Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6235

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
04-04-2013
Zaaknummer
200.105.273
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2011:BU7597
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van een vaststellingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.105.273

(zaaknummer rechtbank Utrecht 275636)

arrest van de eerste kamer van 2 april 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Packaging NL B.V., voorheen handelende onder de naam OTTO Packaging B.V.,

gevestigd te Venray,

appellante,

hierna: Otto,

advocaat: mr. R.H. van Muijen,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. Aldipress,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

hierna: Aldipress,

advocaat: mr. M.J. de Best.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 27 januari 2010 en 7 december 2011 die de rechtbank Utrecht tussen Otto als eiseres in conventie/verweerster in voorwaardelijke reconventie en Aldipress als gedaagde in conventie/eiseres in voorwaardelijke reconventie heeft gewezen. Het eindvonnis van 7 december 2011 is gepubliceerd onder LJN: BU7597.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 27 februari 2012,

- de memorie van grieven, tevens akte wijziging eis,

- de memorie van antwoord, tevens houdende wijziging van eis in voorwaardelijke reconventie, met producties,

- de akte, tevens houdende verweer tegen wijziging van eis.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.17 van het vonnis van 7 december 2011.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het gaat in deze zaak – kort gezegd – om het volgende. Partijen hadden van 20 mei 2005 tot 20 mei 2008 een samenwerkingsovereenkomst op grond waarvan Otto ten behoeve van Aldipress tijdschriften die door tijdschriftverkopers werden geretourneerd, zou sorteren en herverpakken. In de loop van het jaar 2006/2007 is tussen partijen verschil van inzicht ontstaan over interpretatie en uitvoering van die overeenkomst (met name op het punt van de wijze waarop de werkzaamheden dienden te worden uitgevoerd en de door Otto te hanteren tarieven). Die discussie is aanleiding geweest voor een mediationbijeenkomst op 4 april 2007. Daarbij is een finale regeling tot stand gekomen over de afrekening over de periode van 1 mei 2005 tot 1 april 2007 en over de berekeningswijze van de uit te voeren opdrachten in de periode 2 april tot 1 juli 2007. De afspraken zijn vastgesteld in de in mei 2007 ondertekende vaststellingsovereenkomst. Omwille van de duidelijkheid neemt het hof de tekst van die (reeds onder 2.2 van het eindvonnis aangehaalde) overeenkomst hier nogmaals op:

“(…)

1. Over de periode van 1 april 2007 tot 1 juli 2007 gelden - in afwijking van de desbetreffende bepalingen in de tussen partijen geldende samenwerkingsovereenkomst van 12 mei 2005, de volgende afspraken:

(…)

1.3 De not-expected retouren worden als volgt berekend:

- <20% -1,75 ct per tijdschrift

- 20 t/m 30 0 ct per tijdschrift

- > 30 % + 3,5 ct per tijdschrift

- Deze berekening gaat per week.

2. De hiervoorbedoelde samenwerkingsovereenkomst wordt op onderdelen tussen hen aldus uitgelegd dat Aldipress wegens herberekening van tarieven en nabetaling voor gemiste omzet en vergoeding van aanvullende sortering van not expected retourzendingen over de periode vanaf 1 mei 2005 tot 1 juli 2007 alsnog is verschuldigd een bedrag van 245.000 euro.

3. Dit bedrag zal tot een bedrag van 220.000 euro worden voldaan middels het inverdienen door handhaving van de huidige tarifering en wel aldus:

- vanaf 1 juli 2007 - of zoveel later als de verhuizing naar Duiven plaatsvindt - zal de huidige tarifering worden gehandhaafd;

- partijen stellen vast dat dan per verwerkt tijdschrift 1 eurocent wordt inverdiend;

- nadat 2.2 miljoen [bedoeld is: 22 miljoen, hof] tijdschriften zijn verwerkt is aldus het bedrag van 220.000 euro voldaan;

- als dit nog niet is voltooid op 1 mei 2008 zal de overeenkomst zolang worden voortgezet op deze condities totdat genoemd volume is bereikt;

- als de samenwerking wordt beëindigd voordat voornoemd bedrag is voldaan zal het restant bedrag door Aldipress aan Otto worden betaald.

4. Aldipress zal de factuur voor zoekgeraakte pallets à 25.000 euro voor eigen rekening houden.

5. Na afwikkeling van hetgeen hiervoor is omschreven verlenen partijen elkaar uitdrukkelijk finale kwijting en décharge terzake van alle aanspraken die zij over de periode tot 1 juli 2007 over en weer op elkaar mochten hebben terzake van de tussen hen bestaande overeenkomsten.

(…)”

In de periode van 1 juli 2007 tot het einde van de overeenkomst op 20 mei 2008 had Otto 20.023.789 tijdschriften verwerkt. Otto stelt zich op het standpunt dat Aldipress haar nog

€ 200.237,89 is verschuldigd voor de door haar verrichte werkzaamheden in de periode van 1 mei 2005 tot 1 juli 2007 en nog € 170.434,58 als toeslag voor ‘unexpected retouren’ (tijdschriften die vervroegd of vertraagd door de tijdschriftverkopers werden geretourneerd). In de onderhavige procedure vordert Otto op die grond betaling door Aldipress van een bedrag van in totaal € 370.672,47. Aldipress betwist die bedragen verschuldigd te zijn en heeft in eerste aanleg in voorwaardelijke reconventie gevorderd Otto te veroordelen tot vergoeding van de schade voortvloeiende uit de beslagleggingen, nader op te maken bij staat.

De rechtbank heeft de conventionele vorderingen van Otto afgewezen, de reconventionele vordering van Aldipress toegewezen en Otto – zowel in conventie als in reconventie – veroordeeld in de proceskosten. De grieven van Otto, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, richten zich tegen (de overwegingen die hebben geleid tot) die beslissingen.

4.2 Het hof zal eerst ingaan op de vordering ad € 200.237,89. Otto beroept zich ter onderbouwing van die vordering primair op (uitleg van) de vaststellingsovereenkomst, subsidiair op dwaling, meer subsidiair op de redelijkheid en billijkheid en uiterst subsidiair op onvoorziene omstandigheden.

4.3 Wat betreft de uitleg van de vaststellingsovereenkomst stelt het hof voorop dat tussen partijen vaststaat dat uitgangspunt van die overeenkomst was dat Aldipress ter zake van door Otto verrichte diensten (na verrekening met een vordering van Aldipress op Otto wegens zoekgeraakte pallets ad € 25.000,-) nog een bedrag van € 220.000,- aan Otto verschuldigd was, welk bedrag in beginsel zou worden voldaan middels ‘het inverdienen’: de door Otto te verrichten werkzaamheden zouden niet langer op haar locatie in Venray worden uitgevoerd maar op de locatie van Aldipress in Duiven. Partijen gingen ervan uit dat deze verhuizing tot een prijsvoordeel voor Otto zou leiden. Dat prijsvoordeel hebben zij gesteld op € 0,01 per verwerkt tijdschrift. Doordat Otto desondanks de gebruikelijke tarifering zou mogen handhaven, zou bij het bereiken van het volume van 22 miljoen tijdschriften het verschuldigde bedrag van € 220.000,- zijn voldaan. Nadien zou het prijsvoordeel ten goede worden gebracht van Aldipress. Indien het volume van 22 miljoen tijdschriften niet gehaald zou zijn bij het einde van de samenwerkingsovereenkomst zou Aldipress het restantbedrag betalen.

4.4 Partijen verschillen echter van mening over de vraag of ook andere oorzaken dan het niet halen van het volume van 22 miljoen tijdschriften zou kunnen leiden tot een betalingsverplichting aan de zijde van Aldipress. Aldipress is van mening dat dat niet zo is. Zij wijst erop dat in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst is vastgesteld dat door handhaving van de tarifering 1 eurocent per tijdschrift werd inverdiend. Dat vaststaande gegeven leidt ertoe dat enkel het verwerkte volume bepalend is voor de vraag wanneer zij aan haar betalingsverplichting heeft voldaan. Otto stelt zich op het standpunt dat de onder het laatste liggende streepje van artikel 3 opgenomen bepaling ertoe leidt dat altijd bezien moeten worden of het bedrag van € 220.000,- door inverdienen was voldaan. Zou dat niet het geval zijn, bijvoorbeeld doordat het prijsvoordeel van de verhuizing van de werkzaamheden anders dan partijen tevoren aannamen minder dan € 0.01 bedroeg (hetgeen volgens Otto het geval is geweest), dan zou ook in dat geval een betalingsverplichting van Aldipress jegens Otto bestaan.

4.5 De uitleg van een vaststellingsovereenkomst wordt bepaald aan de hand van het Haviltex-criterium. Voor de beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij moet ook de aard en strekking van een vaststellingsovereenkomst worden betrokken.

4.6 Het hof merkt op dat geen (gemotiveerde) grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat niet gesteld of gebleken is dat partijen tijdens de onderhandelingen die in de vaststellingsovereenkomst zijn uitgemond, hebben gesproken over de mogelijkheid dat de besparingen lager zouden uitvallen. Otto onderbouwt haar stelling dat de door haar voorgestane uitleg juist is, ook in hoger beroep enkel met de tekst van de vaststellingsovereenkomst, de afsprakenlijst van 30 mei 2007 (aangehaald onder 2.3 van het eindvonnis) en haar e-mail van 22 januari 2008, en niet met overige (tijdens de mediationbijeenkomst dan wel daarmee verband houdende onderhandelingen) door partijen over en weer gedane uitlatingen. Ook Aldipress doet haar uitleg slechts steunen op de tekst van de vaststellingsovereenkomst. Nu er derhalve geen aanknopingspunten zijn voor een – op andere verklaringen en/of gedragingen gebaseerde – van de tekst van de vaststellingsovereenkomst afwijkende bedoeling van partijen, zal het hof die tekst (in samenhang bezien van de afsprakenlijst van 30 mei 2007 en de e-mail van 22 januari 2008) tot leidraad nemen bij de beantwoording van de vraag of de vaststellingsovereenkomst inhoudt dat, ook wanneer komt vast te staan dat het gerealiseerde prijsvoordeel lager was dan het verwachte € 0.01 per tijdschrift, een betalingsverplichting van Aldipress ontstond.

4.7 Vaststaat dat het de bedoeling van partijen was dat betaling van het bedrag van

€ 220.000,- zou plaatsvinden doordat Otto totdat dat bedrag zou zijn inverdiend (ondanks lagere kosten) haar tarifering mocht handhaven. Naar het oordeel van het hof blijkt uit artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst duidelijk dat partijen in dat verband (teneinde vast te stellen wanneer dat inverdienen zou zijn voltooid) het uit de verhuizing van de werkzaamheden verwachte prijsvoordeel hebben willen fixeren op het bedrag van 1 eurocent per verwerkt tijdschrift. Op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst was immers voor beide partijen nog ongewis wat het werkelijke voordeel van de aanstaande verhuizing zou zijn. Door desondanks in artikel 3 vast te stellen dat per verwerkt tijdschrift 1 eurocent zou worden inverdiend en dat aldus € 220.000,- zou zijn voldaan nadat 22 miljoen tijdschriften zijn verwerkt, hebben partijen uitgangspunten geformuleerd aan de hand waarvan zij (zonder verdere discussie) zouden kunnen afrekenen en aldus het tussen hen gerezen geschil over onder meer de tarifering beëindigden. De bepaling dat de overeenkomst zolang zal worden voortgezet op deze conditie totdat genoemd volume is bereikt, duidt er evenzeer dat met een het prijsvoordeel van 1 eurocent per tijdschrift zou worden gerekend. Slechts ingeval de samenwerking zou worden beëindigd voordat voornoemd bedrag is voldaan, zou nabetaling moeten plaatsvinden. Nu ‘betaling plaatsvond door het inverdienen van 1 eurocent per tijdschrift, kan het laatste gedachtestreepje onder 3 redelijkerwijs niets anders betekenen dan dat ingeval het volume van 22 miljoen tijdschriften niet bereikt zou worden, een nabetaling door Aldipress zou moeten plaatsvinden. Gelet op voormelde uitgangspunten en de structuur van het artikel kan de laatste zinsnede van artikel 3 niet anders worden uitgelegd dan dat daarmee is bedoeld dat als de samenwerking wordt beëindigd voordat het bedrag van € 220.000,- is voldaan dóórdat er nog geen 22 miljoen tijdschriften zijn verwerkt, het restantbedrag door Aldipress aan Otto wordt betaald (welk restantbedrag aan de hand van de vastgestelde uitgangspunten gemakkelijk te berekenen zou zijn). Het hof verwerpt het andersluidende standpunt van Otto.

4.8 Met betrekking tot de afsprakenlijst van 30 mei 2007 leest het hof de bepaling “Mocht blijken dat het aantal verwerkte exemplaren niet toerijkend is dan zal Aldipress het resterende openstaande bedrag in overleg met OTTO alsnog verrekenen” in navolging van het bepaalde in artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst aldus dat daarmee bedoeld is dat wanneer de samenwerking zou worden beëindigd voordat 22 miljoen tijdschriften zouden zijn verwerkt, Aldipress een nabetaling aan Otto verschuldigd zou zijn. Otto heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die een andere uitleg rechtvaardigen. Otto heeft geen (gemotiveerde) grief aangevoerd tegen de (bij de letterlijke tekst van de afsprakenlijst aansluitende) overweging en de daaraan ten grondslag liggende motivering van de rechtbank dat de zinsnede “Mocht later blijken dat de gegevens die in eerste instantie door OTTO zijn verstrekt niet overeenkomen met de werkelijkheid dan is Aldipress bereid om als nog een herberekening te overwegen, zij is er echter van overtuigd dat de bestaande uitgangspunten ruimschoots zullen voldoen aan de verwachte besparing” enkel de bereidheid van een herberekening toont en geen toezegging behelst om het restant alsnog te verrekenen. Ook het hof gaat daar derhalve vanuit.

4.9 Dat Otto in haar e-mail van 22 januari 2008 (zie 2.10 van het eindvonnis) heeft aangegeven dat uit haar berekening blijkt dat het niet mogelijk is om 1 eurocent per exemplaar terug te verdienen en dat zij daarom dit bedrag in de berekeningen heeft gehalveerd (welk voorstel niet door Aldipress is geaccepteerd), biedt onvoldoende steun voor de stelling van Otto dat het ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst de bedoeling van partijen was dat Aldipress in ieder geval € 220.000,- aan Otto zou voldoen hetzij via het terugverdieneffect, hetzij door voldoening van het (restant)bedrag aan Otto op grond van artikel 3 van de vaststellingsovereenkomst.

4.10 Ook de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid maakt niet dat de vaststellingsovereenkomst op een andere wijze zou moeten worden uitgelegd. De tekst is duidelijk, van afwijkende bedoelingen is niet gebleken, en bovendien maakte deze vaststellingsovereenkomst dankzij haar vaststaande uitgangspunten overeenkomstig de bedoeling van partijen op een duidelijke wijze een einde aan het tussen partijen gerezen geschil. Dat Otto mogelijkerwijs (dat wordt door Aldipress betwist) minder heeft inverdiend dan tevoren verwacht is daartoe onvoldoende. Die mogelijkheid vloeit voort uit de door partijen gehanteerde uitgangspunten.

4.11 Daarmee komt het hof toe aan de subsidiaire grondslag van Otto, te weten dat partijen wederzijds gedwaald hebben omtrent het prijsvoordeel dat behaald zou worden door de verhuizing van de werkzaamheden. Dit beroep gaat niet op. Nog daargelaten dat het te behalen prijsvoordeel afhankelijk was van de nog uit te voeren verhuizing, en daarmee een uitsluitend toekomstige omstandigheid lijkt te betreffen, geldt dat Otto onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat bij partijen een onjuiste voorstelling bestond ten aanzien van hetgeen zij als zeker en onbetwist aan de vaststellingsovereenkomst ten grondslag hebben gelegd. Zij stelt daartoe immers enkel dat partijen ten onrechte als zeker en onbetwist hebben verondersteld dat de verhuizing van de werkzaamheden naar Duiven een besparing van 1 eurocent per verwerkt tijdschrift zou opleveren. Dat de besparing per tijdschrift 1 eurocent bedroeg stond op dat moment – voorafgaand aan de verhuizing – echter in het geheel niet vast. Otto stelt niet dat (en op grond waarvan) partijen als zekerheid aannamen dat die verhuizing precies 1 eurocent prijsvoordeel per verwerkt tijdschrift zou opleveren. Uit de vaststellingsovereenkomst in samenhang bezien met de stellingen van partijen blijkt juist dat partijen (ter beëindiging van het tussen hen gerezen geschil over onder meer de betalingsverplichting van Aldipress) het inverdieneffect enkel (schattenderwijs) hebben vastgesteld op 1 eurocent per tijdschrift.

4.12 Onder 4.9 is reeds overwogen dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid niet maakt dat de vaststellingsovereenkomst anders moet worden uitgelegd dan waartoe de tekst aanleiding geeft. Otto heeft niet voldoende gemotiveerd gesteld waarom de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ertoe zou moeten leiden dat afgeweken zou moeten worden van de door partijen in de vaststellingsovereenkomst neergelegde inverdienmethode. Het feit dat het prijsvoordeel – naar haar stelling – lager is uitgevallen dan zij tevoren had gedacht is daartoe onvoldoende. Nu de huidige situatie een (mogelijk) voortvloeisel is van de door partijen gehanteerde uitgangspunten, is er geen grond om het onaanvaardbaar te achten dat Aldipress Otto aan de overeenkomst houdt. Ook dit beroep faalt derhalve.

4.13 Tot slot heeft Otto zich nog beroepen op onvoorziene omstandigheden. Ook in dit verband merkt het hof op dat Otto onvoldoende heeft aangedragen om haar stelling dat Aldipress naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Ook in dit kader stelt zij niet meer dan dat de veronderstelde besparing is uitgebleven. Zeker gezien de aard van de afspraken (fixatie van een toekomstig prijsvoordeel ter beëindiging van een tussen partijen gerezen geschil) is dat onvoldoende om de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst te wijzigen.

4.14 Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van Otto tot betaling van € 200.237,89, dan wel de vordering tot wijziging van de vaststellingsovereenkomst in die zin dat Otto alsnog volledige betaling dient te ontvangen van € 220.000,- minus het reeds betaalde bedrag, moet worden afgewezen. Omdat Otto geen voldoende concrete feiten heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, passeert het hof het door haar, in verband met deze vordering, gedane bewijsaanbod.

4.15 Daarmee komt het hof toe aan beoordeling van de vordering ad € 170.434,58 wegens ‘unexpected retouren’. Partijen twisten over de vraag of zij bij nadere overeenkomst zijn afgeweken van de in artikel 1.3 van de vaststellingsovereenkomst opgenomen afspraak dat Otto een bedrag in rekening mocht brengen voor vervroegd of vertraagd geretourneerde tijdschriften (unexpected retouren). Tussen partijen staat vast dat die afspraak inhield dat een bedrag in rekening gebracht mocht worden indien er minder dan 20% dan wel meer dan 30% unexpected retouren waren. Aldipress onderbouwt haar stelling dat partijen die afspraak met ingang van week 31 van 2007 hebben laten vallen, door te verwijzen naar de (onder 2.4 en 2.5 van het eindvonnis opgenomen) e-mailwisseling van 8 augustus 2007 en 22 augustus 2007. Op grond van die e-mailberichten (Otto heeft in haar e-mail van 8 augustus 2007 aangegeven dat de naberekening “Unexpected” stopt met ingang van week 31), in samenhang bezien met het thans vaststaande gegeven dat Otto met ingang van week 31 van 2007 ook daadwerkelijk is gestopt met het verzenden van facturen voor unexpected retouren (eerst in mei 2009 heeft Otto een nacalculatie van de unexpected retouren gestuurd), acht het hof voorshands bewezen dat partijen er in onderling overleg voor hebben gekozen dat vanaf week 31 2007 geen bedrag meer in rekening zou worden gebracht voor unexpected retouren. Dit wordt nog ondersteund door het e-mailbericht van Otto van 21 september 2007 (2.6 van het eindvonnis), waarin met betrekking tot voormelde ‘minder dan 20% of meer dan 30% unexpected-regeling’ is opgemerkt dat voorgesteld wordt te stoppen met het sturen op verhouding expected en unexpected en met dit verhoudingspercentage in de facturen niet meer te rekenen, en door de e-mail van Otto van 29 juli 2009 (2.13 van het eindvonnis) waarin [werknemer appellant] (destijds werkzaam bij Otto) met betrekking tot het doorbelasten van de toeslag van € 0.0350 als er meer dan 30% unexpected werd ontvangen, heeft opgemerkt dat hij (mede vanwege een onbetrouwbare rapportage) is gestopt met het doorbelasten van te veel aan unexpected.

Nu Otto bewijs heeft aangeboden van haar stelling dat geen nadere afspraak van voormelde aard tot stand is gekomen (omdat onder meer een onderscheid moet worden gemaakt tussen een staffeltoeslag en het in rekening brengen van unexpected retouren), zal het hof haar in de gelegenheid stellen tegenbewijs te leveren tegen voormeld voorshands bewijsoordeel.

4.16 Voor het geval Otto daarin niet zal slagen zal het hof nu reeds ingaan op het verweer van Otto dat [werknemer appellant] niet de bevoegdheid had voormelde afspraak te maken en dat Aldipress ook niet redelijkerwijs mocht aannemen dat er een toereikende volmacht was verleend. Aldipress heeft deze stellingen weersproken. Zij heeft er bij memorie van antwoord onder meer op gewezen dat in de afsprakenlijst d.d. 30 mei 2007 uitdrukkelijk vermeld staat dat [werknemer appellant] het onderwerp “Opslag unexpected” verder zal afhandelen met [werknemer geïntimeerde] van Aldipress. [werknemer appellant] was in die afsprakenlijst ook naar voren geschoven ten aanzien van het maken van nadere afspraken omtrent het meerwerk, zonder dat daarin een nadere beperking aan de bevoegdheden van [werknemer appellant] was gesteld. Vervolgens heeft ook een e-mailwisseling tussen [werknemer appellant] en [werknemer geïntimeerde] plaatsgevonden over de naberekening unexpected. Volgens Aldipress mocht zij er dus op vertrouwen dat [werknemer appellant] Otto vertegenwoordigde bij het maken van de afspraken over het niet meer in rekening brengen van de toeslag. Nu Otto nog niet in de gelegenheid is gesteld op dit, eerst bij memorie van antwoord gevoerde verweer in te gaan, zal het hof haar daartoe in de gelegenheid stellen.

4.17 Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

stelt Otto in de gelegenheid bij akte nader in te gaan op de stelling van Aldipress dat, wat betreft de afspraken omtrent de toeslag ‘unexpected retouren’ sprake is van een aan Otto toerekenbare schijn van volmachtverlening aan [werknemer appellant];

verwijst de zaak daartoe naar de rol van 7 mei 2013;

laat Otto toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands oordeel dat partijen er in onderling overleg voor hebben gekozen dat vanaf week 31 van 2007 geen bedrag meer in rekening zou worden gebracht voor unexpected retouren;

bepaalt dat, indien Otto uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, zij die stukken op de roldatum 7 mei 2013 in het geding dient brengen;

bepaalt dat, indien Otto dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. L.J. de Kerpel-van de Poel, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat Otto het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal/zullen opgeven op de roldatum 16 april 2013, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat Otto overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.C. Frankena, L.J. de Kerpel-van de Poel en Ch.E. Bethlem en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 april 2013.