Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ5552

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
05-04-2013
Zaaknummer
200.105.904
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg beding in aandelenovereenkomst. Haviltex-maatstaf. Aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.

De uitleg van de overeenkomst enerzijds en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid anderzijds behoeven niet altijd scherp te worden onderscheiden en kunnen in elkaar overlopen als het gaat om de bepaling van de uit de overeenkomst tussen partijen voortvloeiende rechtsgevolgen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/218
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.105.904

(zaaknummer rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Arnhem 221180)

arrest van de eerste kamer van 2 april 2013

inzake

de vennootschap naar Belgisch recht

Belpharma S.A.,

gevestigd te Ukkel, Brussel (België),

appellante,

advocaat: mr. M.H.J. van den Horst,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Amville Holdings B.V.,

gevestigd te Breda,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.J.L. Mulderink.

Partijen zullen hierna Belpharma en Amville genoemde worden.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de tussen Amville als eiseres en Belpharma als gedaagde gewezen vonnissen van de rechtbank Utrecht van 3 augustus 2011, 28 september 2011, 26 oktober 2011 en 4 april 2012.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 23 april 2012;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord met een productie;

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities.

2.2 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald. Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem.

3 De vaststaande feiten

Voor de vaststaande feiten verwijst het hof naar de feiten zoals die door de rechtbank in het bestreden eindvonnis van 4 april 2012 onder 2.1 tot en met 2.5 zijn vastgesteld.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Bij overeenkomst van 30 juli 1998 (hierna: de overeenkomst) heeft Amville haar aandelen in [Y] Pharma B.V. (hierna: [Y]) verkocht aan Belpharma. In artikel 2.6 van de overeenkomst is het volgende beding opgenomen:

Vendor and Purchaser recognize that there is a proceeding pending between the Company [[Y], hof] against Chauvin Benelux S.A. (Belgium) and Chauvin Ltd. (England), hereinafter referred to as “Chauvin”. If the claim will be allowed and if the Company receives an amount of money, 50% shall be paid by Purchaser to Vendor. The Company and Purchaser shall use its best efforts to bring this legal procedure to a maximum result. Vendor and Purchaser have to decide together on taking (further) legal action by mutual agreement. In case of a conciliatory settlement between Chauvin and the Company or Purchaser, Purchaser will pay to Vendor an amount of BFR. 2.000.000,-- (in words: two million Belgian francs).

4.2 De in artikel 2.6 van de overeenkomst bedoelde procedure is gevoerd voor de Rechtbank van Koophandel te Brussel. De Rechtbank van Koophandel heeft in die procedure bij vonnis van 24 december 1998 geoordeeld dat de vordering van Chauvin dient te worden afgewezen. Op de tegeneis van [Y] heeft de Kamer van Koophandel voor recht verklaard dat de eenzijdige buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomsten van 23 juni 1995 en avenant van 17 januari 1996 door Chauvin onrechtmatig was. De Kamer van Koophandel oordeelde dat Chauvin tot schadevergoeding gehouden is en voor de berekening van de schadevergoeding heeft de Rechtbank van Koophandel een deskundige benoemd. Het hoger beroep van Chauvin tegen dit vonnis is door het Hof van Beroep te Brussel afgewezen. De deskundige heeft bij rapport van 25 juni 2007 de schade berekend op NLG 725.375,88, te vermeerderen met rente en kosten. Nadat de deskundige zijn rapport had uitgebracht, hebben partijen nog geconcludeerd na expertise waaruit bleek dat Chauvin zich kon neerleggen bij het door de deskundige berekende schadebedrag. De advocaten van [Y] en Chauvin zijn vervolgens in onderhandeling getreden en hebben een minnelijke regeling bereikt. Uit hoofde van die regeling heeft Chauvin op 12 september 2008 aan [Y] een bedrag van € 617.149,39 betaald en is de procedure geroyeerd.

4.3 Amville heeft aanspraak gemaakt op de helft van het schikkingsbedrag, verminderd met proceskosten, en gevorderd dat Belpharma wordt veroordeeld tot betaling van € 305.679,45, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat nu Belpharma Amville niet heeft betrokken in de schikking en de daarmee samenhangende doorhaling van de procedure, Belpharma zich jegens Amville naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet kan beroepen op de aan de schikking gekoppelde beperking van haar betalingsverplichting tot een bedrag van BFR. 2.000.000. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [bedoeld zal zijn] Belpharma, door een schikking met Chauvin aan te gaan, heeft belet dat de vordering van [Y] kon worden toegewezen en dat, mede gelet op artikel 6:23 BW, Amville aanspraak heeft op 50% van de volle vordering van de vennootschap. Nu het gevorderde bedrag lager lag, is dit bedrag door de rechtbank volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, richten zich de grieven in het hoger beroep.

4.4 Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de rechtsgevolgen van artikel 2.6 van de overeenkomst, in het licht van de tussen Chauvin en [Y] bereikte regeling. De rechtsgevolgen van de overeenkomst worden allereerst bepaald door hetgeen partijen zijn overeengekomen. De vraag wat partijen zijn overeengekomen kan niet worden beantwoord op grond van enkel een (taalkundige) uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Ook waar de overeenkomst is gesloten tussen twee professionele partijen - in welk geval, zoals Belpharma terecht heeft aangevoerd, aan de tekst van de overeenkomst onder omstandigheden een zwaarder gewicht kan toekomen - komt het bij de uitleg van de overeenkomst aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid, en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol. Voorts geldt dat een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de redelijkheid en billijkheid voortvloeien. De uitleg van de overeenkomst enerzijds en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid anderzijds behoeven niet altijd scherp te worden onderscheiden en kunnen in elkaar overlopen als het gaat om de bepaling van de uit de overeenkomst tussen partijen voortvloeiende rechtsgevolgen.

4.5 Partijen hebben in artikel 2.6 van de overeenkomst voorzien in twee situaties, namelijk in de situatie dat een “conciliatory settlement” is bereikt enerzijds en in de situatie dat “the claim [is] allowed” anderzijds. Vast staat dat door [Y] een tussenvonnis is verkregen waarin de aansprakelijkheid van Chauvin is vastgesteld en waarbij een deskundige is opgedragen om de schade te berekenen. Nadat de deskundige zijn rapport had uitgebracht, hebben partijen een regeling getroffen waarbij het door de deskundige berekende bedrag als uitgangspunt heeft gediend (zoals Belpharma ter gelegenheid van de comparitie van partijen is eerste aanleg heeft erkend) en waarbij het schikkingsbedrag bij benadering het door de deskundige berekende bedrag vermeerderd met rente en kosten betrof. Aldus is een situatie ontstaan waarbij bij tussenvonnis wel reeds is vastgesteld dat Chauvin jegens [Y] aansprakelijk is (en dus reeds in rechte is vastgesteld dat [Y] jegens Chauvin een vordering heeft en in zoverre zou kunnen worden gezegd dat de “claim is allowed”) maar waarbij de hoogte van de toe te wijzen vordering nog niet concreet is bepaald en waarbij partijen, na kennisneming van het deskundigenbericht, op basis van dat deskundigenbericht een regeling hebben getroffen (en dus in zoverre sprake is van een “conciliatory settlement”).

4.6 In de procedure tussen Chauvin en [Y] waren over en weer vorderingen (hoofdeis en tegeneis) ingesteld. Bij het sluiten van de overeenkomst verkeerden partijen nog in onzekerheid over de uitkomst van deze procedure. Blijkens de ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep niet betwiste verklaring van [X] (productie bij memorie van antwoord) was het de bedoeling van partijen dat elke betaling die uit hoofde van dit geschil aan Bourbonville zou worden voldaan tussen partijen zou worden verdeeld. De clausule dat ingeval van een regeling tussen partijen een vast bedrag aan Amville zou worden betaald, was opgenomen “pour indemniser le vendeur en cas d’abandon des poursuites ou de la reprises de la distribution par le nouvel acquéreur qui pouvait être en position de conflit d’interêt vis-à-vis du vendeur.” Het hof begrijpt de overeenkomst tussen partijen, mede gelet op die verklaring, aldus dat ingeval Bourbonville/Belpharma het procesrisico in de procedure tegen Chauvin, waarin zij ook het risico liep dat de vorderingen van Chauvin zouden worden toegewezen, wenste af te kopen (mogelijk mede met het oog op andere belangen van Belpharma in haar verhouding met Chauvin) Amville een vast bedrag van BFR 2.000.000 zou ontvangen. Indien Belpharma evenwel de procedure zou voortzetten en daaruit een bedrag zou ontvangen, zou Amville recht hebben op de helft van het te ontvangen bedrag. De door Belpharma voorgestane uitleg, waarbij de “conciliatory settlement”-clausule van toepassing zou zijn in alle gevallen dat een regeling zou worden bereikt in welke fase van de procedure dan ook, en Amville in al die gevallen dus slechts recht zou hebben op het forfaitaire bedrag, zou Belpharma de mogelijkheid geven om ook nadat in de procedure al een vergaande mate van zekerheid over de uitkomst zou zijn verkregen (of zelfs nog nadat eindvonnis was gewezen en een partij daartegen in hoger beroep zou zijn gegaan), met Chauvin een voor haar gunstige regeling te treffen en zodoende het recht van Amville op de helft van het toe te wijzen (of zelfs al toegewezen) bedrag teniet te doen. Deze uitleg is zo weinig voor de hand liggend dat het op de weg van Belpharma had gelegen om nadere feiten en omstandigheden aan te voeren die deze uitleg rechtvaardigen. Dat heeft zij evenwel onvoldoende gedaan. De omstandigheden dat de overeenkomst is gesloten tussen professionele partijen, dat (een juridisch adviseur van) Amville de overeenkomst heeft opgesteld en dat Amville zich ook overigens liet bijstaan door deskundigen, zijn in dit verband onvoldoende. Dat Belpharma zich veel inspanningen heeft moeten getroosten om jegens Chauvin een positief resultaat te bereiken, doet aan het voorgaande evenmin af. Partijen zijn artikel 2.6 van de overeenkomst nu juist overeengekomen met het oog op de lopende procedure. Dat voor het bereiken van het meest gunstige resultaat inspanningen vereist waren, ligt voor de hand en is eigen aan het voeren van een procedure. Belpharma had zich, zoals hierna nog aan de orde zal komen, bovendien tot het verrichten van die inspanningen verplicht.

4.7 Dat partijen niet beoogd hebben om een (zonder ruggespraak met Amville) door Belpharma getroffen regeling - nadat reeds bij tussenvonnis de vorderingen van Chauvin waren afgewezen, de aansprakelijkheid van Chauvin was vastgesteld en door een gerechtelijke deskundige de schade reeds was berekend - onder de reikwijdte van de “conciliatory settlement”-clausule te brengen, kan ook worden afgeleid uit de eveneens in artikel 2.6 van de overeenkomst opgenomen clausule dat Amville en Belpharma gezamenlijk en in onderlinge overeenstemming beslissen over “(further) legal action”. Het hof vermag niet in te zien dat bij een redelijke uitleg onder het begrip “(further) legal action” alleen het instellen van een procedure of van rechtsmiddelen zou moeten worden begrepen. Deze bewoordingen moeten immers worden bezien in de context. De clausule is opgenomen na de zinsnede dat [Y] en Belpharma hun uiterste best zullen doen om in de procedure een maximaal resultaat te behalen en direct voorafgaand aan de “conciliatory settlement”-clausule. In het licht van de bepaling als geheel, en in aanmerking nemend dat de procedure al aanhangig was, valt dit veeleer te lezen als waarborg voor Amville dat Belpharma in de procedure tegen Chauvin geen juridische stappen zou (laten) zetten waarmee Amville, gelet op haar belang bij een zo gunstig mogelijk resultaat, zich niet zou kunnen verenigen. Daaronder valt ook het niet voortzetten van de procedure als gevolg van een regeling en het dientengevolge royeren van de procedure. Dat Amville niet behoefde mee te betalen aan de procedure, leidt niet tot een andere uitleg. De mogelijkheid dat Amville, zoals Belpharma bij pleidooi in hoger beroep nog heeft aangevoerd, zonder procesrisico en -kosten een regeling zou kunnen blokkeren, biedt eveneens onvoldoende steun aan de uitleg van Belpharma. Dat laat immers onverlet dat beide partijen - en dus ook Amville - belang hielden bij het meest gunstige resultaat en dat het niet voor de hand ligt dat Amville een regeling zou blokkeren indien niet aannemelijk zou zijn dat doorprocederen een beter eindresultaat zou opleveren. Dat in dat geval Belpharma meer (proces)kosten zou moeten maken, is inherent aan de omstandigheid dat Belpharma zich heeft verbonden om zich in te spannen in de procedure een maximaal resultaat te behalen en dat partijen niet hebben afgesproken dat de proceskosten (naar evenredigheid) op het aan Amville toekomende deel in mindering zouden worden gebracht. Het is zeer aannemelijk dat Amville, gelet op de reeds bij tussenvonnis genomen (en in hoger beroep bekrachtigde) beslissingen en de inhoud van het deskundigenbericht, niet zou hebben ingestemd met de door Belpharma getroffen regeling indien dit tot gevolg zou hebben dat zij slechts BFR 2.000.000 zou ontvangen. Zij had in dat geval immers in redelijkheid kunnen verlangen dat partijen het op een eindvonnis zouden laten aankomen. Weliswaar was de rechter niet gehouden om het deskundigenbericht te volgen maar omstandigheden op grond waarvan de rechter aanleiding zou hebben gezien om van het deskundigenrapport af te wijken, zijn gesteld noch gebleken. Het staat ook vast dat het deskundigenrapport bij de onderhandelingen over de regeling tot uitgangspunt heeft gediend. De stelling dat Belpharma de regeling is aangegaan in verband met de slechte solvabiliteitspositie van Chauvin heeft Belpharma, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Amville, onvoldoende onderbouwd.

4.8 Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst hebben bedoeld om de regeling zoals door Belpharma met Chauvin in die stand van de procedure bereikt, onder de reikwijdte van de “conciliatory settlement”-clausule te laten vallen. Een redelijke uitleg van de overeenkomst brengt juist met zich dat de situatie waarbij onder voornoemde omstandigheden een regeling wordt bereikt, gelijk moet worden gesteld aan de situatie dat de “claim [was] allowed”. Dat partijen niet bedoeld hebben om de door Belpharma met Chauvin bereikte regeling onder het bereik van de “conciliatory settlement”-clausule te brengen, maar juist onder de situatie dat de “claim [was] allowed” wilden scharen, vindt bovendien steun in de kort na het bereiken van de regeling zijdens Belpharma aan [Y] verzonden brief d.d. 30 oktober 2008 (productie 8 bij inleidende dagvaarding), die een reactie vormde op de brieven van [Y] d.d. 17 en 28 oktober 2008 (producties 5 en 7 bij inleidende dagvaarding). Uit deze briefwisseling kan worden opgemaakt dat partijen op dat moment er van uit gingen dat zou worden afgerekend op basis van 50% van het schikkingsbedrag (zij het, wat Belpharma betreft, na aftrek van kosten). Pas bij brief van 16 januari 2009 heeft Belpharma zich op het standpunt gesteld dat slechts een bedrag van BFR 2.000.000 verschuldigd zou zijn.

4.9 Dit betekent dat Amville op goede gronden aanspraak heeft gemaakt op de helft van het schikkingsbedrag. Voor het daarop in mindering brengen van door Belpharma gemaakte kosten (anders dan de proceskosten die in de vordering van Amville reeds op het bedrag in mindering zijn gebracht), zoals door Belpharma bepleit, ziet het hof geen grond. Partijen zijn dit niet overeengekomen, zoals ook Belpharma bij memorie van grieven onder 26 onderkent, en door Belpharma zijn, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.7 reeds is geoordeeld, onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd die dit op grond van (de aanvullende of beperkende werking van) de redelijkheid en billijkheid anders maken.

4.10 De slotsom is dat het hoger beroep faalt. Door Belpharma zijn niet voldoende concreet en specifiek feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere conclusie aanleiding zouden kunnen geven. De grieven behoeven voor het overige geen bespreking meer. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Belpharma zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, vermeerderd met de gevorderde en niet betwiste wettelijke rente.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Utrecht van 4 april 2012;

veroordeelt Belpharma in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Amville vastgesteld op € 4.836 voor verschotten en op € 9.789 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten tarief VI), te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest zijn voldaan;

verklaart dit arrest wat betreft voornoemde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, L.M. Croes en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 april 2013.