Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6151

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
03-04-2013
Zaaknummer
200.123.941/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nietige dagvaarding in appel. Obscuur libel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.123.941/01

arrest van de eerste kamer van 2 april 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.J. van Balen, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

niet verschenen.

1. Het procesverloop

1.1 [appellant] heeft op 22 maart 2013 ter griffie de appeldagvaarding d.d. 7 maart 2013 met bijbehorend H-formulier, een akte in incident houdende bewijsbijlagen, alsmede een peremptoirstelling van mr. R.W. Lagerwaard te Roden ingediend.

1.2 Deze dagvaarding is ter griffie ingeboekt onder het hiervoor vermelde zaaknummer. De dagvaarding richt zich kennelijk tot [geïntimeerde], voornoemd, die in die dagvaarding wordt opgeroepen om te verschijnen voor de zitting van het hof van 26 maart 2013.

Op die zitting is geen geïntimeerde verschenen.

2. Beoordeling geldigheid appeldagvaarding

2.1 Het hof is van oordeel dat het appelexploot nietig moet worden verklaard. Het hof zal dan ook geen verstek verlenen aan [geïntimeerde]. Het hof overweegt daartoe als volgt.

2.2 Blijkens de vermelding op het exploot van de dagvaarding heeft toegevoegd kandidaat deurwaarder [naam] op 7 maart 2013 getracht de appeldagvaarding in persoon uit te brengen aan [geïntimeerde] aan [adres]. De woorden “sprekende met” in het exploot zijn doorgehaald en die doorhaling is voorzien van een paraaf, waarvan het hof aanneemt dat deze van genoemde deurwaarder afkomstig is.

Vervolgens is er een strook papier op het exploot geplakt, zonder enige paraaf of ander teken van wie die strook afkomstig is. De opgeplakte tekst luidt als volgt:

"Deze terstond per post verzonden in een gesloten envelop met daarop de vermeldingen als wettelijke voorgeschreven, omdat ik aldaar niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten en ik tevens geen brievenbus aantrof”

Als al mag worden aangenomen dat dit plaksel door de deurwaarder voornoemd is aangebracht – het exploot biedt daarover geen duidelijkheid – dan bestaat vervolgens in het geheel geen zekerheid dat de dagvaarding de beoogde wederpartij heeft bereikt. Immers als op het vermelde adres geen brievenbus aanwezig is, valt ook niet in te zien dat de postbode de appeldagvaarding wel heeft kunnen bezorgen. Het hof wijst erop dat de achterlating van het exploot ter plaatse als bedoeld in artikel 47 Rv, eerste lid, niet noodzakelijk in de brievenbus behoeft. De deurwaarder had ook op andere wijze (onder de deur doorschuiven, aan de voordeur bevestigen) kunnen pogen een exemplaar achter te laten van de appeldagvaarding.

Nu in dit geval is gekozen voor de bezorging ter post terwijl de deurwaarder heeft vastgesteld dat een brievenbus ontbreekt, kan het hof er niet van uitgaan dat de dagvaarding [geïntimeerde] heeft bereikt.

2.3 Voorts is inhoudelijk de appeldagvaarding zodanig gebrekkig dat daarop de aanduiding “obscuur libel” van toepassing is.

2.4 [appellant] komt bij dit exploot in hoger beroep “van de vonnissen d.d. 14-2-13 van de Rechtbank Noord-Nederland te Groningen, afdeling Kanton nr. 353179 CV EXPL08-1710 en 369873 CV EXPL 08-9151, aanvullend aan die van 353179 CV EXPL08-1710 en 353557 CV EXPL 08-1785 en in Kort Geding 1-3-2013 tussen [geïntimeerde] voornoemd als eiser, gedaagde in reconventie en gedaagde, eiser in reconventie en [appellant] voornoemd als gedaagde, eiser in reconventie en eiser, gedaagde in reconventie en eiser in vrijwaring jegens [X]”.

2.5 Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad mag bij één exploot hoger beroep van meerdere vonnissen worden ingesteld indien zij tussen dezelfde partijen zijn gewezen of op dezelfde dag zijn gewezen en de zaken een bepaalde samenhang vertonen.

2.6 [appellant] komt bij dit exploot op tegen het eindvonnis van de kantonrechter in een huurgeschil d.d. 14 februari 2013 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde (nr. 353179 CV EXPL 08-1710) en tegen een kort-gedingvonnis, gewezen tussen dezelfden, betreffende een beslaggeschil (nr. C/18/138521 / KG ZA 13-10) d.d. 1 maart 2013. Dit is nog redelijk eenduidig.

2.7 Deze twee zaken zouden inderdaad in één appeldagvaarding aan het hof kunnen worden voorgelegd (waarna ze twee nummers behoren te krijgen en er ook tweemaal griffierecht dient te worden geheven).

2.8 In eerstgenoemde bodemzaak (nr. 353179 CV EXPL 08-1710) is op 24 mei 2012 een tussenvonnis gewezen – en een eindvonnis in reconventie waartegen beide partijen reeds afzonderlijk van elkaar hoger beroep hebben ingesteld, welke procedures thans nog op de rol van het hof staan zonder dat arrest is gewezen – dat ook in dat appel kan worden meegenomen.

2.9 De overige genoemde zaaknummers zijn meer problematisch van aard. Zaaknummer 369873 CV EXPL 08-9151 daarentegen is een vonnis in vrijwaring gewezen tussen [appellant] en [X]. Van dit vonnis kan [appellant] niet met een exploot gericht aan [geïntimeerde] (die daar immer geen partij bij is) in hoger beroep komen.

2.10 Zaaknummer 353557 CV EXPL 08-1785 is blijkens het vonnis van 24 mei 2012 een ten onrechte gevoerde parallelle zaak met [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde, die [appellant] op 20 maart 2008 vergeefs heeft getracht in te trekken. In het vonnis van 24 mei 2012 overweegt de kantonrechter dat de vorderingen in die zaak worden afgewezen.

Nu tegen het vonnis van 24 mei 2012 door partijen reeds eerder appel is ingesteld voor zover dat als een eindvonnis is aan te merken, kan [appellant] daarvan thans niet andermaal in appel komen.

2.11 Het appelexploot bevat voorts een feitelijk resumé dat is “onderverdeeld” in paragrafen die met hoofdletters zijn genummerd. De eerste hoofdletter is evenwel de “E” en de laatste de “T”. Waar de paragrafen A tot en met D zijn gebleven, is volstrekt onduidelijk.

2.12 Verder bevat het exploot een aantal genummerde (1 tot en met 9) grieven waarbij soms staat aangegeven tegen welk vonnis zij gericht zijn, en soms niet. Bovendien worden deze grieven voorafgegaan door de mededeling dat zij zijn geformuleerd “onder voorbehoud van aanvulling en nadere onderbouwing”. Dit voorbehoud verdraagt zich niet met de “twee-conclusieregel” van de Hoge Raad.

2.13 Ten slotte bevat het exploot, op pagina 11 een vordering die in deze appelprocedures niet kan worden ingesteld.

Na het tweede gedachte streepje vordert [appellant] “de ontbinding van de huurprijsovereenkomst per 1 februari 2006 wegens [geïntimeerde]s bedrog en bij [appellant] opgewekte dwaling.” In alle procedures waarvan [appellant] kennelijk appel wil instellen (behalve de verder niet tegen [geïntimeerde] gerichte vrijwaringsprocedure) is [appellant] evenwel gedaagde, zodat hij in appel niet voor het eerst als eiser op kan treden. Voor zover [appellant] thans dit exploot mogelijk mede wil aanmerken als een eisvermeerdering in de zijn parallelle procedure tegen de afwijzing van zijn reconventionele vordering bij het meergenoemd vonnis van 24 mei 2012 (ingeschreven onder nummer 200.114.675/01) – een ander valt niet direct in het exploot te lezen, maar de vordering in die procedure wordt wel integraal in het petitum herhaald zodat dit ook bepaald niet valt uit te sluiten - is dit evenmin mogelijk.

3. De slotsom

3.1 Het hof verklaart de inleidende dagvaarding van 7 maart 2013 nietig, nu niet vaststaat dat deze op juiste wijze is uitgebracht en evenmin dat dit exploot [geïntimeerde] heeft bereikt (artikel 343 Rv in samenhang met artikel 121 Rv, derde lid), terwijl daarnaast de dagvaarding ten onrechte beoogt appel in te stellen van een vonnis dat niet tegen [geïntimeerde] is gewezen en het een duidelijke eis ontbeert (artikel 111 d Rv).

3.2 Nu de appeltermijnen nog niet zijn verstreken kan [appellant] een nieuwe appeldagvaarding doen uitbrengen, waarbij het hof [appellant] wijst op de mogelijkheid die artikel 63 Rv biedt.

3.3 De voorlopige voorzieningen die [appellant] verzoekt alsmede zijn onjuiste peremptoirstelling behoeven bij deze stand geen verdere bespreking.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de appeldagvaarding van 7 maart 2013 nietig.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, L. Janse en G. van Rijssen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 2 april 2013 in bijzijn van de griffier.