en nooit de cautie gaf voorafgaand aan deze vraag. Daarna heeft het hof zich teruggetrokken in raadkamer om te beraadslagen over het preliminair verweer. Nadat de zitting werd hervat deelde de voorzitter mede dat het hof van oordeel is dat het verweer ontijdig is gevoerd, nu beoordeling van de verweren nader onderzoek ter zitting vergt.

Nu de oudste raadsheer ter zitting reeds zo duidelijk kenbaar heeft gemaakt hoe hij dacht over het door mij gevoerde preliminaire verweer, in combinatie met zijn bejeging van mij en zijn non-verbale gedrag, kom ik tot het oordeel dat de vrees die bij de verdediging bestaat dat de oudste raadsheer jegens mijn cliënt een vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is. Nu de andere raadsheren de oudste raadsheer niet hebben gecorrigeerd en vervolgens hebben deelgenomen aan de raadkamer waarna de voorzitter de beslissing op het preliminiair verweer kenbaar maakte, acht ik voorgaande conclusie omtrent de vrees van vooringenomenheid ook van toepassing op de voorzitter en de jongste raadsheer.

Desgevraagd verklaart de raadsman niet het type te zijn dat snel klaagt over de bejegening die hem als raadsman ten deel valt.

De beoordeling van het wrakingsverzoek

De wrakingskamer dient te oordelen over de gronden van het wrakingsverzoek zoals deze blijken uit het verkort proces-verbaal van de zitting in de strafzaak tegen verzoeker en uit de mondelinge toelichting die de raadsman hierop bij de behandeling in raadkamer heeft gegeven. Het hof overweegt daarbij dat deze toelichting door de raadsman niet in strijd is met de weergave van de gronden zoals vermeld in het - summiere – verkorte proces-verbaal en deze gronden niet worden weersproken door verweerders.

Bij de beoordeling van het verzoek stelt het hof het volgende voorop.

Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

Ten aanzien van de gronden van het wrakingsverzoek, overweegt de wrakingskamer als volgt.

De feiten en omstandigheden die verzoeker aan zijn verzoek tot wraking van de oudste raadsheer ten grondslag heeft gelegd, geven geen grond om te vrezen dat het de oudste raadsheer ontbreekt aan onpartijdigheid. Dienaangaande overweegt de wrakingskamer dat het bespreken van de werkwijze zoals de oudste raadsheer die in het verleden uitoefende als rechter-commissaris niet meebrengt dat de oudste raadsheer reeds om die reden geacht moet worden partijdig te zijn in onderhavige strafzaak. Uitgangspunt is immers dat elke zaak op zijn eigen merites wordt behandeld. Het door de raadsman aangevoerde omtrent de door de oudste raadsheer gedane uitlatingen omtrent deze werkwijze geeft geen objectieve grond voor (de schijn van) vooringenomenheid.

De overige door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden, betrekking hebbende op de bejegening van de raadsman door de oudste raadsheer en het non-verbale gedrag van de oudste raadsheer, maken dit oordeel niet anders. Hoewel er bij verzoeker de subjectieve vrees voor bij de oudste raadsheer aanwezige vooringenomenheid bestaat, is naar het oordeel van de wrakingskamer blijkens het voorgaande niet aannemelijk geworden dat die vrees objectief gerechtvaardigd is. In het voorgaande heeft de wrakingskamer ten aanzien van elke grond overwogen of daaruit (een schijn van) partijdigheid kan worden afgeleid. Dit is niet het geval. Alles afwegende is de wrakingskamer van oordeel dat de gronden in onderling verband en samenhang bezien evenmin blijk geven van vooringenomenheid, noch objectief gezien de schijn van vooringenomenheid wekken.

Uit voorgaande volgt dat het wrakingsverzoek voor zover dat zich richt tegen mr. Hielkema en mr. Tebbenhoff Rijnenberg eveneens geen kans van slagen heeft. Het wrakingsverzoek zal om die reden worden afgewezen.

De beslissing:

Het gerechtshof (wrakingskamer):

Wijst af het verzoek tot wraking.

Aldus gewezen door mrs. H.J. Deuring, voorzitter, J.J. Beswerda en J.G. Idsardi, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 april 2013.