Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6281

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
200.096.591/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reisverzekeringsovereenkomst. Artikel 7:941 lid 5 BW.

Honorering van het verweer van de verzekeraar dat de verzekeringnemer de in lid 2 van artikel 7:941 BW neergelegde verplichting - om binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen - heeft geschonden met het opzet de verzekeraar te misleiden. Ingevolge lid 5 van artikel 7:941 BW is hierdoor het recht op uitkering vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.096.591/01

(zaaknummer rechtbank Assen 316240 CV EXPL 11-3246)

arrest van de tweede kamer van 2 april 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H. Brouwer, kantoorhoudend te Utrecht,

tegen

Unigarant N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: Unigarant,

advocaat: mr. D.D. Markvoort, kantoorhoudend te Hoogeveen,

(voorheen: mr. I.M.C.A. Reinders-Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam).

De inhoud van het tussenarrest van 10 januari 2012 wordt hier overgenomen.

1. Het verdere procesverloop

1.1 Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

1.2 De vordering van [appellant] in hoger beroep luidt:

"Het Uw Hof behage het vonnis van de Rechtbank Assen te vernietigen en alsnog te betalen [het hof leest: bepalen] dat aan [appellant] buiten kosten een bedrag wordt uitbetaald ad € 2.364,80 onder veroordeling van Unigarant in de kosten van beide instanties."

1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

2. De feiten

2.1 In deze zaak staat - als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende weersproken - het volgende vast.

2.1.1 [appellant] heeft met Unigarant een reisverzekeringovereenkomst gesloten (polisnummer 6972898) in verband met zijn reis, aanvangend op 12 juni 2010. Op deze verzekering zijn de Polisvoorwaarden ANWB doorlopende reis- en annuleringsverzekering DRA ANB (hierna: de AV) van toepassing verklaard.

2.1.2 [appellant] stelt dat hij op 12 juni 2010 slachtoffer is geworden van ontvreemding van zijn bagage. Ter zake hiervan heeft hij een schade aangifteformulier (hierna ook wel aangeduid als: s.a.f.) ingevuld. Op dit formulier heeft hij vermeld dat bagage uit het vliegtuig waarmee hij reisde is ontvreemd. Deze bagage is volgens hem nooit aangekomen op Schiphol. Bij de vraag waarom hij de goederen daar heeft achtergelaten, heeft hij ingevuld: "geen idee". [appellant] heeft hiervoor bij Unigarant een bedrag van € 2.346,80 geclaimd.

2.1.3 De expert van Unigarant, [expert], heeft een expertiserapport uitgebracht, waarin hij de schade heeft vastgesteld op een bedrag van € 1.764,-. Daarbij heeft de expert aangegeven dat hij geen redenen heeft gevonden om te twijfelen aan door verzekerde geschetste toedracht, maar wel aan de door verzekerde ingediende schadeclaim. Dit laatste wordt als volgt toegelicht:

"Na de door ons, onder andere telefonisch verrichte verificaties, werden de volgende zeer opmerkelijk te noemen feiten vastgesteld:

- Een in het s.a.f. aanwezige aanschafnota, waarvan verzekerde aangeeft dat deze betrekking heeft op zijn geclaimde herenhorloge, blijkt na verificatie een aanschafnota te zijn van een dameshorloge.

- Een in het s.a.f. aanwezige aanschafnota, waarvan verzekerde aangeeft dat deze betrekking heeft op zijn geclaimde T-shirts (twee stuks), blijkt na verificatie een aanschafnota te zijn van twee joggingpants.

- Verzekerde heeft ons aangegeven dat hij alle geclaimde artikelen persoonlijk heeft aangeschaft en betaald. Het is echter zeer opmerkelijk te noemen dat op een bepaalde datum (18 maart 2010) aanschafnota's aanwezig zijn uit twee verschillende plaatsen in Nederland (Utrecht en Vianen), waarbij binnen een tijdsduur van twee minuten, in beide plaatsen aankopen zouden zijn gedaan door verzekerde."

Voorts vermeldt de expert het opmerkelijk te vinden dat verzekerde weinig tot geen kenmerken kan opnoemen betreffende het door verzekerde geclaimde fototoestel en dat verzekerde op geen enkele wijze (bijvoorbeeld door het tonen van digitale foto's) het voormalig bezit van deze fotocamera kan aantonen.

2.1.4 Hierop heeft een briefwisseling tussen partijen plaatsgevonden.

2.1.5 Uiteindelijk heeft Unigarant geweigerd tot uitkering van de schade over te gaan.

3. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1 [appellant] vordert veroordeling van Unigarant tot betaling van € 2.346,80, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf datum van dagvaarding (4 mei 2011) tot die der voldoening.

3.2 Unigarant voert als primair verweer dat [appellant], gelet op het bepaalde in artikel 7:941 lid 5 BW, geen aanspraak op schadevergoeding toekomt omdat hij bij zijn verplichting om haar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die voor haar van belang zijn om de uitkeringsplicht te beoordelen heeft geprobeerd haar opzettelijk te misleiden.

3.3 De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen op de grond dat hij niet op het bij conclusie van antwoord gestelde heeft gereageerd en dit (primaire) verweer derhalve niet (deugdelijk gemotiveerd) heeft weersproken.

4. De beoordeling van de grieven

4.1 In de memorie van grieven gaat [appellant] (voor het eerst) in op het door Unigarant in eerste aanleg bij conclusie van antwoord gevoerde verweer. Hij betwist dat hij Unigarant opzettelijk heeft misleid bij het indienen van zijn schadeclaim. Hiertoe voert hij (onder meer) het volgende aan:

"- het dameshorloge: [appellant] zou niet weten waarom hij geen dameshorloge zou mogen dragen nu hij een smalle pols heeft;

- t-shirts De nota betreft twee jogging pants en [appellant] meent dat het er weinig toe doet of het hier jogging pants of t-shirts betreft;

- gekochte goederen op 18 maart 2010: de gekochte goederen zijn zowel door cliënt is [lees: als; toevoeging hof] door zijn vriendin gekocht in die zin dat zich onder deze goederen de bagage van [appellant] bevond, zodat de geleden schade vergoed dient te worden.

Hierbij is niet van belang de plaats van aankoop e.d., doch of [appellant] de betreffende goederen bij zich had en ze zijn vermist;

- fototoestel: hierbij doet het er niet toe of [appellant] eerder foto's heeft gemaakt met dit toestel of hij het kenmerk ervan kan noemen in die zin dat [appellant] het toestel bezat, doch er geen gebruik van maakte. Dit neemt echter niet weg, dat Unigarant de schade dient te vergoeden:

(…)

4) (…)

Van belang is dat [appellant] niet precies wist wat hij had ingeplakt [lees: ingepakt; toevoeging hof];

5) [appellant] heeft naar zijn beste kunnen en weten een verklaring afgelegd;

6) Voorts heeft [appellant] in voldoende mate aangetoond dat hij de betreffende goederen heeft betaald;

7) Uiteraard heeft [appellant] niet van alle gekochte goederen de bon bewaard;

(…)".

4.2 Het hof overweegt als volgt.

Artikel 7:941 lid 5 BW bepaalt dat het recht op uitkering vervalt indien de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde een verplichting als bedoeld in de leden 1 en 2 niet is nagekomen met het opzet de verzekeraar te misleiden, behoudens voor zover de misleiding het verval van het recht op uitkering niet rechtvaardigt. In casu gaat het om de in het tweede lid neergelegde verplichting om binnen redelijke termijn de verzekeraar alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen welke voor deze van belang zijn om zijn uitkeringsplicht te beoordelen.

4.3 Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] ook in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stelling van Unigarant dat hij deze verplichting heeft geschonden met het opzet om Unigarant te misleiden, in dier voege dat hij opzettelijk goederen heeft geclaimd die niet van hem waren en niet door hem zelf zijn aangeschaft c.q. goederen die hij bij deze reis niet bij zich had en die niet bij deze reis verloren zijn gegaan.

Hierbij kent het hof doorslaggevend gewicht toe aan de het feit dat [appellant] jegens de expert heeft verklaard dat het door hem geclaimde horloge een zilverkleurig herenhorloge was, terwijl de door hem bij Unigarant ingediende aankoopnota een dameshorloge bleek te betreffen. [appellant] heeft er geen duidelijke, overtuigende verklaring voor gegeven waarom hij aanvankelijk heeft verklaard dat sprake was van een herenhorloge, terwijl later sprake zou zijn geweest van een dameshorloge. Zijn 'verweer' dat hij niet zou weten waarom hij geen dameshorloge zou mogen dragen nu hij een smalle pols heeft, vormt daarvoor - wat daarvan ook zij - in ieder geval geen verklaring. Hetzelfde geldt ten aanzien van de door hem geclaimde t-shirts en de door zijn vriendin aangeschafte goederen. Zijn op dit punt gevoerde verweer - onder 4.1 weergegeven - vormt evenmin een verklaring voor het feit dat hij twee

t-shirts claimt maar een nota van twee jogging pants overlegt, respectievelijk dat hij eerst verklaart dat hij de goederen persoonlijk heeft aangeschaft en betaald en het later zou gaan om zowel door hemzelf als door zijn vriendin gekochte goederen. Overtuigende verklaringen voor die verschillen ontbreken ook in zoverre.

4.4 Het primaire verweer van Unigarant slaagt derhalve. De overige verweren van Unigarant kunnen daarom onbesproken blijven.

4.5 Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellant], nu hij geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die tot bewijslevering nopen.

Slotsom

4.6 De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Unigarant zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 649,-

totaal verschotten € 649,- en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1 punt x € 632,- € 632,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf twee weken na betekening van deze uitspraak tot de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met nasalaris zoals nader in het dictum bepaald.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Assen, sector kanton, van 9 augustus 2011;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Unigarant vastgesteld op € 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 649,- voor verschotten, beide bedragen te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele voldoening, en tot betaling van nasalaris van de advocaat, te begroten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt en op € 199,- indien betekening plaatsvindt;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, voorzitter, K.M. Makkinga en R.A. van der Pol en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 2 april 2013 in bijzijn van de griffier.