Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4116

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-03-2013
Datum publicatie
14-03-2013
Zaaknummer
200.101.893/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzegging lidmaatschap VVE door een aantal eigenaren van een woning op een vakantie/villapark. Zijn de eigenaren na opzegging niettemin gehouden een bijdrage te leveren aan de voorzieningen op het park waar zij geen gebruik van maken? Deel van de eigenaren wel o.g.v. contract; twee eigenaren niet. Zijn die twee eigenaren gebonden o.g.v. O.D. of ongerechtvaardigde verrijking. Uitleg van de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.101.893/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 117784/HA ZA 10-345)

arrest van de tweede kamer van 12 maart 2013

in de zaak van

Vereniging Villapark Weddermeer,

gevestigd te Wedde,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: de VVE,

advocaat: mr. E.J.A.M. Van den Akker, kantoorhoudend te Groningen, die ook heeft gepleit,

tegen

[geïntimeerden]

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: de uitgetreden leden dan wel de voormalig leden,

advocaat: mr. M. Faber, kantoorhoudend te Amsterdam, die ook heeft gepleit.

Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 26 oktober 2011 van de rechtbank Noord-Nederland.

Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 januari 2012,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- het gehouden pleidooi waarbij pleitnotities zijn overgelegd.

Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

De vordering van Villapark Weddermeer luidt:

"het vonnis d.d. 26 oktober 2011 door de rechtbank te Groningen, sector civiel recht, onder zaak-/rolnummer 117784 / HA ZA 10-345, gewezen tussen appellant als gedaagde en geïntimeerden als eisers, te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de rechtsgronden, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van geïntimeerden in de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, alsmede in de nakosten volgens het liquidatietarief te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen arrest:

IN CONVENTIE:

geïntimeerden niet ontvankelijk verklaart in hun vordering, althans hen deze te ontzeggen;

IN RECONVENTIE:

1.voor recht te verklaren dat de voormalig leden, per 1 januari 2010 gehouden zijn per vakantiewoning tot betaling van een bijdrage in de parklasten aan de VVE, corresponderend met de lopende verplichtingen van de VVE, zijnde een bedrag van € 2300 per jaar te vermeerderen met een bedrag van € 250 aan zwembadkosten, te vermeerderen met btw, althans een zodanig bedrag als uw Hof in goede Justitie zal vaststellen, te voldoen in maandelijkse termijnen.

2.Voor recht te verklaren dat de voormalig leden gehouden zijn verder per vakantiewoning te voldoen de kosten van gas, water en elektriciteit corresponderend met het werkelijke verbruik, zulks op basis van een voorschot te bepalen aan de hand van het gemiddelde verbruik van de betreffende vakantiewoning in de 2 voorafgaande jaren, te vermeerderen met het 1/108e deel van het vastrecht dat aan de betreffende leveranciers dient te worden voldaan.

3.Elk van de eigenaren van de vakantiewoningen voor wat betreft de reeds verschenen verplichtingen tot en met mei 2012 te veroordelen tot het betalen van een bedrag van:

i) € 6.162,50 (zijnde bijdrage parkkosten voor 2 jaren en 5 maanden), althans een zodanig bedrag als het Hof in goede justitie zal vaststellen, te vermeerderen met btw

ii)te vermeerderen met de kosten van gas, water en elektriciteit te berekenen aan de hand van het werkelijk verbruik te vermeerderen met 1/108 deel van het vastrecht;

iii) onder aftrek van reeds door elk van de eigenaren betaalde bedragen;

iv) te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen over elk verschuldigd maandbedrag vanaf de 30e dag na elke factuurdatum.

4. Voor recht te verklaren dat de voormalig leden door niet te betalen in strijd handelen met de onder 12 van deze Memorie van Grieven aangehaalde verbodsbepaling en daarmee jegens de VVE tekort zijn geschoten in de nakoming van dit beding c.q. onrechtmatig hebben gehandeld en mitsdien gehouden zijn tot vergoeding van de door de VVE geleden schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet."

De grieven

De VVE heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Tussen partijen staan als enerzijds erkend en anderzijds onvoldoende weersproken, de

volgende feiten vast:

1.1. Het Villapark Weddermeer is opgericht in 1991. Het bestaat uit 108 percelen met vakantiewoningen, die in eigendom zijn van de individuele eigenaren.

1.2. De VVE is de vereniging van eigenaren van de villa's op het recreatiepark Weddermeer. Bij aankoop van de villa's zijn alle kopers toegetreden tot de VVE.

1.3. Per 1 januari 2010 hebben de eigenaren van elf villa's hun lidmaatschap van de VVE beëindigd.

1.4. De voormalige leden zijn ook thans nog, elk alleen of samen, eigenaar van een villa op het recreatiepark.

1.5. Als leden van de VVE betaalden de voormalig leden een bijdrage aan de VVE voor het beheer van het park en het groenonderhoud.

1.6. Bij brief van 18 december 2009 heeft de VVE de voormalig leden gewezen op de consequenties van de opzegging van hun lidmaatschap. Zij heeft daartoe een overzicht gegeven van de tarieven die zij voor onder meer de nutsvoorzieningen, het beheer, het zwembad en tv/radio/kabel aan niet-leden in rekening brengt.

1.7. De voormalig leden hebben geweigerd de kosten zoals de VVE deze in rekening wil brengen te betalen.

Het geschil en de beoordeling daarvan in eerste aanleg.

2. De voormalig leden hebben de VVE gedagvaard voor de rechtbank te Groningen en, samengevat weergegeven, in conventie een verklaring voor recht gevraagd dat:

(i) de VVE hen niet meer dan een bedrag van € 10,-- per maand in rekening mag brengen voor de reservepost groot onderhoud dan wel een bedrag gebaseerd op de onderhoudskosten;

(ii) zij gehouden zijn een bedrag aan kosten voor de zuiveringsheffing, gas, water en elektriciteit aan de VVE te betalen berekend op basis van het daadwerkelijk verbruik:

(iii) zij voor de waterschapskosten, de kosten van het groenonderhoud, de tv/ radio/kabel, de kosten van vuilafvoer, parkonderhoud, verlichting en administratiekosten een bedrag van

€ 56,-- per maand aan de VVE zijn verschuldigd;

(iv) zij niet zijn gehouden een bijdrage te leveren aan die voorzieningen waar zij part noch deel aan hebben en waar zij niet mee akkoord zijn gegaan.

Daarnaast vorderen de voormalig leden de VVE te bevelen de openstaande nota's te debiteren voor zover deze het door hen aangeboden bedrag te boven gaan en de VVE te verbieden om verdere executiemaatregelen te treffen, op straffe van een dwangsom van

€ 5.000,-- per dag dat de VVE daarmee in strijd handelt. Verder vorderen de voormalig leden de veroordeling van de VVE in de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

De VVE heeft verweer gevoerd en een reconventionele vordering ingesteld strekkende tot veroordeling van de voormalig leden ieder afzonderlijk tot betaling van een bijdrage in de gemeenschappelijke kosten van het villapark van € 191,66 per maand of

€ 2.300,-- per jaar, met aftrek van de al betaalde bedragen. Daartegen hebben de voormalig leden verweer gevoerd.

De rechtbank heeft de eis in conventie, met uitzondering van de buitengerechtelijke proceskosten, toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen. Hiertegen richten zich de grieven.

Wijziging van eis in hoger beroep.

3. Bij memorie van grieven heeft de VVE haar eis gewijzigd als hiervoor onder het kopje "Het geding in hoger beroep" weergegeven. Nu de uitgetreden leden hiertegen geen bezwaar hebben gemaakt en het hof de wijziging niet in strijd acht met de eisen van een goede procesorde, zal het hof de vordering van de VVE op basis van de gewijzigde grondslag beoordelen.

De beoordeling van de grieven

4. Ten aanzien van de grondslag van de vordering van de VVE

In eerste aanleg heeft de VVE haar vordering gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad. In hoger beroep wordt aan de vordering mede een contractuele grondslag gegeven. Bij de bespreking van de grieven zal het hof hierop nader ingaan.

Kern van het geschil

5. Het gaat in deze zaak om de vraag of de eigenaren van de vakantiewoningen met de nummers 88, 43, 70, 55, 44, 68, 21, 91, 11, 2 en 53 gelegen op het Villapark Weddermeer, na opzegging van het lidmaatschap van de VVE, gehouden zijn financieel bij te blijven dragen aan de voorzieningen op het park waar zij geen gebruik van maken, waarbij het grootste knelpunt ligt bij de kosten voor de instandhouding van het zwembad. De voormalig leden stellen zich op het standpunt alleen een vergoeding te zijn verschuldigd voor die voorzieningen waar zij gebruik van maken en die zijn gemoeid met het in stand houden van de kwaliteit van het park, de VVE bestrijdt dit.

Grief I

6. De grief richt zich tegen het door de rechtbank als vaststaand aangenomen feit dat de voormalig leden als leden van de VVE betaalden voor de verhuurbemiddeling.

De klacht is gegrond, nu immers ten pleidooie is komen vast te staan dat de niet verhurende leden geen bijdrage verschuldigd waren voor de verhuurbemiddeling.

Grief II

7. De grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de voormalig leden niet gehouden zijn te betalen voor die voorzieningen op het villapark waar zij geen gebruik van maken. Het hof zal deze grief bezien in het licht van de bij memorie van grieven voor het eerst naar voren gebrachte derde grondslag van de vordering, artikel 7 van de van aktes van levering van de villa's, zoals deze bepaling luidt in de aktes van levering van alle voormalige leden met uitzondering van die van de eigenaren van villa 44 en 53.

De villa's met het nummer 88, 43, 70, 55, 68, 21, 91, 2 en 11

7.1. Artikel 7 van de akte van levering van deze villa's luidt:

"de verkrijger dient zich - zolang hij eigenaar is van een woning, ongeacht of hij nog lid is van de vereniging, - te richten naar de bestaande verplichtingen, voortvloeiende uit (ver)huurovereenkomsten, beheers- en onderhoudsovereenkomsten, verzekeringsovereenkomsten en andere overeenkomsten, verband houdende met het doel van de vereniging, welke door het bestuur krachtens artikel 8 lid 3 van deze statuten zijn gesloten; overeenkomsten welke door het bestuur krachtens artikel 8 lid 3 van deze statuten zijn gesloten nadat het lidmaatschap van de verkrijger is geëindigd, kunnen evenwel niet tegen de verkrijger worden ingeroepen, tenzij de verkrijger zich blijkens een schriftelijke verklaring, gericht aan het bestuur van de vereniging, akkoord heeft verklaard met de inhoud van de bedoelde overeenkomst."

7.2. Voorts bepaalt artikel 8c onder c van de statuten:

"de verkrijger dient zich - zolang hij eigenaar is van een woning, ongeacht of hij (nog) lid is van de vereniging - te houden aan de verbodsbepaling, zoals vermeld in artikel 8b lid 2 van deze statuten."

7.3. Artikel 8b lid 2 van de statuten luidt:

"Het is de leden niet toegestaan (rechts)handelingen te verrichten die in strijd zijn met deze statuten of de door het bestuur krachtens artikel 8 lid 3 vast te stellen overeenkomsten en die een goede werking van deze statuten en overeenkomsten zouden belemmeren of bemoeilijken."

7.4. Artikel 8 lid 3 van de statuten luidt:

"Door de vereniging kunnen ten laste van de leden verplichtingen worden aangegaan voortvloeiende uit (ver)huurovereenkomsten, modelovereenkomsten, beheers - en onderhoudsovereenkomsten, verzekeringsovereenkomsten en andere overeenkomsten, verband houdende met het doel van de vereniging. Het bestuur is bevoegd bedoelde overeenkomsten te sluiten."

8. De verplichtingen zoals hiervoor weergegeven onder 7.1 en 7.2 dienen in geval van verkoop van de villa aan de koper te worden opgelegd en steeds woordelijk in de akte van levering te worden opgenomen, zo volgt uit artikel 7 van de leveringsakten onder "verplichtingen bij vervreemding van de woning", onder 2, terwijl vervolgens onder 3 wordt bepaald;

"(…) verbindt het lid zich jegens de vereniging, die dit voor zich aanvaardt, tot het bedingen bij wijze van derdenbeding van de nieuwe eigenaar(…) dat ook deze zowel het bepaalde in lid 1 van dit artikel als de verplichting om dit door te geven zal opleggen aan diens rechtsopvolgers (…)"

Elke opvolgende vervreemder neemt daarbij namens en ten behoeve van de vereniging het beding aan."

9. Duidelijkheidshalve stelt het hof voorop dat het de leden van een vereniging van eigenaren vrij staat het lidmaatschap van de vereniging op te zeggen. De voormalige leden hebben dit gedaan en de VVE heeft hun opzegging geaccepteerd. Thans gaat het echter om de vraag of de voormalig leden na de opzegging nog langer gebonden zijn aan de door de VVE gesloten overeenkomsten en de daaruit voortvloeiende verbintenissen.

10. De aktes van levering van de voormalig leden - waarbij het hof nogmaals aangeeft dat het hier alleen gaat om de eigenaren van de in de kop van rechtsoverweging 7.1 genoemde villa's - bevatten een bepaling waarin de situatie na opzegging van het lidmaatschap, middels een derdenbeding, is geregeld. Met deze bepaling wordt geanticipeerd op de situatie van opzegging van het lidmaatschap en het is deze bepaling waarop de VVE de voormalig leden gehouden acht de bestaande verplichtingen na te komen. De voormalig leden voeren hiertegen een aantal verweren waarop het hof hierna zal ingaan.

11. De voormalig leden stellen dat de VVE zich pas in hoger beroep voor het eerst op de contracten heeft beroepen. Het hof gaat hieraan als niet relevant voorbij, nu het hoger beroep er immers mede toe dient in eerste aanleg begane verzuimen te herstellen.

12. De uitgetreden leden betwisten dat er een geldig derdenbeding tot stand gekomen is. Zij hebben nimmer de intentie gehad een derdenbeding aan te gaan en zijn zich daarvan ook niet bewust geweest. De VVE is zich er kennelijk zelf ook niet van bewust geweest, nu zij in eerste aanleg dit beding niet genoemd hebben. Onder die omstandigheden dient een beroep op het derdenbeding te worden aangemerkt als strijdig met de redelijkheid en billijkheid. Tenslotte stellen de uitgetreden leden zich op het standpunt dat het derdenbeding nietig is, omdat het onderdeel uitmaakt van een nietig kettingbeding.

13. Het hof oordeelt als volgt.

Artikel 6:253 BW stelt geen bijzondere eisen aan de geldigheid van een derdenbeding. Voldoende is dat de ene partij (de stipulator: de VVE,) het recht ten behoeve van een derde bedingt, dat zijn wederpartij (de promissor: de leden), zich dienovereenkomstig jegens de derde verbindt en dat de derde het beding aanvaardt. Het hof verwerpt het verweer van de uitgetreden leden dat alleen dán mag worden aangenomen dat een derdenbeding is totstandgekomen wanneer blijkt dat zulks door de betrokken partijen bewust is beoogd, zo volgt uit HR 1 oktober 2004, LJN:AO9496.

14. Het verweer dat de VVE zich kennelijk niet van het derdenbeding bewust is geweest nu zij er in eerste aanleg geen beroep op heeft gedaan, verwerpt het hof onder verwijzing naar rechtsoverweging 10. Dat de voormalig leden zélf zich, naar zij stellen, niet bewust waren van de inhoud en strekking van de door hen getekende akte van overdracht dient voor hun eigen rekening en risico te blijven. Dat de VVE niet bij het ondertekenen van de leveringsaktes aanwezig was staat evenmin aan een geldig derdenbeding in de weg. Anders dan de voormalig leden betogen maken de in deze rechtsoverweging genoemde omstandigheden, afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien, niet dat een beroep op het derdenbeding in strijd moet worden geacht met de redelijkheid en billijkheid.

15. De voormalig leden voeren voorts ten verwere aan dat het derdenbeding nietig is, nu het onderdeel uitmaakt van een nietig kettingbeding. Het bedoelde kettingbeding strekt ertoe kopers en opvolgend kopers te verplichten lid te worden van de VVE, terwijl zulks volgens vaste rechtspraak niet kan worden afgedwongen, aldus de uitgetreden leden. Dit laatste is juist, het hof verwijst daartoe mede naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 9 is weergegeven. Dit brengt met zich dat het derdenbeding nietig is inzoverre het de koper van een villa verplicht lid te worden dan wel te blijven van de VVE. Voor het overige blijft het derdenbeding naar het oordeel van het hof onverkort in stand, nu de bewuste bepaling nu juist voorziet in de situatie dat het lidmaatschap van de vereniging is geëindigd.

16. Subsidiair stellen de voormalig leden dat, zo er al een geldig derdenbeding tot stand is gekomen, hierin slechts is opgenomen dat zij zich moeten "richten" naar de bestaande verplichtingen van de VVE, maar niet dat de uitgetreden leden op financiële wijze dienen bij te dragen in de bestaande verplichtingen van de VVE. Het beding kan daarom geen grondslag bieden voor de vordering van de VVE.

17. Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, LJN: AG4158). Voorts volgt uit HR 20 februari 2004 ,LJN: AO1427 dat bij de uitleg van een dergelijk geschrift telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Dit leidt tot het volgende.

18. Het hof acht in het onderhavige geval van belang dat, naar vaststaat, de uitgetreden leden van meet af aan hebben geweten dat zij dienden bij te dragen in de gemeenschappelijke kosten voor het onderhoud van het park. Daaronder vielen ook de kosten die thans voor de uitgetreden leden de steen des aanstoots vormen, te weten het zwembad, de visvijver en daarmee een groot deel van de kosten van beheer van het park.

Voorts staat vast dat voor (het overgrote deel) van de kopers van de villa's de verhuurmogelijkheden een rol hebben gespeeld en dat het zwembad de aantrekkelijkheid van het park voor potentiële huurders zou verhogen. Dat de uitgetreden leden hun villa niet (meer) verhuren maakt dit niet anders. Bij aankoop van de villa's mochten alle eigenaren ervan uitgaan dat iedere eigenaar een gelijk deel van de kosten zou betalen. Het hof is dan ook van oordeel dat de uitgetreden leden in redelijkheid moeten kunnen begrijpen dat de VVE een groot belang heeft bij de continuering van de financiële bijdrage van alle eigenaren. De VVE heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat zonder de volledige bijdrage van de uitgetreden leden het Villapark in financieel zwaar weer (is) geraakt en niet in zijn huidige vorm kan voortbestaan. De uitgetreden leden betwisten dit in zoverre dat zij menen dat het park uitstekend kan voortbestaan zonder verhuuractiviteiten. Noch afgezien van het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing van deze stelling, verwerpt hof dit standpunt als onredelijk ten opzichte van die eigenaren (het overgrote deel) die indertijd mede tot aanschaf van de villa zijn overgegaan in verband met de verhuurmogelijkheden.

19. Het hof passeert het verweer van de voormalig leden dat in de leveringsakte van villa 91 een zinsnede is weggevallen waardoor het voor de eigenaar van deze woning niet duidelijk is waar naar hij zich moet richten, nu naar het oordeel van het hof het beding, ook zonder de bewuste zinsnede voldoende duidelijk is.

20. Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, leidt ertoe dat het hof de door de uitgetreden leden voorgestane uitleg van het derdenbeding verwerpt en de woorden "richten naar" in het geheel van de bepaling zo uitlegt dat de uitgetreden leden de bestaande verplichtingen moeten nakomen. Duidelijkheidshalve merkt het hof nog op dat het derdenbeding uitsluitend verplicht tot nakomen van bestaande verplichtingen en geen verplichtingen met zich brengt die voortvloeien uit na beëindiging van het lidmaatschap door de VVE gesloten overeenkomsten.

21. Op grond van het vorenoverwogene zijn de eigenaren van de villa's 88, 43, 70, 55, 68, 21, 91, 2 en 11, contractueel gehouden alle voor 1 januari 2010 door de VVE afgesloten overeenkomsten - waaronder dus ook de lopende verplichting ten aanzien van de voorzieningen waar zij geen gebruik van maken zoals het zwembad en de visvijver - na te komen. Bij memorie van grieven heeft de VVE haar eis vermeerderd met een bedrag van

€ 250,-- aan zwembadkosten. Het hof zal ook dit bedrag toewijzen, nu de hoogte ervan door de uitgetreden leden onvoldoende gemotiveerd is betwist. De algemene betwisting de bijdrage niet te zijn verschuldigd omdat het lidmaatschap van de VVE op het moment van de verhoging in april 2010 geen lid meer waren treft, naar hiervoor is overwogen, geen doel. Het in het petitum van de memorie van grieven onder 1 gevorderde zal dan ook, inclusief het bij vermeerdering van eis gevorderde bedrag van € 250,-- per jaar worden toegewezen.

22. Ten aanzien van de eigenaren van de villa's 88, 43, 70, 55, 68, 21, 91, 2 en 11 slaagt de grief.

De villa's 44 en 53.

23. In de leveringsakten van deze villa's ontbreekt de bepaling als opgenomen in de akten van levering van de overige uitgetreden leden (hiervoor onder 7.1 weergegeven). Dit brengt met zich dat de eigenaren van de villa's 44 en 53 niet contractueel gehouden zijn tot nakoming van het beding, dat voor de eigenaren van de villa's 88, 43, 70, 55, 68, 21, 91, 2 en 11 geldt. Nu de eigenaren van villa 44 en 53 niet contractueel gebonden zijn, dient het hof te bezien of er een andere juridische grondslag bestaat voor het voldoen van de door de VVE gevorderde bijdrage. Anders dan in grief II wordt gesteld kunnen de voormalig leden naar 's hofs oordeel niet op grond van artikel 8 lid 1 onder b van de statuten van de VVE verplicht geacht worden een volledige bijdrage aan de VVE te voldoen, nu de uitgetreden leden immers sinds hun rechtsgeldige beëindiging van het lidmaatschap van de VVE niet meer gebonden zijn aan de inhoud van de statuten.

24. In eerste aanleg heeft de VVE nog als grondslagen aangevoerd ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatige daad. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het niet langer bijdragen aan de voorzieningen waar de eigenaren van villa 44 en 53 geen gebruik van maken, geen grond voor het slagen van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking oplevert. Evenmin handelen genoemde eigenaren onrechtmatig door niet voor de betreffende voorzieningen te betalen. Het hof neemt met betrekking tot de eigenaren van de villa's 44 en 53 over hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 4.5 tot en met 4.7 van het bestreden vonnis heeft overwogen en maakt de gebezigde motivering tot de zijne. Het hof wenst echter te benadrukken dat het hierbij naar zijn oordeel slechts het zwembad en de visvijver betreft. Op de bijdrage aan de overige voorzieningen zal het hof hierna bij de behandeling van grief III ingaan.

25. Grief III ziet op de omvang van de bijdrage. Gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 21 heeft bepaald met betrekking tot de villa's met het nummer 88, 43, 70, 55, 68, 21, 91, 2 en 11, heeft grief III nog slechts relevantie ten aanzien van de villa's 44 en 53. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep voor recht verklaard dat:

(i) De VVE de voormalig leden niet meer dan een bedrag van € 10,-- per maand in rekening mag brengen voor de reservepost groot onderhoud;

(ii) de voormalig leden gehouden zijn een bedrag aan kosten voor zuiveringsheffing, gas, water en elektriciteit aan de VVE te betalen berekend op basis van het daadwerkelijk verbruik;

(iii) de voormalig leden voor de waterschapskosten, de kosten van het groenonderhoud, de t.v/radio/kabel,de kosten van het vuilafvoer, het parkonderhoud, de verlichting en de administratie een bedrag van € 56,-- aan de VVE zijn verschuldigd;

(iv) de voormalig leden niet zijn gehouden te betalen voor die voorzieningen waar zij geen gebruik van maken en waar zij niet mee akkoord zijn gegaan.

26. Nu, naar het hof hiervoor heeft overwogen, de eigenaren van de villa's 44 en 53 vanaf

1 januari 2010 niet langer verplicht zijn financieel bij te dragen aan de kosten welke zijn gemoeid met het instandhouden van de voorzieningen waarvan zij geen gebruik maken, dient thans te worden bepaald welke jaarlijkse bijdrage zij dan nog wel aan de VVE zijn verschuldigd. Zij hebben gesteld als "vanzelfsprekend" te erkennen, een evenredige bijdrage te moeten voldoen in de kosten die zijn gemoeid met het in stand houden van de kwaliteit van het park.

27. Ten pleidooie is van de zijde van de VVE onder 19 van haar pleitnota een staat van de jaarlijkse kosten overgelegd. De eigenaren van villa 44 en 53 erkennen de verschuldigheid van de in deze staat opgenomen bedragen met uitzondering van die voor bijdrage beheer van € 1.546,--; verhoging in 2010 van reservering onderhoud en de zwembadkosten ten bedrage van € 250,--. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

28. De zwembadkosten en kosten voor de visvijver behoeven niet te worden vergoed, om redenen als het hof hiervoor onder 23 e.v. heeft uiteengezet.

Met betrekking tot de beheerskosten kan het hof evenwel thans nog niet tot een beslissing komen nu onvoldoende duidelijk is geworden welk deel van de beheerskosten is gemoeid met het beheer van zwembad en visvijver en welk deel met het overige beheer, zoals de algemene controles op het park, werkzaamheden als het maken van afspraken met onderhoudsbedrijven, hovenier en het afstemmen en controleren van werkzaamheden. Het hof zal een comparitie van partijen gelasten waarbij partijen nader inlichtingen kunnen verschaffen op deze punten.

29. In afwachting van de uitkomst van de inlichtingencomparitie wordt de verdere behandeling van de grief aangehouden.

Grief IV

30. De grief bevat de klacht dat in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld de voormalig leden wel degelijk gebruik maken van het zwembad en de visvijver. Het hof overweegt hieromtrent dat zulks ten aanzien van de voormalig leden niet zijnde de eigenaren van villa 44 en 53 ook is geoorloofd, nu zij immers contractueel gehouden zijn om een financiële bijdrage aan deze voorzieningen te leveren en het hen derhalve ook vrijstaat gebruik te maken van de voorzieningen. Voor villa 44 en 53 ligt dit anders. De eigenaren van deze villa's hebben echter weersproken zich in het zwembad te hebben begeven en gebruik te maken van de visvijver. Het hof acht voldoende aannemelijk dat de eigenaren van villa 44 en 53 zich niet meer in het zwembad (zullen) begeven en geen gebruik (meer) zullen maken van de visvijver en voegt daaraan toe dat zij, gelet op het niet meer bijdragen aan deze voorzieningen, daartoe naar s' hofs oordeel ook niet langer gerechtigd zijn. Bij deze stand van zaken kan aan het bewijsaanbod van de VVE op dit punt voorbij worden gegaan.

31. Aan het algemene bewijsaanbod onder punt 67 van de memorie van grieven gaat het hof als niet terzake dienend voorbij.

32. Door het slagen van de grief II, brengt de devolutieve werking van het hoger beroep met zich dat de niet behandelde of verworpen weren en de niet prijsgegeven stellingen van de uitgetreden leden tevens eigenaren van de villa's 88, 43, 70, 55, 68, 21, 91, 2 en 11 eerste aanleg, voorzover niet al besproken thans nog beoordeeld moeten worden.

In eerste aanleg is door de uitgetreden leden uitvoerig geageerd tegen het totstandkomen van de driepartijenovereenkomst tussen de VVE, Hoogenboom Vakantieparken en Rendering. Het hof verwerpt alle hierop betrekking hebbende stellingen en verweren op grond van het volgende.

33. Voorzover de uitgetreden leden betogen dat de driepartijenovereenkomst de goedkeuring van de algemene ledenvergadering van de VVE ontbeert, gaat het hof daaraan voorbij, nu een dergelijke goedkeuring niet is vereist. Naar als onvoldoende bestreden vaststaat, bestaan de afspraken tussen partijen al sinds 2003 en zijn deze op 25 september 2008 in een schriftelijke overeenkomst vastgelegd. Deze overeenkomst is, anders dan de uitgetreden leden stellen, op de Algemene Ledenvergadering van 29 maart 2008 aan de orde geweest, getuige de notulen van die bijeenkomst onder punt 10 (produktie 1 bij conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie). Onder 10 van de notulen is met zoveel woorden vastgelegd: "Het is de bedoeling dat het nieuwe contract 10 jaar geldig is." Dit betekent dat, gelet op hetgeen het hof bij de beoordeling van grief II heeft overwogen, de uitgetreden leden aan deze overeenkomst als vallend onder de "lopende verplichtingen" zijn gebonden. Hetgeen de uitgetreden leden nog aanvoeren omtrent de mogelijkheid voor de VVE zich te beroepen op artikel 6.10 van de driepartijenovereenkomst van 25 september 2008 - kort weergegeven inhoudend dat de beheer- en zwembadvergoeding is gebaseerd op 108 villa's en dat de vergoeding kan worden bijgesteld indien het aantal deelnemers met vijf of meer daalt - verwerpt het hof, nu de stelling uitgaat van de onjuiste gedachtegang dat het de uitgetreden leden vrijstaat niet langer deel te nemen.

Tenslotte hebben de uitgetreden leden gesteld dat de overeenkomst van 25 september 2008 een onverplichte verzwaring inhield vergeleken met de voor die tijd geldende afspaken. Naar 's hofs oordeel heeft de VVE voldoende gemotiveerd is betwist dat er van een verzwaring van de verplichtingen sprake is geweest, maar het hof overweegt dat, ook indien van een verzwaring sprake zou zijn dit niet wegneemt dat de VVE op grond van artikel 8 lid 3 van de statuten van de vereniging bevoegd was dit contract te sluiten.

Tenslotte.

Onbehoorlijk bestuur

34. Op diverse plaatsen in de gedingstukken van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep, evenals bij gelegenheid van pleidooi ten overstaan van het hof, maken de voormalig leden gewag van onbehoorlijk bestuur van de zijde van de VVE. Hoewel de voormalig leden hieraan geen vordering verbinden merkt het hof op dat hetgeen de uitgetreden leden ter onderbouwing van dit beroep naar voren brengen, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de VVE, onvoldoende is om tot het oordeel te komen dat van onbehoorlijk bestuur sprake is. Het sluiten van de door de uitgetreden leden als onwenselijk betitelde drie-partijenovereenkomst tussen de VVE, Hogenboom Vakantieparken B.V. en Rendering valt niet als onbehoorlijk bestuur aan te merken, waarbij het hof opmerkt dat deze overeenkomst reeds in 2003 is gesloten, een tijdstip dat de thans voormalig leden nog lid waren van de VVE. Het hof merkt tenslotte op dat de onder de uitgetreden leden bestaande grote onvrede over het bestuur en de door hen bevaarde koers, niet automatisch met zich brengt dat het bestuur daarmee als onbehoorlijk dient te worden gekwalificeerd. Het hof passeert dan ook het bewijsaanbod met betrekking tot de "heersende onvrede."

Schadestaatprocedure

35. Weliswaar is, naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad, voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, maar dit laat onverlet dat het de VVE is die feiten zal moeten stellen waaruit aannemelijk wordt dat mogelijk schade is geleden. Hetgeen de VVE daartoe stelt is onvoldoende onderbouwd om tot die aannemelijkheid te concluderen. Het onder 4 van het petitum van de memorie van grieven gevorderde zal derhalve worden afgewezen.

Slotsom

36. Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd. De VVE zal grotendeels in het gelijk worden gesteld. De uitgetreden leden, met uitzondering van de eigenaren van de villa's 44 en 53, zijn gehouden de jaarlijkse bijdrage, waaronder de reeds verschenen parkbijdrage over de jaren 2010, 2011 en 2012, als door de VVE gevorderd te betalen. Slechts op het onderdeel van de jaarlijkse bijdrage van de eigenaren van de villa's 44 en 53 dient het hof nader te worden ingelicht, waartoe een comparitie zal worden gelast. Om misverstanden te voorkomen merkt het hof op dat bij deze comparitie slechts de eigenaren van de villa's 44 en 53, en een bevoegde afgevaardigde van de VVE aanwezig dienen te zijn.

Om procestechnische redenen zal het hof het uiteindelijke dictum in zijn totaliteit formuleren in het na de comparitie te wijzen eindarrest.

De beslissing

Het gerechtshof:

bepaalt dat geintimeerden 7 ([geïntimeerde 7]) en 18 ([geïntimeerde 18]), in persoon en de VVE bevoegd vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is, samen met hun advocaten zullen verschijnen voor het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. K.M. Makkinga, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, om inlichtingen te geven als onder rechtsoverweging 36 vermeld

bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden april, mei, juni en juli zullen opgeven op de roldatum 9 april 2013, waarna dag en uur van de comparitie (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat indien een partij ter comparitie nog een proceshandeling wenst te verrichten en/of producties in het geding wil brengen, zij ervoor dient te zorgen dat aan het hof en de wederpartij schriftelijk wordt meegedeeld wat de inhoud is van de ter comparitie te verrichten proceshandeling (voorzien van stukken) en indien een partij ter comparitie nog producties in het geding wenst te brengen dat zij daarvan goed leesbare afschriften aan het hof en de wederpartij dient over te leggen, in beide gevallen uiterlijk veertien dagen voorafgaand aan de zitting;

Aldus gewezen door mrs. K.M. Makkinga, voorzitter, M.M.A. Wind en M.A.L.M. Willems, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 maart 2013 in bijzijn van de griffier.