Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2970

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-03-2013
Datum publicatie
04-03-2013
Zaaknummer
21-003585-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3245, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak doodslag en poging doodslag op ongeboren kind.

Tien dagen na een confrontatie tussen verdachte en aangeefster overlijdt het ongeboren kind van aangeefster ten gevolge van placentaloslating.

Het hof komt op grond van bevindingen van deskundige tot het oordeel dat niet bewezen is dat het overlijden van het ongeboren kind uitsluitend het gevolg is geweest van het handelen van verdachte.

Ook vrijspraak van poging doodslag omdat het handelen van verdachte niet zodanig is geweest dat uit de aard van deze handeling kan worden afgeleid dat het opzet van verdachte gericht was op het doden van het ongeboren kind van aangeefster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2013, afl. 3, p. 109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003585-10

Uitspraak d.d.: 4 maart 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van 8 oktober 2010 in de strafzaak tegen

[Verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats, adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 februari 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr A.M. Moszkowicz, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

primair:

zij in of omstreeks het tijdvak van 28 juni 2007 tot en met 07 juli 2007, in de gemeente [A en/of B], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk een ander, te weten het toen nog ongeboren kind van de toen ruim 29 weken zwanger zijnde [aangeefster], - zijnde een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat was buiten het moederlichaam in leven te blijven - van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader op 28 juni 2007 in de gemeente [A] met dat opzet die [aangeefster] in/tegen de buik geschopt en/of getrapt, tengevolge waarvan voornoemd kind/vorenbedoelde vrucht in de gemeente [B], althans in Nederland, omstreeks 07 juli 2007, in elk geval op enig tijdstip in genoemd tijdvak, is overleden;

subsidiair:

zij in of omstreeks het tijdvak van 28 juni 2007 tot en met 07 juli 2007, in de gemeente [A] en/of [B], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten het toen nog ongeboren kind van de toen ruim 29 weken zwanger zijnde [aangeefster], - zijnde een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat was buiten het moederlichaam in leven te blijven - van het leven te beroven, met dat opzet die [aangeefster] in/tegen de buik geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

zij op of omstreeks 28 juni 2007, in de gemeente [A], met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten (een horecagelegenheid van) winkelcentrum [C], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [aangeefster] (die ruim 7 maanden zwanger was) welk geweld bestond uit:

- het opzettelijk gewelddadig indringen op

- en/of aanvallen van die [aangeefster], en/of

- het opzettelijk gewelddadig schoppen en/of trappen tegen, althans in de richting van, de buik en/of de (het) be(e)n(en), in elk geval het lichaam, van die [aangeefster], en/of

- het opzettelijk gewelddadig trekken aan de haren van die die [aangeefster], waarbij zij, verdachte, heeft geschopt en/of getrapt tegen, althans in de richting van, de buik en/of de (het) be(e)n(en), in elk geval het lichaam, van die [aangeefster], welk door haar gepleegd geweld, enig lichamelijk letsel voor [aangeefster] ten gevolge heeft gehad en/of de dood ten gevolge heeft gehad van het toen nog ongeboren kind van de toen ruim 29 weken zwanger zijnde [aangeefster], zijnde een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat was buiten het moederlichaam in leven te blijven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Vaststaat dat er op 28 juni 2007 een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en aangeefster en dat verdachte aangeefster een trap heeft gegeven. Voorts staat vast dat het ongeboren kind van aangeefster op of omstreeks 7 juli 2007 is overleden ten gevolge van placentaloslating.

Verdachte heeft bekend dat zij aangeefster heeft getrapt maar heeft ontkend aangeefster in de buik te hebben getrapt. Zij heeft verklaard dat zij aangeefster op het dijbeen heeft getrapt. Aangeefster heeft verklaard dat zij in haar buik werd getrapt en dat zij pijn voelde in haar buik. De enige getuige die ook iets heeft verklaard over trappen door verdachte is de vriendin van aangeefster, [D]. Zij heeft verklaard dat ze gezien heeft dat verdachte aangeefster in de buik heeft getrapt. Waar deze trap aangeefster precies heeft geraakt, in de buik of op het dijbeen kan voor de beoordeling van het primair tenlastegelegde echter buiten beschouwing blijven nu het hof op grond van het deskundigenrapport van Erwich, gynaecoloog-perinatoloog, en de verklaring van deze deskundige ter terechtzitting van de rechtbank van 24 september 2010, tot het oordeel komt dat er niet buiten redelijke twijfel een causaal verband kan worden vastgesteld tussen het overlijden van het ongeboren kind van aangeefster en het schoppen door verdachte.

In het deskundigenrapport van Dr. J.J.H.M. Erwich, gynaecoloog-perinatoloog d.d. 2 februari 2009 is onder meer het volgende opgenomen:

Ik kan geen oordeel geven over de sterkte van het trauma, in casu de eventuele trap in de buik. Een duwtje is uiteraard geen trauma en geen risico voor placentaloslating. Dit zal toenemen naarmate de sterkte van het trauma groter is. Een “flinke” trap in de buik, die als pijnlijk wordt ervaren lijkt mij een trauma zoals benoemd als risicofactor in de bovenstaande paragraaf. Er is geen informatie over eventuele “blauwe plekken” op de buik. Wat extra pleit voor een significant effect is dat bij het bloedonderzoek van patiënte direct na het trauma de zogenaamde Kleihauer test significant positief was. Dit wijst op de aanwezigheid van foetaal bloed in de moederlijke bloedbaan. Dit komt doordat in de placenta foetale bloedvaten zijn verscheurd. Echter, dit bewijst niet dat dit ook door het trauma veroorzaakt zou moeten zijn. Er blijft de kans dat dit zich ook spontaan heeft voorgedaan.

Ik acht de relatie (hof: tussen het trauma aan de buik en het in de buik overlijden van het kind) mogelijk.

Ter terechtzitting van de rechtbank van 24 september 2010 heeft deze deskundige onder meer het volgende verklaard:

Het woord “mogelijk” heb ik gebruikt om aan te geven dat de relatie tussen trauma en placentaloslating bestaat. Er kan echter ook een placentaloslating zonder aanwijsbare andere redenen plotseling ontstaan. Het is nooit een 1 op 1 relatie en dan kom je tot de classificering “mogelijk”of “waarschijnlijk”.

Significant in de onderhavige zaak is dat het bloed toch wel afwijkend is. Dat is toch wel een aanwijzing dat er een verscheuring is geweest van de kinderlijke bloedvaten, waarbij bloed van het kind bij het bloed van de moeder gekomen is. Het lastige hierbij is wel dat dit allemaal zo kan gebeuren zonder trauma, dus ook spontaan.

Er is een bloedtransfusie geweest. Met name in de tweede helft van de zwangerschap is spontane transfusie ook mogelijk, sterker nog, het treedt bij elke zwangerschap op, alleen de hoeveelheid is dan niet significant belangrijk.

Bij de classificering van de relatie tussen een eventueel trauma en wat er verder gebeurd is kom ik niet verder dan “mogelijk”.

Het grootste gedeelte van gevallen van placentaloslating vindt plaats zonder risicofactor.

Het kan zijn dat de patiënte een aantal risicofactoren wel of niet had, samen met de mogelijkheid dat trauma daar een invloed op heeft, maar dan blijft de relatie nog steeds mogelijk.

Ik blijf dus zeggen dat het “mogelijk” is dat het trauma heeft bijgedragen aan het loslaten van de placenta, maar dat het ook “mogelijk” is dat dit spontaan gebeurt. Als je alle gevallen van placentaloslating bij elkaar neemt, dan is het grootste deel daarvan spontaan en niet te verklaren.

Hoe meer tijd er is gelegen tussen een trauma en de placentaloslating, hoe moeilijker het is om de 1 op 1 relatie te leggen.

Ik acht de relatie tussen het trauma aan de zwangere buik en het overlijden van het kind “mogelijk”.

Het hof neemt deze conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de zijne.

Nu de deskundige blijft zeggen dat het “mogelijk” is dat het trauma heeft bijgedragen aan het loslaten van de placenta maar dat het ook “mogelijk” is dat dit spontaan is gebeurd, is het hof van oordeel dat geen zodanig causaal verband tussen het overlijden van de ongeboren vrucht en het schoppen door aangeefster is komen vast te staan dat bewezen is dat het overlijden van het ongeboren kind uitsluitend het gevolg is geweest van het handelen van verdachte. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is het hof van oordeel dat het door verdachte eenmaal schoppen of trappen tegen of in de richting van de buik van aangeefster, op de wijze zoals zij dat gedaan heeft, niet zodanig is geweest dat uit de aard van deze handeling kan worden afgeleid dat het opzet van verdachte (al dan niet in voorwaardelijke vorm) gericht was op het doden van het ongeboren kind van aangeefster. Derhalve dient ook vrijspraak te volgen van hetgeen subsidiair aan verdachte wordt verweten (een poging doodslag).

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 28 juni 2007, in de gemeente [A], met een ander in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten (een horecagelegenheid van) winkelcentrum [C], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [aangeefster] (die ruim 7 maanden zwanger was) welk geweld bestond uit:

- aanvallen van die [aangeefster], en

- het opzettelijk gewelddadig schoppen of trappen tegen, althans in de richting van, de buik en de benen van die [aangeefster], en

- het opzettelijk gewelddadig trekken aan de haren van die [aangeefster].

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof is van oordeel dat oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is. Het hof neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking dat verdachte en haar moeder aangeefster zonder enige aanleiding hebben aangevallen toen aangeefster, die op dat moment ruim 29 weken zwanger was, in een horecagelegenheid een ijsje zat te eten. Verdachte en haar moeder hebben aangeefster aan haar haren getrokken en verdachte heeft aangeefster getrapt. Hierdoor heeft zij pijn gehad en is haar angst aangejaagd. Verdachte heeft met haar handelen bovendien de openbare orde ernstig verstoord.

Het hof acht een werkstraf voor de duur van 80 uur in beginsel een passende straf. Tussen het vonnis waarvan beroep en het arrest in hoger beroep is meer dan twee jaar verstreken. Dit dient wegens overschrijding van de redelijke termijn te leiden tot strafvermindering. Het hof zal hiervoor 8 uur in mindering brengen. Tevens dient in mindering gebracht te worden 22 uur werkstraf die verdachte reeds in het kader van een zogenaamde TOM-zitting heeft uitgevoerd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door hechtenis.

Aldus gewezen door

mr R.W. van Zuijlen, voorzitter,

mr C.G. Nunnikhoven en mr W.R. Rosingh, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr M. Vodegel, griffier,

en op 4 maart 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.