Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4776

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2013
Datum publicatie
20-03-2013
Zaaknummer
200.078.561/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Budgetbeheer door gemeente sociale werkvoorziening. Normen voor een goed budgetbeheerder. Geen causaal verband tussen gebrekkig budgetbeheer en woningontruiming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.078.561/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 426899/CV EXPL 09-16843)

arrest van de eerste kamer van 19 maart 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. B. van Dijk, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Gemeente Groningen,

zetelende te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de gemeente,

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1. Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van

24 februari 2010 en 4 augustus 2010 van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter).

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 1 november 2010,

- de memorie van grieven d.d. 10 april 2012;

- de memorie van antwoord d.d. 25 september 2012;

- een akte van [appellant] van 6 november 2012.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3 De vordering van [appellant] luidt:

"het vonnis waarvan appel te vernietigen en de vordering van appellant in eerste aanleg alsnog toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten van deze procedure".

2.4 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

3. De vaststaande feiten

Tegen de weergave van de tussen partijen vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.7) van genoemd vonnis van 4 augustus 2010 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden:

3.1 [appellant], geboren [in 1983], is van 23 april 2001 tot 31 maart 2007 in dienst geweest van de DSW Stadspark, de gemeentelijke Sociale Werkvoorziening (verder DSW).

3.2 [appellant] lijdt aan psychiatrische problemen.

3.3 Op 13 september 2004 is [appellant] arbeidsongeschikt geraakt voor zijn werkzaamheden bij DSW. De arbeidsovereenkomst tussen DSW en [appellant] is met toestemming van het CWI beëindigd nadat de arbeidsongeschiktheid meer dan twee jaar had geduurd.

3.4 DSW heeft van juni 2003 tot en met augustus 2006 budgetbeheer voor [appellant] gevoerd.

In dat kader heeft DSW aanvankelijk de huur en verdere vaste lasten voor [appellant] betaald en kreeg [appellant] een weekgeld dat per kas werd uitbetaald.

3.5 Met ingang van mei 2005 heeft DSW het loon van [appellant] weer per bank uitbetaald en is zij gestopt met het betalen van de huur van [appellant].

[appellant] heeft daarna een huurachterstand laten ontstaan, waarbij een ontruiming dreigde. In oktober 2005 heeft DSW de huurachterstand aan de verhuurder voor [appellant] betaald.

Daarna heeft [appellant] wederom geen huur betaald, wat op 1 augustus 2006 tot een ontruiming van de door [appellant] gehuurde woning heeft geleid.

4. De vordering in eerste aanleg

4.1 [appellant] heeft gesteld dat DSW op onjuiste wijze zijn budgetbeheer ter hand heeft genomen en onvoldoende inzicht heeft gegeven in de wijze waarop dat beheer is gevoerd. Volgens [appellant] is het de schuld van DSW dat hij is ontruimd.

4.2 [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de gemeente rekening en verantwoording aflegt voor het door DSW gevoerde budgetbeheer, dat de gemeente wordt veroordeeld om aan eiser het bedrag te betalen waarop hij blijkens de rekening en verantwoording aanspraak zal hebben, te vermeerderen met wettelijke rente, en dat de gemeente wordt veroordeeld tot betaling van de ontruimingskosten ad € 1.802,68 als vergoeding van de materiële door hem geleden schade en voor een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag als immateriële schade, eveneens vermeerderd met wettelijke rente.

4.3 De gemeente heeft in de conclusie van antwoord, vergezeld van vele bijlagen, rekening en verantwoording afgelegd van het gevoerde budgetbeheer.

De rekening en verantwoording sluit op een negatief saldo van € 1.668.94, in die zin dat de gemeente meer heeft betaald aan [appellant] en diens crediteuren dan het hem toekomende loon.

De gemeente heeft betwist dat zij verantwoordelijk is voor de ontruiming van de woning van [appellant].

4.4 De kantonrechter heeft geoordeeld dat DSW het loon van [appellant] correct heeft beheerd. DSW was vrij om de huurbetaling te stoppen toen het loon van [appellant] niet meer toereikend was voor alle betalingen. Uiteindelijk heeft de kantonrechter alle vorderingen van [appellant] afgewezen.

5. Ten aanzien van grief I

5.1 In deze grief keert [appellant] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat DSW op voldoende wijze rekening en verantwoording heeft afgelegd. In concreto stelt [appellant] dat hij een bedrag van € 700,-, dat hem volgens DWS op 25 mei 2005 in contanten is uitbetaald, niet heeft ontvangen.

5.2 Het hof overweegt dat [appellant] in appel zijn eis ten opzichte van de eerste aanleg niet heeft gewijzigd. DSW heeft rekening en verantwoording afgelegd en deze rekening en verantwoording sluit op een bedrag van € 1.668.94 dat DSW teveel ten behoeve van [appellant] heeft uitgekeerd. De kantonrechter is verder van dit bedrag uitgegaan en daartegen heeft [appellant] geen concrete grieven gericht.

5.3 Zelfs indien zou kloppen dat [appellant] genoemd bedrag van € 700,- niet zou hebben ontvangen, dan nog resteerde een bedrag in zijn nadeel van bijna € 1.000,- , zodat hij ook in dat geval, mede gelet op zijn vordering (betaling van "het bedrag waarop hij blijkens de rekening en verantwoording aanspraak zal hebben") nog steeds niets te vorderen heeft.

5.4 DSW heeft overigens een getekende kwitantie overgelegd van deze uitbetaling per kas (bestemd voor een nieuwe wasmachine). [appellant] heeft de echtheid van deze handtekening niet ontkend, zodat de ontvangst van dat bedrag daarmee afdoende vast staat. Daarop strandt de grief.

6. Ten aanzien van de grieven II en III

6.1 Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij hebben beide betrekking op de omvang van het budgetbeheer en de vraag wat van de budgetbeheerder mag worden verlangd. Volgens [appellant] had DSW nooit mogen kiezen om de huur niet langer voor hem te betalen en had ook DSW de voorwaarden van het budgetbeheer schriftelijk dienen vast te leggen.

6.3 De gemeente betwist dat zij concretere afspraken had moeten maken en dat [appellant] wist dat de huur niet meer door de DWS zou worden betaald. Volgens de gemeente heeft DSW erop aangedrongen dat [appellant] zich onder bewind zou laten stellen en contact op zou moeten nemen met de gemeentelijke kredietbank.

6.4 Het hof overweegt dat DSW niet louter als werkgever voor haar werknemer bepaalde betalingen heeft verricht, maar daadwerkelijk budgetbeheer heeft uitgeoefend. Hoewel DSW het doet voorkomen dat zij belangeloos als Sociale Werkvoorziening-werkgever extra zorgtaken als vrijwillig budgetbeheer op zich heeft genomen, heeft zij niet weersproken dat zij daarvoor € 100,- per maand in rekening heeft gebracht (conclusie van repliek onder 22).

Onder deze omstandigheden mocht [appellant] er aanspraak op maken dat DSW zich als een goed budgetbeheerder diende te gedragen, gelet op het bepaalde in artikel 7:401 BW.

6.5 Met [appellant] is het hof van oordeel dat DSW op de twee concrete punten waarover [appellant] klaagt - het vastleggen van de verplichtingen en het stopzetten van de betaling van de huur - zich niet als een goed budgetbeheerder heeft gedragen. Voor wat in concreto van een goed budgetbeheerder mag worden verwacht, is naar 's hofs oordeel van belang wat in de branche gebruikelijk is. Voor de branche van budgetbeheerders is in november 2004 door de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK) een gedragscode opgesteld die in de branche breed wordt gedragen (onder meer gepubliceerd op de website www.nvvk.eu). Ook de gemeentelijke kredietbank van Groningen verwijst op haar site naar deze gedragscode.

Geen van beide partijen heeft zich in deze procedure op die gedragscode beroepen.

6.6 In de gedragscode is ondermeer opgenomen dat de budgetbeheerder een overeenkomst dient op te stellen waarin de wederzijdse rechten en verplichtingen dienen te worden vermeld (artikel 3.2) en dat de budgetbeheerder een budgetplan opstelt (artikel 5.1). DSW heeft geen van beide gedaan.

De meest basale vorm van budgetbeheer die deze gedragscode kent is dat de budgetbeheerder de kosten van de huur (of hypothecaire lening), ziektekostenverzekering en energielevering voor de onder beheer gestelde verricht.

6.7 DSW is in mei 2005 gestopt met het betalen van de huur, terwijl het budgetbeheer, ook volgens DSW zelf, wel werd gecontinueerd. Daarmee voldeed DSW niet meer aan de minimale norm. De redenen die DSW hiervoor zelf heeft gegeven, zijn onvoldoende draagkrachtig. De gemeente verwijst naar een verlaging van het loon van [appellant] na één jaar ziekte. Dat moment zou evenwel pas in september 2005 worden bereikt en niet in mei 2005. Verder wijst zij op een verzoek van haar maatschappelijk werkster, doch deze ging in het geheel niet over het budgetbeheer. [appellant] heeft betwist dat hij hier iets van af wist en in ieder geval dat hij hiermee op de hoogte was. De gemeente heeft niet kunnen aantonen dat DSW dit met instemming van [appellant] heeft gedaan - de gemeente wijst in appel steeds uitsluitend naar productie 7 bij de conclusie van antwoord, maar dat is een gespreksverslag van 14 maart 2006 -, zodat het hof concludeert dat DSW in met haar handelwijze van mei 2005 zich niet als een redelijk handelend budgetbeheerder heeft gedragen.

Hiervoor is weliswaar voor [appellant] nadeel ontstaan doordat hij de huurbetaling niet zelf ter hand heeft genomen, doch de concrete huurachterstand is alsnog door DSW voldaan in oktober 2005, zodat daadwerkelijke schade is uitgebleven.

6.8 Dat DWS in september/oktober 2005 alsnog met [appellant] duidelijke afspraken heeft gemaakt over het voortduren van budgetbeheer, doch zonder dat DSW zorg zou dragen voor het betalen van de huur, is het hof niet gebleken. De handtekening van [appellant] onder het formulier waarin een nieuw bankrekeningnummer is gemeld (productie 6 bij de conclusie van antwoord) is hier, anders dan de gemeente doet voorkomen, geen aanwijzing voor. Daarbij is navrant dat DSW wel rekeningen van minder belang, zoals het abonnement op de kabel, bleef betalen.

6.9 In maart 2006 heeft [appellant] om beëindiging van het budgetbeheer verzocht. DSW heeft aangegeven dit niet verstandig te vinden en heeft [appellant] naar de gemeentelijke kredietbank (hierna: GKB) verwezen, hetgeen [appellant] vervolgens niet heeft opgepakt. De gemeente heeft op zich gelijk dat zij [appellant] daar niet toe kon dwingen, doch DSW had onder deze omstandigheden nimmer het halfslachtige budgetbeheer - dat die naam niet meer verdiende - mogen voortzetten.

6.10 De grieven II en III zijn dan ook in zoverre terecht voorgedragen, waarbij de aantekening past dat partijen zich niet over de hiervoor genoemde gedragsregels hebben uitgelaten. Het hof zal eerst nagaan of het opgaan van de verwijten die [appellant] DSW maakt, hem in deze procedure kunnen baten.

6.11 Gelet op de voorliggende vordering van [appellant] dient het hof de vraag te beoordelen of [appellant] ook het causaal verband heeft aangetoond tussen de ontruiming in augustus 2006 en de gebrekkige wijze waarop DSW het budgetbeheer heeft uitgevoerd.

Vanaf september 2005 was [appellant] met een zodanige daling van zijn looninkomsten geconfronteerd, dat hij daaruit niet zijn vaste lasten en zijn verdere levensonderhoud kon voldoen. Op 14 maart 2006 is [appellant], toen bijgestaan door een vrijwilliger van Humanitas, door DSW indringend erop gewezen dat hij huur- en zorgtoeslagen moest aanvragen en dat DSW dit niet voor hem kon doen en dat hij beter hulp bij GKB kon aanvragen. Daarmee heeft [appellant] op dat moment niets gedaan. DSW had, hetgeen [appellant] niet heeft bestreden, geen machtsmiddel om hem daartoe te dwingen.

Uit niets volgt dat als DSW had gedaan wat zij naar 's hofs oordeel uiterlijk in maart 2006 had moeten doen - het halfslachtige budgetbeheer beëindigen onder het advies het GKB in te schakelen - [appellant] dan wel het advies zou hebben opgevolgd en het GKB de huur had laten betalen danwel zelf de huur had betaald. Hoogstens had [appellant] zich dan de vergoeding voor het inadequate budgetbeheer door DSW kunnen besparen, doch deze bedraagt over de periode maart tot augustus 2006 maximaal € 600,- en dit bedrag valt weer weg tegen het hiervoor genoemde bedrag van € 1.668.94 dat DSW per saldo "teveel" vanwege [appellant] heeft betaald.

Het hof acht het causale verband tussen de tekortkomingen dan DSW in het budgetbeheer en de ontruiming van [appellant] in augustus 2006 dan ook onvoldoende onderbouwd.

6.12 Gezien het bovenstaande acht het hof het niet verder opportuun dat partijen zich nog over de NVVK-gedragscode dienen uit te laten.

7. De slotsom

Het hof oordeelt dan ook het gevorderde niet toewijsbaar, ondanks het opgaan van enkele verwijten die [appellant] DSW heeft gemaakt.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, onder aanpassing van gronden, bekrachtigen. Wel ziet het hof in het slagen van enkele grieven voldoende grond om de proceskosten in appel te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten van het hoger beroep dient te dragen.

8. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter locatie te Groningen van 4 augustus 2010 onder aanpassing van gronden;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, L. Groefsema en H. de Hek, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

19 maart 2013.