Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6643

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-02-2013
Datum publicatie
09-04-2013
Zaaknummer
21-000526-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Megazaak Doomer

Verdachte heeft een aantal malen hennep bewerkt, criminele gelden witgewassen en deelgenomen aan een criminele organisatie in verband met Opiumwetdelicten. Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden. Verhouding art. 140 WvSr en art. 11a Opiumwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000526-12

Uitspraak d.d.: 4 februari 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 22 december 2011 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1957],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 4 juli 2012, 20 november 2012, 26 november 2012, 30 november 2012, 10 december 2012, 15 januari 2013 en 21 januari 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr D.E. Wiersum, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het deels tot een andere bewijsbeslissing en voorts tot een andere strafoplegging komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

1.

hij, op één of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 november 2004 tot en met 31 oktober 2006, te Barneveld en/of Zeewolde en/of Kesteren en/of Heerenveen en/of Zwartebroek (gemeente Barneveld), althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in diverse panden (o.a. [adres] nummer [nummer] te Barneveld, [adres] te Zeewolde, [adres,nummer] te Kesteren, [adres, nummer] te Heerenveen, [adres, nummer] te Zwartebroek (gemeente Barneveld)), (telkens) een hoeveelheid hennepplanten, en/of delen van hennep, althans een hoeveelheid hennep en/of delen van hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij, op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 31 december 2003 tot en met 31 december 2007, te Amsterdam en/of in Nederland en/of de Verenigde Staten van Amerika, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een of meerdere geldbedrag(en) van in totaal (tenminste) 93.317,- euro, althans enig(e) geldbedrag(en), heeft verkregen van [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of (een) ander(en)

en/of

heeft overgedragen aan [naam] en/of [naam] (ten gunste van [bedrijf]), op of omstreeks 30 juni 2005 en/of op of omstreeks 2 juli 2005, twee, althans een geldbedrag(en) van respectievelijk USD 5.699,41 en USD 5.707,43 (totaal 10.000,- euro),

en/of

heeft overgedragen aan [mededader 3], op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 maart 2007, één of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 6.000,-) ten behoeve van (autoverhuurbedrijf) [autoverhuurbedrijf],

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van enig misdrijf;

en/of

heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s), voornoemde geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans van enig(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk -afkomstig was/waren uit de opbrengst van enig misdrijf;

3.

hij, in of omstreeks de periode van 01 november 2004 tot en met 11 juni 2009, te Zwartebroek, (gemeente Barneveld) en/of Barneveld en/of Kesteren, (gemeente Neder-Betuwe) en/of Heerenveen en/of Zeewolde en/of Alkmaar en/of Huizen en/of Purmerend en/of Wilp en/of Heiloo en/of Heemskerk en/of Amsterdam en/of Bussum en/of Arnhem en/of Rijnsburg en/of Noordwijk en/of Zutphen en/of Zwolle

en/of Nijkerk en/of Waddinxveen en/of (elders) in Nederland en/of in het Verenigd Koninkrijk en/of in Ierland en/of in België en/of Luxemburg en/of in de Verenigde Staten van Amerika en/of in Spanje, heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het overtreden van artikel 3A van de Opiumwet (uitvoer), en/of

- het overtreden van artikel 2A van de Opiumwet (uitvoer amfetamine en/of MDMA, althans middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a vijfde lid van Opiumwet), en/of

- het overtreden van artikel 10a Opiumwet, en/of

- het overtreden van artikel 3 B/C/D van de Opiumwet, en/of

- het overtreden van artikel 420ter, althans 420 bis, althans 420 quater Wetboek van Strafrecht,

welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, (bestaande naast verdachte uit [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of [mededader 6] en/of [mededader 3] en/of [mededader 7] en/of [mededader 8] en/of [mededader 9] en/of [mededader 10] en/of [mededader 11] en/of [mededader 12] en/of één of meer andere perso(o)n(en));

en/of

hij, in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 11 juni 2009, te Zwartebroek, (gemeente Barneveld) en/of Kesteren, (gemeente Neder-Betuwe) en/of Zeewolde en/of Alkmaar en/of Huizen en/of Purmerend en/of Wilp en/of Heiloo en/of Heemskerk en/of Amsterdam en/of Bussum en/of Arnhem en/of Rijnsburg en/of Noordwijk en/of Zutphen en/of Zwolle en/of Nijkerk en/of Waddinxveen en/of (elders) in Nederland en/of in het Verenigd Koninkrijk en/of in Ierland en/of in België en/of Luxemburg en/of in de Verenigde Staten van Amerika en/of in Spanje, heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en/of artikel 10a eerste lid en/of artikel 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet, te weten

- het overtreden van artikel 3A van de Opiumwet (uitvoer), en/of

- het overtreden van artikel 2A van de Opiumwet (uitvoer amfetamine en/of MDMA, althans middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a vijfde lid van Opiumwet), en/of

- het overtreden van artikel 10a Opiumwet, en/of

- het (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) overtreden van artikel 3 B/C/D van de Opiumwet,

welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, (bestaande naast verdachte uit [mededader 1] en/of [mededader 2] en/of [mededader 4] en/of [mededader 5] en/of [mededader 6] en/of [mededader 3] en/of [mededader 7] en/of [mededader 8] en/of [mededader 9] en/of [mededader 10] en/of [mededader 11] en/of [mededader 12] en/of één of meer andere perso(o)n(en)).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Getuigenverzoek

De raadsman heeft bij pleidooi en dupliek gepersisteerd bij het verzoek (andermaal) [mededader 2] als getuige te horen. Subsidiair heeft hij verzocht om toevoeging van de verklaring van [mededader 2] welke zij als verdachte in de strafzaak tegen haar heeft afgelegd.

In het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 20 november 2012 is het volgende opgenomen over het eerdere verzoek van de raadsman:

De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat beide verzoeken van de raadsman worden afgewezen. Voor wat betreft het verzoek tot voeging van het zittingsproces-verbaal van 12 november 2012 in de zaak van verdachte [mededader 2] overweegt het hof dat het vooralsnog niet aannemelijk is dat in dat proces-verbaal dingen staan die relevant zijn voor de onderhavige zaak. Het hof wijst het verzoek af. Voor wat betreft het verzoek tot het horen van [mededader 2] overweegt het hof dat deze getuige twee keer is gehoord. De verdediging is voldoende in de gelegenheid geweest om bij die verhoren aanwezig te zijn en/of vragen te stellen. Voor het verhoor op 8 november 2012 is de raadsman schriftelijk uitgenodigd en voor het verhoor op 14 november 2012 is hij telefonisch uitgenodigd, waarbij voorts de mogelijkheid tot het insturen van vragen besproken is. Voor zover wordt verzocht om een nieuw verhoor van [mededader 2], is het hof van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die dat verhoor noodzakelijk maken. Het hof wijst het verzoek af.

Het hof ziet geen termen thans anders te beslissen. Van nieuwe relevante feiten is naar het oordeel van het hof geen sprake. Niet aannemelijk is geworden dat in het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 november 2012 in de zaak van verdachte [mededader 2] punten staan die relevant zijn voor de onderhavige zaak.

Het hof voegt hier naar aanleiding van het betoog van de raadsman bij dupliek nog aan toe dat de enkele mededeling van de kant van (het kabinet van) de raadsheer-commissaris over een verklaring die een als getuige opgeroepen persoon als verdachte in zijn of haar eigen strafzaak heeft afgelegd, de verklaring niet tot een aan de stukken toegevoegd processtuk maakt.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Verweren

Bewijsuitsluiting verklaringen [mededader 1](hierna: mededader 1)

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [mededader 1] van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de genoemde getuige te ondervragen. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat grote terughoudendheid is geboden bij de interpretatie van bij [mededader 1] aangetroffen documenten alsmede bij de interpretatie van [mededader 1] opgenomen gesprekken.

Het hof begrijpt dat het de bedoeling van de rechter-commissaris en de rechtbank is geweest dat de zaak pas inhoudelijk ter terechtzitting van de rechtbank zou worden behandeld na het verhoor van alle getuigen. De volgorde van de getuigenverhoren is aan de rechter-commissaris overgelaten. Onderhavige zaak is verweven met zaken tegen een aanzienlijk aantal andere verdachten. Het opsporingsonderzoek is zeer omvangrijk geweest en heeft veel tijd gekost. In vele, zo niet alle zaken moest een groot aantal getuigen door de rechter-commissaris worden gehoord. Dat [mededader 1] kennelijk als laatste getuige gehoord zou gaan worden, acht het hof – mede gelet op de centrale rol die hij volgens de processen-verbaal van opsporing zou hebben gehad en het aanzienlijke aantal zaken waarin hij als getuige gehoord zou moeten worden – geen onbegrijpelijke en onredelijke keuze. Dat [mededader 1] voor zijn verhoor zou overlijden was redelijkerwijs niet te voorzien. Van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het hof overweegt voorts dat het bewijs niet alleen of in beslissende mate is gebaseerd op de verklaring(en) van [mededader 1] en voorts voldoende steunbewijs voorhanden is, zodat geen sprake is van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. Het hof verwerpt het verweer.

Bewijsuitsluiting telefoongesprekken [naam onderzoek]

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de telefoongesprekken uit het onderzoek [naam onderzoek] van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Dit verweer behoeft geen bespreking, aangezien het hof de genoemde gesprekken niet voor het bewijs zal bezigen.

Betrouwbaarheidsverweer [getuige] (hierna: [getuige])

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de getuige [getuige] als onbetrouwbaar van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Het hof heeft echter geen redenen om in het algemeen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen. Of het hof geloof hecht aan concrete onderdelen van de verklaringen, zal het hof per onderdeel beoordelen. Het hof verwerpt het verweer.

Bewijsoverweging feit 1

Voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 1 overweegt het hof in het bijzonder als volgt.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij knipwerkzaamheden met anderen heeft verricht. Hij neemt aan dat dat in Barneveld is geweest, gelet op het feit dat hij in Amersfoort is opgestapt in de bus en de rit naar de hennepkwekerij tien tot vijftien minuten heeft geduurd. In zijn schriftelijke verklaring heeft hij het vermoeden uitgesproken dat hij op twee locaties heeft geknipt, in totaal een keer of acht. Voor wat betreft de [adres] in Zeewolde ontkent verdachte enige betrokkenheid bij een hennepkwekerij. Voorts heeft hij aangevoerd dat hij geen leidinggevende rol heeft gehad.

Verdachtes verklaring dat hij knipwerkzaamheden heeft verricht wordt bevestigd door de verklaring van [getuige] die hem op drie locaties, te weten Barneveld, Zwartebroek en Kesteren heeft gezien.

Het hof leidt in het bijzonder uit de volgende feiten en omstandigheden af dat verdachte ook betrokken is geweest bij activiteiten in verband met hennep op de locatie aan de [adres] te Zeewolde:

- de verklaring van [naam], die uitdrukkelijk betrekking heeft op activiteiten in verband met hennep op deze locatie,

- de omstandigheid dat op diverse plaatsen in het pand een aanzienlijk aantal goederen is aangetroffen die kennelijk gebruikt kunnen worden bij het inrichten van hennepkwekerijen,

- de omstandigheid dat verdachte er tenminste vier, vijf maanden heeft gewoond,

- de omstandigheid dat verdachte op een aantal andere locaties gedragingen verrichtte in verband met hennepkwekerijen en hennep.

Verdachte heeft aangevoerd dat hij weliswaar verbleef in de woning aan de [adres] te Zeewolde maar dat hij geen betrokkenheid heeft gehad met de hennepactiviteiten in de loods daarbij. Het hof hecht – mede gelet op de verklaring van [naam], die uitdrukkelijk spreekt over activiteiten van verdachte op deze locatie – geen geloof aan deze verklaring van verdachte. Het hof verwerpt daarom het verweer.

Bewijsoverweging feit 2

Voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 2 overweegt het hof in het bijzonder als volgt.

Feit 2 betreft drie onderdelen, te weten het geldbedrag van € 93.317,-- (ad 2a); het geldbedrag van € 10.000,-- betreffende de vermeende overdracht aan [bedrijf] (ad 2b) en een geldbedrag van € 6.000,-- dat aan [mededader 3] zou zijn overgedragen (ad 2c).

Ad 2a

Het geldbedrag van € 93.317,-- kan worden gesplitst in ongeveer € 52.000,--, ruim € 26.000,- en € 15.000.

€ 52.000

Door de verdediging is aangevoerd dat een deel van het contant gestorte geld, te weten een bedrag van € 52.000, afkomstig was van [mededader 1]. Dat geld was afkomstig uit de zaak [zaak betrokkene 1/ naam], in welke zaak verdachte en [mededader 1] zijn veroordeeld. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat dat geld afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dat wist.

De raadsman heeft zich voor wat betreft dit geldbedrag op het standpunt gesteld dat ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het voorhanden hebben van dat geldbedrag niet als witwassen kan worden gekwalificeerd, omdat het gaat om de opbrengst van een door verdachte zelf gepleegd strafbaar feit en van verhullen geen sprake is. Het hof verwerpt dit verweer. Verdachte heeft het bedrag niet enkel voorhanden gehad. Verdachte heeft het geldbedrag op zijn eigen rekening gestort en daarmee de herkomst ervan verhuld. Dat verdachte dit geld mogelijk al voor 31 december 2003 voorhanden had, doet hieraan niet af. Het hof komt voor wat betreft dit onderdeel tot een bewezenverklaring van opzettelijk witwassen.

€ 26.395

Een bedrag van € 26.935,- bestaat uit:

• € 12.099,- ([mededader 2]);

• € 6.539,- ([mededader 1]);

• € 1.024,- ([betrokkene 1]);

• € 7.723,- ([betrokkene 2]).

Voor wat betreft het bedrag dat afkomstig is van [mededader 1] , te weten € 6.539,- komt het hof tot een bewezenverklaring van opzetwitwassen.

Voor dit bedrag geldt dat [mededader 1] enkele keren gebruik heeft gemaakt van de creditcard van verdachte en hij dit achteraf contant terug betaalde aan verdachte.

Uit in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden leidt het hof af dat het niet anders kan zijn dan dat het bedrag van misdrijf afkomstig is.

• Het bedrag is (grotendeels) opgebouwd uit betalingen in contanten.

• Het gaat om bedragen die niet te verklaren zijn uit reguliere, legale inkomsten van [mededader 1]. [mededader 1] had geen reguliere inkomsten, ook niet uit het autoverhuurbedrijf. Het hof verwijst verder naar de financiële gegevens betreffende de grote hoeveelheden onder meer hasjiesj en hennep die op 31 oktober 2006 in de kazerne zijn aangetroffen en de financiële gegevens die naar voren zijn gekomen uit de aangetroffen (drugs)administratie.

Uit de volgende feiten en omstandigheden leidt het hof af dat verdachte wist dat er – minst genomen – een aanmerkelijke kans bestond dat geld dat afkomstig was van [mededader 1] van misdrijf afkomstig was.

• Verdachte wist dat [mededader 1] eerder veroordeeld was in verband met drugsdelicten, terwijl hij de Staat nog een bedrag schuldig was uit hoofde van een veroordeling in een ontnemingszaak.

• Verdachte heeft van [mededader 1] geld ontvangen dat afkomstig was uit de strafzaak [naam], in welke zaak zowel verdachte als [mededader 1] zijn veroordeeld ter zake van drugsdelict(en).

• [mededader 1] maakte gebruik van de creditcard van verdachte. [mededader 1] zou volgens verdachte geen creditcard kunnen krijgen. Een en ander werd later contant terugbetaald door [mededader 1] aan verdachte.

• Verdachte is drie keer naar Spanje geweest gereisd om aan mensen, die geld aan [mededader 1] verschuldigd waren, door te geven dat zij contact moesten opnemen met [mededader 1].

• Verdachte heeft [mededader 1] niet gevraagd of hij over legale inkomsten kon beschikken; hij had geleerd dat je niet te veel moet vragen.

Voor wat betreft dit onderdeel van de tenlastelegging heeft de raadsman aangevoerd dat van verhullen geen sprake is geweest nu direct duidelijk was wie verantwoordelijk was voor het uitgeven van die bedragen. Het hof verwerpt dit verweer. De contante stortingen zijn naar het oordeel van het hof aan te merken als witwassen, nu de herkomst van het geld verhuld werd door het gebruik van de creditcard van verdachte door [mededader 1]. [mededader 1] heeft zich als het ware verborgen achter de rekening van verdachte. Op deze manier was hij in staat geld met een criminele herkomst wit te wassen. Verdachte heeft [mededader 1] gefaciliteerd door hem gebruik te laten maken van zijn creditcard.

Voor wat betreft het bedrag dat afkomstig is van [mededader 2] , te weten € 12.099,-, komt het hof tot een vrijspraak, nu niet buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten weten dat het bedrag van misdrijf afkomstig is. Het hof kan niet buiten redelijke twijfel uitsluiten dat verdachte [mededader 2] heeft geloofd toen zij vertelde dat het geld afkomstig was uit een erfenis en dat hij geen serieuze reden had daaraan te twijfelen op grond van de door haar gegeven toelichting dat zij getrouwd was geweest met een Italiaan en dat zij iedere maand geld kreeg. Deze toelichting was immers juist. Aan het voorgaande doet niet af dat [mededader 2] ook verteld had dat ze geregistreerd was bij het BKR, omdat deze omstandigheid niet tot de conclusie dwingt dat bovenstaand bedrag uit een misdrijf afkomstig is.

Het hof spreekt verdachte verder – op dezelfde gronden als de rechtbank – vrij van de bedragen € 1.024,- en € 7.723,-.

€ 15.000

Het hof leidt met name uit de volgende feiten en omstandigheden af dat het niet anders kan zijn dan dat dit bedrag uit enig misdrijf is verkregen en dat verdachte dit wist.

- Het bedrag kan niet worden verklaard uit de reguliere, legale inkomsten van verdachte.

- Verdachte verrichtte werkzaamheden in het kader van hennepkwekerijen. Aannemelijk is dat hij hiervoor betaald werd.

- Door de verdediging is aangevoerd dat een deel van het contant gestorte geld, te weten € 15.000, afkomstig is van een lening. Enige onderbouwing hiervan is niet door de verdediging gegeven. De verklaring van verdachte hierover, inhoudende dat hij regelmatig contant geld heeft opgenomen vanaf zijn doorlopend krediet, wordt niet door enig gegeven ondersteund.

Ook voor het bedrag van € 15.000,- geldt dat verdachte het heeft gestort op zijn eigen rekening en daarmee de herkomst ervan heeft verhuld.

Ad 2b en 2c

Voor wat betreft de geldbedragen van € 10.000,- (ad 2b) en € 6.000,- (ad 2c) staat op basis van het dossier vast dat deze afkomstig waren van [mededader 1] .

Gelet op de bewijsmiddelen zoals hiervoor onder 2a opgenomen, is het hof van oordeel dat het geld van [mededader 1] van misdrijf afkomstig was en dat verdachte wist dat er – minst genomen – een aanmerkelijke kans bestond dat dat geld van misdrijf afkomstig was. Door – zonder nadere vragen naar de herkomst van de bedragen en naar de reden van de door [mededader 1] gekozen wijzen van betalen te stellen – geld op zijn naam over te maken naar een derde (ad 2b) en op verzoek van [mededader 1] af te geven aan een derde (ad 2c), heeft verdachte de werkelijke herkomst van de geldbedragen verhuld.

Feit 3

Voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 overweegt het hof in het bijzonder als volgt.

Uit de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastgelegde leidt het hof af dat verdachte werkzaamheden heeft verricht binnen en daarmee deel heeft uitgemaakt van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur onder leiding van [mededader 1] , welke organisatie zich bezig hield met onder meer handel in hennep/hasjiesj en witwassen. Verdachtes rol in dit samenwerkingsverband bestond uit het verrichten van werkzaamheden op diverse henneplocaties, te weten onder meer het vervoeren, knippen en uitbetalen van andere knippers. Daarnaast heeft hij een aantal malen geld van [mededader 1] witgewassen. Het witwassen was een substantieel onderdeel van de criminele organisatie.

Verdachte heeft aldus bijgedragen aan de verwezenlijking van de drugsactiviteiten en het witwassen van en door de criminele organisatie. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat verdachte wist dat de organisatie het oogmerk van het plegen van misdrijven had.

Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat de organisatie ook gericht was op het vervoer van feiten die betrekking hebben op lijst 1 bij de Opiumwet, zodat dit ook wordt bewezen verklaard, ook al heeft verdachte bij dit onderdeel geen concrete betrokkenheid of wetenschap gehad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij, op tijdstippen, in de periode van 1 november 2004 tot en met 29 maart 2006, te Barneveld en Zeewolde en Kesteren en Zwartebroek (gemeente Barneveld) telkens tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk heeft bewerkt in diverse panden (o.a. [adres] te Barneveld, [adres] te Zeewolde, [adres] te Kesteren, [adres] te Zwartebroek (gemeente Barneveld)), telkens een hoeveelheid hennepplanten, en/of delen van hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2.

hij, op tijdstippen in de periode van 31 december 2003 tot en met 31 december 2007, te Amsterdam en in Nederland tezamen en in vereniging met anderen (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van 75.539,-- euro, heeft verkregen van [mededader 1]

en

heeft overgedragen aan [naam] en/of [naam] (ten gunste van [bedrijf]), op 30 juni 2005 en omstreeks 2 juli 2005, twee, geldbedragen van respectievelijk USD 5.699,41 en USD 5.707,43 (totaal 10.000,- euro),

en

heeft overgedragen aan [mededader 3], op tijdstippen in de periode van 01 januari 2007 tot en met 31 maart 2007, geldbedragen (in totaal ongeveer 6.000,-) ten behoeve van (autoverhuurbedrijf) [autoverhuurbedrijf],

heeft hij, verdachte en zijn mededaders, de werkelijke aard en/of de herkomst verhuld, en genoemde geldbedragen voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat voornoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit de opbrengst van enig misdrijf;

en

heeft hij, verdachte en zijn mededaders, voornoemde geldbedragen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemde geldbedragen wisten dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit de opbrengst van enig misdrijf

3.

hij, in of omstreeks de periode van 01 november 2004 tot en met 31 december 2007, te Zwartebroek, (gemeente Barneveld) en/of Barneveld en/of Kesteren, (gemeente Neder-Betuwe) en/of Heerenveen en/of Zeewolde en/of Alkmaar en/of Huizen en/of Purmerend en/of Wilp en/of Heiloo en/of Heemskerk en/of Amsterdam en/of Bussum en/of Arnhem en/of Rijnsburg en/of Noordwijk en/of Zutphen en/of Zwolle en/of Nijkerk en/of Waddinxveen en/of (elders) in Nederland en/of in het Verenigd Koninkrijk en/of in de Verenigde Staten van Amerika heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het overtreden van artikel 3A van de Opiumwet (uitvoer), en/of

- het overtreden van artikel 2A van de Opiumwet (uitvoer amfetamine en/of MDMA, althans middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a vijfde lid van Opiumwet), en/of

- het overtreden van artikel 10a Opiumwet, en/of

- het overtreden van artikel 3 B/C/D van de Opiumwet, en/of

- het overtreden van artikel 420ter, althans 420 bis, althans 420 quater Wetboek van Strafrecht,

welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, (bestaande naast verdachte uit [mededader 1] en [mededader 2] en [mededader 4] en [mededader 3] en [mededader 7] en/of één of meer andere personen);

en

hij, in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 26 september 2008, te Zwartebroek, (gemeente Barneveld) en/of Kesteren, (gemeente Neder-Betuwe) en/of Zeewolde en/of Alkmaar en/of Huizen en/of Purmerend en/of Wilp en/of Heiloo en/of Heemskerk en/of Amsterdam en/of Bussum en/of Arnhem en/of Rijnsburg en/of Noordwijk en/of Zutphen en/of Zwolle en/of Nijkerk en/of Waddinxveen en/of (elders) in Nederland en/of in het Verenigd Koninkrijk en/of in de Verenigde Staten van Amerika heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, en/of artikel 10a eerste lid en/of artikel 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet, te weten

- het overtreden van artikel 3A van de Opiumwet (uitvoer), en/of

- het overtreden van artikel 2A van de Opiumwet (uitvoer amfetamine en/of MDMA, althans middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a vijfde lid van Opiumwet), en/of

- het overtreden van artikel 10a Opiumwet, en/of

- het (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) overtreden van artikel 3 B/C/D van de Opiumwet,

welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, (bestaande naast verdachte uit [mededader 1] en [mededader 2] en [mededader 4] en [mededader 3] en [mededader 7] en/of één of meer andere personen).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

En

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid of 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte zou moeten worden ontslagen van rechtsvervolging ten aanzien van de Opiumwetdelicten in de bewezenverklaring van – kort gezegd – de criminele organisatie (artikel 140 Wetboek van Strafrecht), omdat de specialis van artikel 11a Opiumwet van toepassing moet worden verklaard.

Het hof verwerpt dit betoog.

De bepaling van artikel 11a Opiumwet moet volgens de wetsgeschiedenis worden gezien als een bijzondere regeling ten opzichte van de bepaling van artikel 140 Wetboek van Strafrecht. De memorie van toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 20 juni 2006, Stb 2006, 333, luidt, voor zover van belang, als volgt (Kamerstukken II, 2005/6, 30339, nr. p. 6):

“Artikel 4, derde lid, van het kaderbesluit drugshandel bepaalt dat de strafbare feiten, bedoeld in het tweede lid van dat artikel, die in het verband van een criminele organisatie in de zin van Gemeenschappelijk Optreden 98/733/JBZ van 21 december 1998 (PbEG L 351) zijn gepleegd, bedreigd moeten worden met een strafmaximum van ten minste 10 jaren. Naar Nederlands recht moet men daarbij denken aan overtredingen van de Opiumwet in meerdaadse samenloop met overtreding van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt – kort gezegd – dat in dergelijke gevallen één straf wordt opgelegd en dat deze een derde hoger mag zijn dan het hoogste strafmaximum dat op een van de feiten is gesteld. Deze regel leidt ertoe dat, voorzover de strafbare feiten betrekking hebben op een al dan niet grote hoeveelheid lijst I stoffen, aan het in het kaderbesluit voorgeschreven strafmaximum van 10jaren wordt voldaan. Dit is niet het geval bij een grote hoeveelheid lijst II stoffen. Met inachtneming van het voorgestelde nieuwe vijfde lid van artikel 11 van de Opiumwet, waarbij een maximumstraf van 6 jaren wordt ingevoerd voor grote hoeveelheden, leidt een berekening van het strafmaximum in geval van samenloop met het eerste lid van artikel 140Sr , dat deelneming aan een criminele organisatie bestraft, ertoe dat ingevolge artikel 57, tweede lid, Sr. een maximumstraf van 8 jaren kan worden opgelegd. Aangezien dat niet voldoende is, is een nieuwe bepaling nodig die, in combinatie met artikel 57 Sr, er in voorziet dat een maximumstraf van 10 jaren kan worden opgelegd. Naar het oordeel van de regering zou een verhoging van de strafmaat van het nieuwe vijfde lid van artikel 11 tot een maximum van 8 jaren afbreuk doen aan het onderscheid tussen lijst I en lijst II feiten. Een verhoging van het strafmaximum voor deelneming aan een criminele organisatie tot 8 jaren in artikel 140, eerste lid, Sr zou een zeer brede werking hebben en daardoor disproportioneel zijn. Teneinde aan het kaderbesluit te voldoen, wordt daarom voorgesteld in de Opiumwet een bijzondere regeling voor de criminele organisatie op te nemen, waarbij voor deelneming een strafmaximum van 8 jaren zal gaan gelden. Deze bijzondere regeling is vastgelegd in het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet. Door dit artikel komt de maximumstraf uit op 10 jaren en 8 maanden.”

In de bewezenverklaring van het feit omschreven in artikel 140 Wetboek van Strafrecht is – ook na 1 juli 2006, de datum van inwerkingtreding van artikel 11a Opiumwet – niet alleen sprake van delicten als bedoeld in artikel 11a Opiumwet, maar ook van een ander delict. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat dit meebrengt dat beide bepalingen naast elkaar behoren te worden toegepast. Het verschil tussen de strafmaxima van artikel 140 Wetboek van Strafrecht en artikel 11a Opiumwet heeft overigens geen consequenties voor de in dit geval opgelegde straf. Het hof merkt overigens nog op dat geen beroep is gedaan op artikel 56 Wetboek van Strafrecht (voortgezette handeling).

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden onvoorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank Arnhem heeft de verdachte veroordeeld ter zake van de feiten 1, 2 en 3 tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens de feiten 1, 2 en 3 tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar onvoorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte is eerder veroordeeld wegens strafbare feiten die in verband stonden met [mededader 1]. Verdachte wordt in de onderhavige zaak veroordeeld wegens het witwassen van een aantal geldbedragen. Een van de bedragen betreft opbrengst van strafbare feiten waarvoor [mededader 1] en verdachte eerder zijn veroordeeld. Daarnaast heeft hij enkele geldbedragen witgewassen door de ontvangst van contante geldbedragen van [mededader 1] in verband met het gebruik door deze van zijn creditcard en door het overbrengen en overmaken van geldbedragen van [mededader 1]. Verdachte heeft daarnaast een aantal malen meegedaan met het bewerken van hennep.

De ernst van de feiten rechtvaardigt – in combinatie met de omstandigheid dat verdachte blijkens het uittreksel justitiële documentatie, gedateerd 5 november 2012, eerder is veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet – oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof neemt ten voordele van verdachte in aanmerking dat het aandeel van verdachte in de organisatie beperkt is geweest.

Door de verdediging is aangevoerd dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Voorts is nog aangevoerd dat verdachte bij een veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een langere duur dan drie maanden zijn woning zou verliezen. Gelet op de ernst van de feiten en verdachtes eerdere veroordelingen acht het hof evenwel oplegging van onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 47, 57, 140, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek van de raadsman om als getuige te horen:

• [mededader 2].

Wijst af het verzoek van de raadsman om toevoeging van de verklaring van [mededader 2] welke zij als verdachte in de strafzaak tegen haar heeft afgelegd.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr P. van Kesteren en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L. Gereke, griffier,

en op 4 februari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.