Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6305

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
200.108.356/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming. Vraag of het werk is opgeleverd en of vervolgens het werk binnen redelijke termijn is aanvaard of geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.108.356/01

(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 566391 CV EXPL 11-4859)

arrest van de tweede kamer van 2 april 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.P. Winkel, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

Pridox Metselwerken B.V.,

gevestigd te IJsselmuiden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: Pridox,

advocaat: mr. L.M. de Jong, kantoorhoudend te Kampen.

1. Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 28 februari 2012 van de rechtbank Zwolle-Lelystad.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 mei 2012,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3 De vordering van [appellant] luidt:

"te vernietigen het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- De vordering van Pridox in conventie alsnog af te wijzen;

- Pridox te veroordelen in de kosten van deze procedure alsmede in de kosten van de eerste

aanleg."

2.4 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

3. De feiten

3.1 Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken vast dat Pridox in opdracht en voor rekening van [appellant] tussen eind 2010 tot en met eind januari 2011 (volgens Pridox) of begin februari 2011 (volgens [appellant]) metselwerk heeft verricht aan de in aanbouw zijnde woning van [appellant] te [woonplaats]. Van de overeengekomen aanneemsom van € 9.226,32 heeft [appellant] ondanks facturen en aanmaningen € 4.726,32 onbetaald gelaten. Het betreft daarbij ondermeer de eindfactuur van 25 januari 2011. Op diezelfde dag hebben partijen gesproken over de gebrekkige kwaliteit van het metselwerk in de nok van de woning. In hoger beroep is niet in geschil dat

[appellant] nadien pas op 25 april 2011 over andere gebreken heeft geklaagd.

3.2 Pridox heeft als eiser in de oorspronkelijke conventie veroordeling van [appellant] tot betaling van de eindfactuur gevorderd, te vermeerderen met nevenvorderingen.

[appellant] heeft in reconventie betaling gevorderd van € 65.753,68 met rente en proceskosten. Deze laatste vordering is afgewezen en maakt geen onderdeel uit van de beoordeling in dit hoger beroep; ter beoordeling ligt slechts nog voor de toegewezen vordering van Pridox.

4. De grieven

4.1 Het hof begrijpt de grieven van [appellant] aldus dat de laatste termijn van

25 januari 2012 niet opeisbaar is geworden omdat het werk (toen) niet is opgeleverd. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2 Indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat het werk niet al op 25 januari 2011 door [appellant] is aanvaard, dan geldt het volgende.

4.3 Naar het oordeel van het hof kan uit het feit dat Pridox een eindnota heeft gezonden en het werk heeft verlaten, geen andere conclusie worden getrokken dan dat zij daarmee heeft aangegeven dat het werk klaar was om te worden opgeleverd. Dat [appellant] hier ook van is uitgegaan, volgt uit het feit dat hij tot uitgangspunt neemt dat het metselwerk in ieder geval begin februari gereed was, dat hij dit daarna heeft laten voegen en dat hij vervolgens de steigers heeft laten afbreken.

4.4 Ingevolge het bepaalde in artikel 7:758 lid 1 BW diende [appellant] nadien het werk binnen een redelijke termijn te keuren en al dan niet onder voorbehoud te aanvaarden, dan wel onder aanwijzing van gebreken te weigeren. Tot 25 april 2011 heeft [appellant] echter niet van enig bezwaar laten blijken. Overeenkomstig hetgeen de kantonrechter daaromtrent bij de behandeling van de klachtplicht heeft overwogen, is het hof van oordeel dat

[appellant] onder die omstandigheden (en bij gebrek aan bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden) niet binnen redelijke termijn tot weigering of voorwaardelijke aanvaarding van het werk is overgegaan. Daarmee moet het werk ingevolge artikel 7:758 lid 1 BW als opgeleverd worden beschouwd. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat Pridox in dat geval is ontslagen van de aansprakelijkheid voor eventuele gebreken die [appellant] op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Deze conclusie trekt het hof ook indien juist is dat het werk niet op 25 januari 2011, maar begin februari dat jaar is afgerond, zoals [appellant] betoogt. Dat hij op dat moment de gebreken redelijkerwijs had moeten ontdekken, volgt uit de overweging van de kantonrechter dat (afgezien van het metselwerk in de nok) ook de gebreken waar het verweer op is gebaseerd zeker bij of meteen na demontage zichtbaar moeten zijn geweest, als dat al niet eerder het geval was. Tegen dat oordeel zijn geen grieven gericht.

4.5 Aan het voorgaande kan niet afdoen de bewering dat [appellant] op 25 januari 2011 te kennen heeft gegeven met het metselwerk in de nok niet akkoord te gaan. De kantonrechter heeft immers ook onbestreden geconcludeerd dat niet bewezen kan worden geacht dat [appellant] al op die datum aan Pridox te kennen heeft gegeven dat deze gebreken moesten worden hersteld. Dat hij dat nadien alsnog heeft gedaan, is gesteld noch gebleken.

5. Slotsom

5.1 De grieven falen, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

5.2 Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Pridox zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten nihil

- griffierecht € 666,-

totaal verschotten € 666,-, en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief: I

1 punten x € 632,- € 632,-

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Zwolle-Lelystad van 28 februari 2012;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Pridox vastgesteld op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 666,- voor verschotten;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, K.M. Makkinga en G. van Rijssen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 2 april 2013.