Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6561

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
08-04-2013
Zaaknummer
21-001682-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie

Bedreiging met zware mishandeling. De uitdrukking “verrot slaan” heeft een brede betekenis, waaronder minder ernstige, maar ook ernstigere duidingen, zoals afranselen, aftuigen en toetakelen, hetgeen met zwaar lichamelijk letsel gepaard kan gaan. Dat in dit geval van de ernstige betekenis van deze woorden uitgegaan moet worden, blijkt uit de combinatie van deze woorden met de krachtige stem die verdachte opzette en het zeer dicht naderen van het gezicht van de bedreigde. Dit kon bij bedreigde redelijkerwijs bedoelde vrees doen ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/149

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001682-12

Uitspraak d.d.: 2 april 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 11 oktober 2011 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 15-033850-09, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 maart 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr P.H. Visser, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist (met dien verstande dat het hof anders dan de rechtbank met betrekking tot feit 6 het verweer van de raadsman niet als een bewijsverweer beschouwt maar als een kwalificatieverweer).

De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat zijn cliënt bekent tegen verbalisant [naam] de hem tenlastegelegde woorden te hebben gezegd. Zijn cliënt wilde [verbalisant] enkel waarschuwen. Zijn woorden zijn niet onder te brengen onder de wettelijke delictsomschrijving van bedreiging met zware mishandeling en al helemaal niet onder bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het hof kan zich wel aansluiten bij de overweging van de rechtbank dat de door verdachte geuite woorden in de desbetreffende context bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De uitdrukking “verrot slaan” heeft een brede betekenis, waaronder minder ernstige, maar ook ernstigere duidingen, zoals afranselen, aftuigen en toetakelen, hetgeen met zwaar lichamelijk letsel gepaard kan gaan. Dat in dit geval van de ernstige betekenis van deze woorden uitgegaan moet worden, blijkt uit de combinatie van deze woorden met de krachtige stem die verdachte opzette en het zeer dicht naderen van het gezicht van de bedreigde. Dit kon bij bedreigde redelijkerwijs bedoelde vrees doen ontstaan. Daarom verwerpt het hof, evenals de rechtbank, het verweer van de raadsman.

Nu het hof van oordeel is dat de rechtbank voor het overige op juiste gronden heeft beslist dient dat vonnis in zoverre met overneming van die gronden te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden en de motivering daarvan.

Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op die onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling. Deze bedreigingen waren gericht tegen respectievelijk een medewerker van een bedrijf dat huisvuil inzamelt en een politieambtenaar. Verdachte heeft deze personen ernstig verbaal bedreigd, terwijl hij bij de eerste persoon zijn bedreigingen kracht heeft bijgezet door het tonen van c.q. dreigen met een bijl, zodat bij hen de vrees is ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden. Bedreiging is een ernstig feit dat bij de slachtoffers gevoelens van angst en onveiligheid teweeg brengt en dat gevoelens van onrust in de samenleving veroorzaakt. Voorts heeft verdachte zich tot twee keer toe schuldig gemaakt aan mishandeling, namelijk van een beveiligingsmedewerker werkzaam op het gemeentehuis te [plaats] en van een restauranthouder. Ten slotte heeft verdachte een politieambtenaar in functie beledigd en zich schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk. Vijf van de zes bewezen verklaarde feiten zijn begaan jegens personen werkzaam voor de publieke zaak mensen die op een normale manier hun werk proberen te doen.

Voorts heeft het hof gelet op het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie. Hieruit blijkt dat verdachte eerder wegens soortgelijk feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de verdachte betreffende rapportages van de reclassering, de pro justitia rapportage van psycholoog Knol-Schoonhoven en hetgeen reclasseringswerker de heer Stet ter terechtzitting van het hof heeft verklaard. Het hof merkt daarbij op dat de door de raadsman overgelegde reclasseringrapportage van 26 februari 2013 en pro justitia rapportage zijn opgemaakt ten behoeve van een ander feit, zodat het hof de strafadviezen niet zal overnemen in deze zaak.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden blijkt dat verdachte op diverse leefgebieden vooruitgang heeft geboekt. Desondanks is hij nog niet volledig in staat om controle op gedachten, gevoelens en acties te krijgen. Verdachte doet op zijn manier zijn best en heeft de intentie om zijn delictsgedrag te stoppen. Hij woont sinds augustus 2011 in een geschikte sociale woning. Dit gaat erg goed. Verdachte pleegt geen overlast. Verdachte houdt zich echter goed aan de met de reclassering gemaakte afspraken en staat open voor contact. Het recidiverisico is echter wel hoog.

Gelet op het bovenstaande acht het hof evenals de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Oplegging van een werkstraf, zoals bepleit door de raadsman, is naar het oordeel van het hof een gepasseerd station.

Anders dan de rechtbank acht het hof, gezien de voorzichtige positieve ontwikkeling in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden, als stok achter de deur, voldoende. Daarnaast acht het hof een verplicht contact met de reclassering gedurende de proeftijd noodzakelijk.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 139, 266, 267, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Nederland Unit [plaats].

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door

mr G. Mintjes, voorzitter,

mr P.A.H. Lemaire en mr M.A.F. Cools-Weebers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr B.T.H. Janssen, griffier,

en op 2 april 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr M.A.F. Cools-Weebers is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.