Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2694

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
28-02-2013
Zaaknummer
200.107.156
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling partneralimentatiel; samenwoning voordat het huwelijk is beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2013/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.107.156

(zaaknummer rechtbank Utrecht 310453)

beschikking van de familiekamer van 31 januari 2013

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vrouw”,

advocaat: mr. J.R. Laoût te Baarn,

en

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de man”,

advocaat: mr. C.E. Tonningen-ter Huizen te Hilversum.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Utrecht van 22 februari 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 21 mei 2012, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vrouw verzoekt het hof die beschikking met betrekking tot de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te vernietigen en, opnieuw beschikkende, - uitvoerbaar bij voorraad - te bepalen dat de man aan haar als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 11 mei 2012 € 850,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 juli 2012, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden. Daarbij heeft de man incidenteel hoger beroep ingesteld. De man verzoekt het hof bij beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - het beroep van de vrouw af te wijzen, althans de bestreden beschikking wat betreft de daarbij vastgestelde partneralimentatie te vernietigen en alsnog het verzoek van de vrouw dienaangaande af te wijzen, dan wel de bijdrage in de kosten van levensonderhoud nader vast te stellen op nihil, dan wel een zodanig lager bedrag dan € 650,- als het hof juist acht, alsmede zijn verzoek ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toe te wijzen, kosten rechtens.

2.3 Daarop heeft de vrouw in het incidenteel hoger beroep een verweerschrift, tevens houdende een voorwaardelijk aanvullend verzoek, ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 18 september 2012, waarin zij het hof verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren althans zijn verzoeken in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking, behoudens voor zover daartegen door de vrouw hoger beroep is ingesteld, te bekrachtigen, en voorwaardelijk, voor zover zij stukken haar betreffende in het geding zou moeten brengen, de man te veroordelen tot het in het geding brengen van de bewijsstukken, die hij thans in het beheer heeft inzake de schulden of vorderingen die op hem ontstaan en in de gemeenschap vallen, alsmede van de stortingen en uitgaven, bestaande uit alle afschriften van de huwelijkse jaren van de bij hem in gebruik zijnde rekeningen, kosten rechtens.

2.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 16 november 2012 een brief van mr. Tonningen van 15 november 2012 met bijlagen;

- op 16 november 2012 een brief van mr. Laoût van die datum met bijlagen.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 27 november 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.6 Ter mondelinge behandeling heeft mr. Tonningen een aantal stukken overgelegd, te weten een aanstellingsbrief van de huidige werkgever van de man en een salarisstrook van de man van november 2012.

2.7 Artikel 1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

2.8 Desgevraagd heeft mr. Laoût ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van de salarisstrook van de man van november 2012 van mr. Tonningen ter mondelinge behandeling aangezien deze te laat is ingediend en hij zich hierop onvoldoende heeft kunnen voorbereiden. Het hof heeft daarop beslist dat op de ter mondelinge behandeling overgelegde stukken acht wordt geslagen, met dien verstande dat mr. Laoût de gelegenheid is gegeven om binnen twee weken na 27 november 2012 schriftelijk zijn reactie te geven op de ingediende salarisstrook van november 2012.

2.9 Na de mondelinge behandeling is met toestemming van het hof binnengekomen een brief van mr. Laoût van 7 december 2012.

2.10 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 4 december 1998 met elkaar gehuwd. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 11 mei 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover hier van belang,

- uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de man met ingang van 11 mei 2012 € 352,- per maand zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en bepaald dat de vrouw met ingang van 11 mei 2012 de huurster zal zijn van de woning aan [adres] [woonplaats].

Ten aanzien van de man

3.3 De man woont sinds 1 mei 2012 samen met een vrouw, die in haar eigen levensonderhoud voorziet. Het maandsalaris van de man bedroeg in 2011 € 2.300,- netto.

Het belastbare loon in 2012 van de man bedraagt volgens de salarisspecificatie van november 2012 € 3.298,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag, een eindejaarsuitkering van € 197,88 bruto per maand en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

3.4 De lasten van de man bedragen per maand:

- € 328,- aan huur tot 1 mei 2012 (de helft van de kale huur);

- € 100,05 aan ziektekosten:

- € 130,72 premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,

- € 18,33 verplicht eigen risico,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 49,- per maand voor een alleenstaande;

- € 500,- aan aflossing van zijn schulden.

Ten aanzien van de vrouw

3.5 De vrouw vormt met een kind uit een eerder huwelijk een gezin. De vrouw ontving in 2011 een WIA-uitkering van afgerond € 1.200,- netto per maand. De vrouw ontvangt thans een WIA-uitkering van € 1.651,70 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

3.6 De lasten van de vrouw bedragen per maand:

- € 421,06 aan huur;

- € 86,32 aan ziektekosten:

- € 135,32 premie basis- en aanvullende verzekering ZVW,

verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen nominale deel premie ZVW

van € 49,- per maand voor een alleenstaande.

4. De motivering van de beslissing

4.1 Ter mondelinge behandeling bij dit hof heeft de man voor het eerst (meer subsidiair) verzocht om een afbouwregeling van een eventueel vast te stellen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Nu de rechter dient te waken tegen onnodige vertraging in de procedure, de man dit verzoek in een eerder stadium van de procedure naar voren had kunnen en moeten brengen, en behandeling van dit verzoek tot een vertraging van de procedure zou leiden (de advocaat van de vrouw zou een redelijke termijn moeten krijgen om schriftelijk op dit verzoek te reageren), acht het hof behandeling van dit verzoek in dit stadium van de procedure in strijd met de goede procesorde. Het hof gaat dan ook aan het ter mondelinge behandeling ingediende verzoek voorbij.

4.2 Voor zover de man stelt dat de vrouw is gaan samenwonen, vat het hof evenals de vrouw dit verzoek in het incidenteel hoger beroep op als een beroep op artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vrouw betwist dat zij samenwoont met een ander als waren zij gehuwd.

4.3 Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

Het uitgangspunt dient te zijn dat artikel 1:160 BW restrictief wordt uitgelegd.

De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene die met een ander is gaan samenleven als waren zij gehuwd, definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de gewezen echtgenoot verliest.

Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenwoning van de vrouw met een nieuwe partner in de zin van artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en de ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Een dergelijke keuze ontbreekt indien, en voor zo lang als, een van de partners (nog) is gehuwd (HR 13 juli 2001, LJN ZC3603,

HR 3 juni 2005, LJN AS5961 en HR 11 april 2008, LJN BC3928).

4.4 Vaststaat dat de vrouw tijdens het huwelijk met de man, namelijk nadat de samenleving met de man was beëindigd, maar vóórdat de echtscheidingsbeschikking was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, enige tijd met de heer [A] heeft samengewoond. Nu samenleving voordat het huwelijk is beëindigd niet onder de reikwijdte van artikel 1:160 BW valt, stuit het beroep van de man op genoemd artikel reeds hierop af. Voor zover de man stelt dat de vrouw inmiddels samenwoont met de heer [B] heeft hij die stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende met feiten onderbouwd. Een enkele uitdraai van facebookpagina van [B], waarop staat dat de vrouw zijn partner is, acht het hof daartoe ontoereikend. Aan een bewijsaanbod komt het hof dan ook niet toe.

4.5 De man heeft het hof verzocht om de vrouw op grond van artikel 843a Rv op te leggen, dat zij bewijsstukken overlegt omtrent de inkomsten en uitkeringen die zij ontvangt, alsmede bewijsstukken inzake de omvang en de stand van zaken betreffende een schadeclaim wegens een bedrijfsongeval. Het verzoek is - zoals de rechtbank ook heeft overwogen - te onbepaald geformuleerd om tot een toewijzing te kunnen leiden. In dat verband is van belang dat artikel 843a Rv slechts aanspraken biedt ten aanzien van “bepaalde bescheiden”. De man heeft voorts, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende onderbouwd dat er nu al enige letselschade-uitkering heeft plaatsgevonden.

4.6 Partijen zijn verdeeld over de behoefte van de vrouw. Voor de bepaling van de hoogte van de mede aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte van de vrouw dient het hof rekening te houden met alle relevante omstandigheden, waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van de daadwerkelijke huwelijkse samenleving als het uitgavenpatroon in dezelfde periode. De behoefte dient daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud te worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de vrouw redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door het hof op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

4.7 Nu de vrouw het door haar in hoger beroep overgelegde overzicht van maandelijkse uitgaven niet met specificaties heeft onderbouwd, en de man de door haar aldus berekende behoefte van € 2.500,- per maand gemotiveerd heeft betwist, gaat het hof evenals de rechtbank uit van het gezamenlijk gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk dat door beide partijen werd verdiend, ongeveer € 3.500,- (de man € 2.300,- en de vrouw € 1.200,-) netto per maand inclusief vakantietoeslag. Dit bedrag geeft een aanwijzing voor de welstand tijdens het huwelijk van partijen. Het hof verwerpt de grief van de vrouw dat haar inkomen tijdens het huwelijk € 4.000,- per maand was, nu dit niet het inkomen is dat zij gedurende de laatste jaren van het huwelijk had. Het bedrag van € 3.500,- dient verminderd te worden met de kosten van twee kinderen uit een eerder huwelijk van de vrouw van in totaal € 775,- per maand, zodat € 2.725,- per maand resteert voor beide partijen samen. Omdat een huishouding van een alleenstaande relatief duurder is dan van iemand die samenwoont, kan de behoefte van de vrouw gesteld worden op 60% van dit bedrag, ofwel € 1.635,- per maand netto.

4.8 Rekening houdend met de inkomsten van de vrouw, zoals hiervoor onder 3.5 overwogen, heeft de vrouw dan ook behoefte aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 340,- netto per maand (€ 1.635,- minus

€ 1.295,- netto per maand WIA-uitkering vrouw), ofwel € 585,- bruto per maand.

4.9 De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw betwist dat.

4.10 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit van de hiervoor onder 3.3 en 3.4 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

4.11 Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt het hof rekening met de op de salarisspecificatie van november 2012 vermelde pensioenpremie van € 59,83 per maand, de VUT-premie van € 40,11 per maand, alsmede de inkomstenbelasting en de door de werkgever afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

4.12 Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw betreft, houdt het hof evenals de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

4.13 Bij gebreke van gegevens over de woonlasten van de man sinds 1 mei 2012, gaat het hof evenals de rechtbank uit van de helft van de huur die de man tot 1 mei 2012 heeft voldaan, derhalve € 328,- per maand.

4.14 Ten aanzien van de door de man opgevoerde maandlast voor na te noemen schuld stelt het hof voorop dat in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen. Ook kunnen er anderszins onredelijk te achten schulden zijn die de rechter, maar alleen goed gemotiveerd, buiten beschouwing kan laten.

4.15 De man voert een maandlast op van € 250,- per maand voor de schuld aan zijn advocaat waarvan de hoofdsom op 31 oktober 2012 € 9.103,38 bedroeg. Het hof houdt overeenkomstig de aanbeveling uit het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen rekening met € 114,- per maand aan aflossing op de advocaatkosten van de man gedurende een jaar, dat wil zeggen tot 11 mei 2013.

4.16 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden en gelet op de fiscale consequenties van een en ander heeft de man met ingang van 10 mei 2012 draagkracht voor een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw overeenkomstig haar behoefte van € 585,- bruto per maand.

4.17 Omdat de man stelt dat de vrouw bij toekenning van partneralimentatie in een betere financiële positie komt dan hij, ziet het hof aanleiding een jusvergelijking te maken. Daarbij houdt het hof aan de zijde van de vrouw rekening met de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60 en de hiervoor onder 3.5 en 3.6 vermelde financiële gegevens. Uit deze berekening blijkt dat de vrouw van 11 mei 2012 tot

11 mei 2013 bij een bijdrage van € 585,- per maand overeenkomstig haar behoefte meer vrij te besteden overhoudt dan de man. Bij een alimentatie van € 552,- per maand in de periode van 11 mei 2012 tot 11 mei 2013 hebben partijen een gelijke vrije ruimte. Vanaf 11 mei 2013 dient de man overeenkomstig haar behoefte bij te dragen, nu de vrouw vanaf die datum (wegens een daling van de schuldenlast van de man) met een alimentatie van € 585,- per maand niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man. Bij deze vergelijking heeft het hof geen rekening gehouden met huurtoeslag aan de zijde van de vrouw, nu zij daarop, zoals zij in grief 4 terecht naar voren heeft gebracht, bij alimentatiebetalingen door de man van respectievelijk € 552,- per maand en € 585,- per maand, geen recht heeft. Het hof zal daarom deze bedragen vaststellen.

5. De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te vernietigen en te beslissen als volgt.

5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 22 februari 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man met ingang van 11 mei 2012 tot 11 mei 2013 met € 552,- per maand en vanaf 11 mei 2013 met € 585,- per maand zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, H.L. van der Beek en M.H.H.A. Moes, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op

31 januari 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.