Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2709

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
28-02-2013
Zaaknummer
200.115.209
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten plaatsing; redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.115.209

(zaaknummer rechtbank Arnhem 234517)

beschikking van de familiekamer van 31 januari 2013

inzake

[verzoeker],

verblijvende te [plaatsnaam],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen "[verzoeker]”,

advocaat: mr. J. Steenbrink te Arnhem,

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland,

gevestigd te Arnhem,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen “de stichting”,

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende sub 1],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen “de moeder”,

en

[belanghebbende sub 2],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen “de vader”.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Arnhem van 4 oktober 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 oktober 2012, is [verzoeker] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [verzoeker] verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en primair de stichting in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair het verzoek tot een machtiging tot zijn uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg af te wijzen.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 november 2012, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van [verzoeker] bestreden. De stichting verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3 Ter griffie van het hof is op 16 november 2012 een brief van mr. Steenbrink van 15 november 2012 met bijlage binnengekomen.

2.4 De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2012 plaatsgevonden. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de stichting zijn verschenen [...], gezinsvoogd, en mr. [...], jurist. Tevens is verschenen de moeder. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [...] verschenen. De vader is niet verschenen.

2.5 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.6 Desgevraagd heeft de stichting ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende heeft kennisgenomen van de brief van mr. Steenbrink van 15 november 2012 met bijlage, dat zij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.

2.7 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem.

3. De vaststaande feiten

3.1 [verzoeker] is geboren op [geboortedatum] 1996. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over hem.

3.2 De stichting heeft op 7 september 2012 een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (verder te noemen “WJZ”). De stichting heeft verklaard dat zich hier een geval voordoet als bedoeld in het derde lid van artikel 29b WJZ. Een gedragswetenschapper, behorende tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, heeft verklaard in te stemmen met deze verklaring van de stichting.

3.3 Bij beschikking van 10 september 2012 heeft de kinderrechter [verzoeker] voorlopig onder toezicht gesteld tot 7 december 2012 en machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [verzoeker] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van vier weken, tot uiterlijk 5 oktober 2012, en de beslissing voor het overige aangehouden.

3.4 Bij beschikking van 11 september 2012 heeft de kinderrechter de beschikking van 10 september 2012 bekrachtigd en het verzoek tot uithuisplaatsing van [verzoeker] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor het overige afgewezen.

3.5 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 28 september 2012, heeft de stichting verzocht ter effectuering van het indicatiebesluit, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de machtiging te verlengen om [verzoeker] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in verblijf accommodatie zorgaanbieder 24 uurs (gesloten jeugdzorg) voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.6 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de stichting gemachtigd [verzoeker] uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, overeenkomstig het indicatiebesluit van 7 september 2012, met ingang van 4 oktober 2012 tot uiterlijk 7 december 2012.

3.7 Bij beschikking van 12 november 2012 heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, [verzoeker] onder toezicht gesteld (naar het hof begrijpt) van de stichting tot 7 september 2013 en machtiging verleend tot plaatsing van [verzoeker] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, overeenkomstig het indicatiebesluit van 31 oktober 2012, met ingang van 7 december 2012 tot uiterlijk 7 juni 2013.

3.8 [verzoeker] verbleef van 26 januari 2009 tot 19 mei 2009 op vrijwillige basis op de afdeling dagbehandeling van Inzicht te Nijmegen; van 17 januari 2011 tot 8 juli 2011 op vrijwillige basis in een open groep van Avenier te Harreveld; van 28 augustus 2012 tot 5 september 2012 wederom op vrijwillige basis in een open groep van Avenier, en vanaf

7 september 2012 in een gesloten groep van Avenier te Harreveld: het Anker, groep Kompas 1. Vanaf 15 november 2012 verblijft [verzoeker] in een besloten groep van Rentray in Eefde, gemeente Lochem.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ingevolge artikel 29a WJZ is [verzoeker] ontvankelijk in zijn hoger beroep.

4.2 Ingevolge artikel 29b lid 1 WJZ kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k WJZ, het daarbij behorende terrein daaronder begrepen, te doen opnemen en te doen verblijven, ongeacht of de jeugdige daarmee instemt. Ingevolge artikel 29b lid 2 WJZ kan een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt slechts worden verleend indien:

a. de jeugdige onder toezicht is gesteld,

b. de voogdij over de jeugdige berust bij een stichting, of

c. degene die, anders dan bedoeld onder b, het gezag over hem uitoefent, met de opneming en het verblijf instemt.

4.3 Een machtiging kan ingevolge artikel 29b lid 3 WJZ bovendien slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Ingevolge artikel 29b lid 4 WJZ kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien de betrokken stichting een besluit als bedoeld in artikel 6 lid 1 WJZ heeft genomen, dat strekt tot verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder, en heeft verklaard dat zich een geval als bedoeld in het derde lid van artikel 29b WJZ voordoet. Deze verklaring behoeft ingevolge artikel 29b lid 5 WJZ de instemming van een gedragswetenschapper, behorende tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie, die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht.

4.4 Ingevolge artikel 29h lid 3 WJZ bepaalt de kinderrechter de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste de termijn gedurende welke de jeugdige aanspraak heeft op het verblijf.

4.5 Ingevolge artikel 29f lid 1 WJZ hoort de kinderrechter alvorens op een verzoek tot het verlenen van een machtiging te beslissen de jeugdige, degene die het gezag over de minderjarige uitoefent en degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, tenzij de kinderrechter vaststelt dat een persoon niet bereid is zich te doen horen, alsmede de verzoekende stichting en de raad, indien deze de verzoeker is.

4.6 [verzoeker] stelt in zijn eerste grief dat de stichting niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu sprake is van een verkapt hoger beroep omdat het verzoek van de stichting om machtiging te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling bij beschikking van de kinderrechter van 11 september 2012 reeds is afgewezen.

Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 29d WJZ wordt een verzoek, gericht op het verkrijgen van een machtiging of een voorlopige machtiging, ingediend door de stichting van de provincie waar de jeugdige duurzaam verblijft. Indien het verzoek betrekking heeft op een jeugdige die onder toezicht is gesteld of ten aanzien van wie tevens een ondertoezichtstelling wordt verzocht, dan wel ten aanzien van wie de stichting de voogdij uitoefent, wordt het verzoek ingediend door de stichting van de provincie waar de jeugdige zijn woonplaats heeft of door de raad. Ingevolge artikel 1:265 lid 1 BW wordt een dergelijk verzoek schriftelijk gedaan.

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de stichting voldoet aan de door de wet gestelde specifieke vereisten alsmede de algemene vereisten met betrekking tot een verzoekschrift ingevolge de eerste afdeling van de zesde titel van boek 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De wet stelt niet als voorwaarde dat niet eerder een verzoek als het onderhavige mag zijn gedaan. De stichting mocht dan ook - op basis van zich na 11 oktober 2012 voordoende omstandigheden – een nieuw verzoek doen. Dat verzoek valt dan ook niet aan te merken als een verkapt hoger beroep. De eerste grief faalt derhalve.

4.7 In zijn derde grief stelt [verzoeker] dat gesloten plaatsing in een voorziening waarin hij niet thuishoort en niet veilig is en waar een op maat gesneden behandeling uitblijft in strijd is met de artikelen 3, 6, 20 en 37 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en artikel 5 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens.

Het hof overweegt als volgt. De kinderrechter verleent slechts machtiging tot gesloten plaatsing indien is voldaan aan de onder 4.2 en 4.3 genoemde voorwaarden. Of hieraan in het onderhavige geval is voldaan, komt hierna in het kader van de bespreking van grief 2 aan de orde. Het hof overweegt voorts dat een betrekkelijk korte wachttijd totdat de minderjarige kan worden geplaatst in de juiste voorziening onder omstandigheden onvermijdelijk is. In de eerste plaats zal bij de beoordeling welke op maat gesneden behandeling voor de minderjarige het meest in aanmerking komt, doorgaans eerst een (observatie)onderzoek in de desbetreffende instelling noodzakelijk zijn. Na voltooiing van dit onderzoek is niet altijd direct een plaats beschikbaar op de meest in aanmerking komende afdeling van die (of van een andere) instelling. De daarmee samenhangende wachttijd kan, mits sprake is van redelijke termijn, niet in strijd met de hiervoor vermelde verdragsbepalingen worden geoordeeld. De wachttijd tussen de komst van [verzoeker] op 7 september 2012 in de gesloten groep van Avenier, groep Kompas 1, en zijn doorplaatsing op 15 november 2012 in de voor hem geschikt geachte besloten groep van Rentray, acht het hof niet onredelijk lang. Deze grief faalt derhalve.

4.8 [verzoeker] stelt in zijn vierde grief dat de kinderrechter zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de mededelingen van de raad over de uitkomsten van het raadsrapport, terwijl [verzoeker], zijn advocaat en zijn moeder niet over het (concept)rapport beschikten en tegen het gebruik van dit rapport bezwaar hebben gemaakt.

Nu [verzoeker], zijn advocaat en zijn moeder inmiddels kennis hebben genomen van de inhoud van het raadsrapport en daarover hun mening kenbaar hebben kunnen maken, en het hoger beroep tevens dient tot herstel van omissies of fouten in eerste aanleg, behoeft deze grief geen verdere bespreking.

4.9 In zijn tweede grief stelt [verzoeker] dat hij zich met de door de stichting verzochte machtiging tot uithuisplaatsing niet kan verenigen en voert daartoe het volgende aan. De noodzaak van het verlenen van een dergelijke machtiging ontbreekt, omdat er volgens hem geen sprake is van onttrekkingsgevaar. Minder vergaande hulpverlening is afdoende gebleken. Sinds de afwijzing door de kinderrechter bij beschikking van 11 september 2012 van de destijds door de stichting verzochte machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten instelling, zijn de omstandigheden ongewijzigd. [verzoeker] slikt zijn medicatie, gaat naar school en veroorzaakt geen problemen in de groep, aldus nog steeds [verzoeker].

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat bij [verzoeker] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [verzoeker] zich aan de zorg die hij nodig heeft, zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

Uit het raadsrapport van 24 oktober 2012, waarvan het hof de daarin vermelde bevindingen overneemt en tot de zijne maakt, blijkt het volgende. Bij [verzoeker] is sprake van ODD, ADHD en een gegeneraliseerde angststoornis. De medicatie die hij nodig heeft vanwege zijn problematiek, neemt hij niet goed in. [verzoeker] ziet er mager, gespannen en emotioneel uit. Hij is nauwelijks in staat tot zelfreflectie en lijkt geen enkel inzicht te hebben in de gevolgen van zijn daden en heeft de neiging alles te bagatelliseren. Probleeminzicht is er nauwelijks. Enerzijds poneert [verzoeker] zich als stoer en dreigend, anderzijds komt hij over als een veel jonger kind dat vooral heel bang is.

Uit de in het raadsrapport opgenomen informatie van Harreveld komt naar voren dat [verzoeker] zeer gespannen en licht ontvlambaar is. Hij is continu boos, waarbij hij scheldt tegen de groepsleiding. Hij heeft hierin geen rem, kan zelf nauwelijks stoppen en wordt steeds bozer. Op die momenten is hij niet gevoelig voor instructies. [verzoeker] wordt boos op schakelmomenten, wanneer dingen anders lopen dan hij had verwacht en wanneer de groepsleiding hem aanspreekt op zijn gedrag. Hij is erg wantrouwend richting volwassenen. [verzoeker] heeft een gestructureerde, stabiele, prikkelarme en veilige omgeving nodig.

Plaatsing van [verzoeker] in een besloten of gesloten instelling is noodzakelijk. Middels deze plaatsing kan voor [verzoeker] de juiste behandeling worden ingezet. Duidelijk wordt dat [verzoeker] steeds verder afzakt. Zijn stemmingswisselingen en gedragsproblemen nemen in frequentie en intensiteit toe. Binnen een open setting is duidelijk geworden dat de groepsleiding zich machteloos voelt en handelingsverlegen is. Vastgesteld wordt dat [verzoeker] een gevaar is voor zichzelf, anderen in de groep en de groepsleiding. [verzoeker] heeft fysieke begrenzing nodig, wat de open groep hem niet kan bieden.

Het raadsrapport vermeldt verder dat de eerder geboden hulpverlening in het vrijwillige kader is ontoereikend is gebleken. De moeder van [verzoeker] is weliswaar zeer betrokken bij [verzoeker] en heeft ook een goede relatie met hem, maar is ook wisselvallig en vindt het daarnaast moeilijk om bij haar standpunt te blijven. De moeder is daarom pedagogisch onmachtig om [verzoeker] te bieden wat hij, gezien zijn problematiek, nodig heeft. Ook de vader kan op dit moment onvoldoende aansluiten bij [verzoeker], mede gezien het feit dat er lange tijd geen contact tussen hen is geweest en dat het huidige contact tussen hen nog geen vaste vorm heeft. De bedreigde ontwikkeling van [verzoeker] kan onvoldoende op een andere manier worden weggenomen, omdat vrijwillige hulpverlening ontoereikend is gebleken en deze hulpverlening tot op heden ontoereikend is geweest om de ontwikkelingsbedreiging van [verzoeker] weg te nemen.

4.10 Uit het voorgaande volgt dat alle grieven falen en dat het hof de beschikking dient te bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Arnhem van 4 oktober 2012.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.F. Keulen, G.J. Rijken en C.J. Laurentius-Kooter, bijgestaan door mr. C. Nijhuis als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de jongste raadsheer en is op 31 januari 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.