Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1390

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2013
Datum publicatie
18-02-2013
Zaaknummer
21-003023-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:BX0829, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(onderstaand arrest is een vervolg op het vonnis onder LJN nr BX0829)

Bij pleidooi heeft de raadsvrouw in dit verband gewezen op de mogelijkheid dat verdachte toen hij in de woning van zijn vader kwam deze daar al dood en badend in bloed heeft aangetroffen. Verdachte zou door de indruk die deze ervaring op hem gemaakt heeft fantasie en werkelijkheid door elkaar zijn gaan halen.

Op zuiver kennistheoretische gronden kan dit laatste alternatieve scenario niet bij voorbaat worden uitgesloten. De kans dat verdachte na een plotselinge confrontatie van een door een ander of anderen gedode vader niet direct alarm zou hebben geslagen maar daarover steeds volledig zou hebben gezwegen acht het hof echter zodanig gering - nu objectieve factoren die op enigerlei wijze steun geven aan dat scenario ontbreken - dat ook zonder nader onderzoek een dergelijke alternatieve gang van zaken verder buiten beschouwing kan en moet blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

(Onderstaand arrest is een vervolg op het vonnis van de rechtbank Utrecht met LJN nr BX0829)

Parketnummer: 21-003023-12

Uitspraak d.d.: 18 februari 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 9 juli 2012 in de strafzaak tegen

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in PI [plaats PI].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 februari 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr A. Foppen en mr D.L.A.M. Pluijmakers, naar voren is gebracht.

Beoordeling van een (voorwaardelijk) verzoek

De raadslieden hebben – zij het voorwaardelijk – opnieuw verzocht nader onderzoek te verrichten alvorens tot een bewezenverklaring te komen. Ter terechtzitting werd reeds op dit verzoek beslist.

Alvorens over te gaan tot de beslissing omtrent het bewijs van het tenlastegelegde heeft het hof in raadkamer dit verzoek opnieuw beoordeeld en daarbij betrokken het bij pleidooi geopperde nieuwe alternatieve scenario.

In de kern komt dit verzoek er op neer dat ondanks bekennende verklaringen die verdachte heeft afgelegd over zijn betrokkenheid bij de dood van zijn vader de mogelijkheid openblijft dat die verklaringen niet overeenstemmen met wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan

en dat nader onderzoek geboden is naar mogelijke alternatieve scenario’s nu de politie geen of te weinig onderzoek heeft gedaan naar een andere toedracht dan die welke zou kunnen worden afgeleid uit de verklaringen van verdachte. De raadslieden wijzen erop dat wanneer verdachte spreekt over de kleding die zijn vader ten tijde van diens overlijden droeg (een badjas), hij die wetenschap kan hebben ontleend aan de processtukken of doordat zijn grootvader hem dat verteld heeft. Het is, aldus de raadslieden, een reële mogelijkheid dat verdachte zich alleen maar inbeeldt zijn vader om het leven te hebben gebracht. Bij pleidooi heeft de raadsvrouw in dit verband gewezen op de mogelijkheid dat verdachte toen hij in de woning van zijn vader kwam deze daar al dood en badend in bloed heeft aangetroffen. Verdachte zou door de indruk die deze ervaring op hem gemaakt heeft fantasie en werkelijkheid door elkaar zijn gaan halen.

Op zuiver kennistheoretische gronden kan dit laatste alternatieve scenario niet bij voorbaat worden uitgesloten. De kans dat verdachte na een plotselinge confrontatie van een door een ander of anderen gedode vader niet direct alarm zou hebben geslagen maar daarover steeds volledig zou hebben gezwegen acht het hof echter zodanig gering - nu objectieve factoren die op enigerlei wijze steun geven aan dat scenario ontbreken - dat ook zonder nader onderzoek een dergelijke alternatieve gang van zaken verder buiten beschouwing kan en moet blijven.

Het hof heeft ter zitting de grootvader van verdachte gehoord. Op grond van diens verklaring sluit het hof uit dat verdachte van zijn grootvader heeft gehoord dat zijn vader ten tijde van zijn overlijden een badjas droeg. Verdachte heeft die bijzonderheid vermeldt toen in de processtukken abusievelijk de kleding van het slachtoffer nog anders werd beschreven.

De slotsom luidt dat het hof geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de conclusie wettigen dat enig nader onderzoek noodzakelijk is. Voor de door de raadslieden geopperde mogelijke alternatieve scenario’s bestaan onvoldoende aanknopingspunten. De enkele theoretische mogelijkheid van een mogelijk geachte andere gang van zaken is onvoldoende om anders te oordelen nu objectieve aanwijzingen die de waarschijnlijkheid van een dergelijk alternatief scenario ondersteunen ontbreken.

Het hof merkt nog op dat in eerste instantie de politie een breed opgezet onderzoek heeft verricht waarbij allerlei mogelijkheden zijn onderzocht. Pas na enige maanden werd verdachte als zodanig aangemerkt.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist behalve met betrekking tot de straftoemeting en de opgelegde straf. Daarom dient het vonnis voor wat de betreft de opgelegde straf en de daarvoor onder 5.2 gegeven redengeving te worden vernietigd. Met betrekking tot de strafoplegging en hetgeen daarvoor als redengeving geldt komt in de plaats hetgeen hierna dienaangaande wordt overwogen en beslist. Het vonnis waarvan beroep wordt voor het overige bevestigd.

De strafoplegging

Het hof heeft bij de beoordeling van de op te leggen straf gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij acht geslagen op de vordering van de officier van justitie, de strafoplegging door de rechtbank en de door de advocaat-generaal gevorderde straf. De rechtbank legde een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren op. De advocaat-generaal requireerde oplegging van een gevangenisstraf van 10 jaren.

a. De ernst van het bewezenverklaarde feit

Verdachte heeft zijn vader in diens woning te [woonplaats slachtoffer] van het leven beroofd door diens keel met een mes of een ander scherp voorwerp door te snijden. Tengevolge van het daardoor ontstane bloedverlies is het slachtoffer, waarschijnlijk kort nadien, overleden.

Doodslag is een van de ernstigste misdrijven welke ons recht kent. Deze doodslag levert niet alleen diepgaand en onherstelbaar verlies op voor de familieleden en de andere bekenden van het slachtoffer, de (algemene) rechtsorde is hierdoor ook ernstig aangetast. Ook derden die het slachtoffer niet hebben gekend zullen met ontzetting hiervan kennis hebben genomen.

Niet is komen vast te staan of het slachtoffer op het moment van doorsnijding van zijn keel nog bij bewustzijn was of tengevolge van eerder toegebracht hoofdletsel het bewustzijn al had verloren.

Het hof kan slechts gissen naar bijzondere omstandigheden die mogelijkerwijs verdachte er toe hebben gebracht zijn vader te doden, nu verdachte daarover geen details heeft willen verstrekken of heeft kunnen verstrekken.

De ernst van de bewezenverklaarde doodslag rechtvaardigt op zich oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. Het hof betrekt bij dit oordeel de hoogte van straffen welke in vergelijkbare gevallen van doodslag plegen te worden opgelegd. Voor de beoordeling van de ernst van het feit speelt ook een rol het wettelijk strafmaximum van 15 jaren.

b. De persoon van verdachte

Verdachte heeft aanvankelijk ontkend dat hij zijn vader heeft gedood. Nadat hij enige tijd in voorarrest had doorgebracht is hij op vrije voeten gesteld.

Aangenomen moet worden dat indien verdachte zich niet enige jaren later bij de politie zou hebben gemeld en vervolgens, zij het in beperkte mate, opening van zaken zou hebben gegeven het hoogst onzeker is of ooit zou zijn vastgesteld wie verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer.

De omstandigheid dat verdachte zich spontaan bij de politie heeft gemeld en bekennende verklaringen heeft afgelegd weegt sterk in zijn voordeel nu daardoor de onzekerheid kan worden weggenomen over de vraag wie het slachtoffer heeft gedood.

Verdachte heeft slechts in beperkte mate details verteld over de gang van zaken voorafgaand en tijdens de doodslag. Het hof kan niet vaststellen of verdachte zich thans inderdaad niet (meer) details herinnert of dat hij geen verdere details wil openbaren. Deze omstandigheid speelt voor de straftoemeting echter geen rol.

De jeugdige leeftijd van verdachte is een factor die een matigend effect heeft bij de straftoemeting. Verdachte was ten tijde van de doodslag nog geen 19 jaar oud.

De samenleving heeft er belang bij dat verdachte in de gelegenheid wordt gesteld op betrekkelijk korte termijn zijn leven in de vrije samenleving goed in te richten en zich te ontwikkelen tot een volwaardig lid van die samenleving. Verdachte wil zich daarvoor inzetten.

Het hof merkt op dat de hiervoor genoemde matigende factoren allen in dezelfde mate een rol hebben gespeeld bij de bepaling van de op te leggen straf.

De omstandigheid dat verdachte geen (relevante) eerdere veroordelingen ter zake van strafbare feiten heeft is, vanwege de buitengewone ernst van het bewezenverklaarde, geen relevante factor voor de straftoemeting.

c. De strafoplegging

Het hof is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur een passende sanctie vormt.

Alles afwegend is het hof van oordeel een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren moet worden opgelegd. Die straf is passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het (doen) verrichten van onderzoek naar alternatieve scenario’s.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van strafoplegging en hetgeen dienaangaande onder 5.6. in het vonnis is overwogen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr C.G. Nunnikhoven, voorzitter,

mr R.W. van Zuijlen en mr P. van Kesteren, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr J.M. van Westerlaak, griffier,

en op 18 februari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr P. van Kesteren is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Parketnummer: 21-003023-12

Uitspraak d.d.: 18 februari 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 9 juli 2012 in de strafzaak tegen

[naam verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in PI [plaats PI].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 februari 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr A. Foppen en mr D.L.A.M. Pluijmakers, naar voren is gebracht.

Beoordeling van een (voorwaardelijk) verzoek

De raadslieden hebben – zij het voorwaardelijk – opnieuw verzocht nader onderzoek te verrichten alvorens tot een bewezenverklaring te komen. Ter terechtzitting werd reeds op dit verzoek beslist.

Alvorens over te gaan tot de beslissing omtrent het bewijs van het tenlastegelegde heeft het hof in raadkamer dit verzoek opnieuw beoordeeld en daarbij betrokken het bij pleidooi geopperde nieuwe alternatieve scenario.

In de kern komt dit verzoek er op neer dat ondanks bekennende verklaringen die verdachte heeft afgelegd over zijn betrokkenheid bij de dood van zijn vader de mogelijkheid openblijft dat die verklaringen niet overeenstemmen met wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan

en dat nader onderzoek geboden is naar mogelijke alternatieve scenario’s nu de politie geen of te weinig onderzoek heeft gedaan naar een andere toedracht dan die welke zou kunnen worden afgeleid uit de verklaringen van verdachte. De raadslieden wijzen erop dat wanneer verdachte spreekt over de kleding die zijn vader ten tijde van diens overlijden droeg (een badjas), hij die wetenschap kan hebben ontleend aan de processtukken of doordat zijn grootvader hem dat verteld heeft. Het is, aldus de raadslieden, een reële mogelijkheid dat verdachte zich alleen maar inbeeldt zijn vader om het leven te hebben gebracht. Bij pleidooi heeft de raadsvrouw in dit verband gewezen op de mogelijkheid dat verdachte toen hij in de woning van zijn vader kwam deze daar al dood en badend in bloed heeft aangetroffen. Verdachte zou door de indruk die deze ervaring op hem gemaakt heeft fantasie en werkelijkheid door elkaar zijn gaan halen.

Op zuiver kennistheoretische gronden kan dit laatste alternatieve scenario niet bij voorbaat worden uitgesloten. De kans dat verdachte na een plotselinge confrontatie van een door een ander of anderen gedode vader niet direct alarm zou hebben geslagen maar daarover steeds volledig zou hebben gezwegen acht het hof echter zodanig gering - nu objectieve factoren die op enigerlei wijze steun geven aan dat scenario ontbreken - dat ook zonder nader onderzoek een dergelijke alternatieve gang van zaken verder buiten beschouwing kan en moet blijven.

Het hof heeft ter zitting de grootvader van verdachte gehoord. Op grond van diens verklaring sluit het hof uit dat verdachte van zijn grootvader heeft gehoord dat zijn vader ten tijde van zijn overlijden een badjas droeg. Verdachte heeft die bijzonderheid vermeldt toen in de processtukken abusievelijk de kleding van het slachtoffer nog anders werd beschreven.

De slotsom luidt dat het hof geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die de conclusie wettigen dat enig nader onderzoek noodzakelijk is. Voor de door de raadslieden geopperde mogelijke alternatieve scenario’s bestaan onvoldoende aanknopingspunten. De enkele theoretische mogelijkheid van een mogelijk geachte andere gang van zaken is onvoldoende om anders te oordelen nu objectieve aanwijzingen die de waarschijnlijkheid van een dergelijk alternatief scenario ondersteunen ontbreken.

Het hof merkt nog op dat in eerste instantie de politie een breed opgezet onderzoek heeft verricht waarbij allerlei mogelijkheden zijn onderzocht. Pas na enige maanden werd verdachte als zodanig aangemerkt.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist behalve met betrekking tot de straftoemeting en de opgelegde straf. Daarom dient het vonnis voor wat de betreft de opgelegde straf en de daarvoor onder 5.2 gegeven redengeving te worden vernietigd. Met betrekking tot de strafoplegging en hetgeen daarvoor als redengeving geldt komt in de plaats hetgeen hierna dienaangaande wordt overwogen en beslist. Het vonnis waarvan beroep wordt voor het overige bevestigd.

De strafoplegging

Het hof heeft bij de beoordeling van de op te leggen straf gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder het is begaan en de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij acht geslagen op de vordering van de officier van justitie, de strafoplegging door de rechtbank en de door de advocaat-generaal gevorderde straf. De rechtbank legde een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren op. De advocaat-generaal requireerde oplegging van een gevangenisstraf van 10 jaren.

a. De ernst van het bewezenverklaarde feit

Verdachte heeft zijn vader in diens woning te [woonplaats slachtoffer] van het leven beroofd door diens keel met een mes of een ander scherp voorwerp door te snijden. Tengevolge van het daardoor ontstane bloedverlies is het slachtoffer, waarschijnlijk kort nadien, overleden.

Doodslag is een van de ernstigste misdrijven welke ons recht kent. Deze doodslag levert niet alleen diepgaand en onherstelbaar verlies op voor de familieleden en de andere bekenden van het slachtoffer, de (algemene) rechtsorde is hierdoor ook ernstig aangetast. Ook derden die het slachtoffer niet hebben gekend zullen met ontzetting hiervan kennis hebben genomen.

Niet is komen vast te staan of het slachtoffer op het moment van doorsnijding van zijn keel nog bij bewustzijn was of tengevolge van eerder toegebracht hoofdletsel het bewustzijn al had verloren.

Het hof kan slechts gissen naar bijzondere omstandigheden die mogelijkerwijs verdachte er toe hebben gebracht zijn vader te doden, nu verdachte daarover geen details heeft willen verstrekken of heeft kunnen verstrekken.

De ernst van de bewezenverklaarde doodslag rechtvaardigt op zich oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. Het hof betrekt bij dit oordeel de hoogte van straffen welke in vergelijkbare gevallen van doodslag plegen te worden opgelegd. Voor de beoordeling van de ernst van het feit speelt ook een rol het wettelijk strafmaximum van 15 jaren.

b. De persoon van verdachte

Verdachte heeft aanvankelijk ontkend dat hij zijn vader heeft gedood. Nadat hij enige tijd in voorarrest had doorgebracht is hij op vrije voeten gesteld.

Aangenomen moet worden dat indien verdachte zich niet enige jaren later bij de politie zou hebben gemeld en vervolgens, zij het in beperkte mate, opening van zaken zou hebben gegeven het hoogst onzeker is of ooit zou zijn vastgesteld wie verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer.

De omstandigheid dat verdachte zich spontaan bij de politie heeft gemeld en bekennende verklaringen heeft afgelegd weegt sterk in zijn voordeel nu daardoor de onzekerheid kan worden weggenomen over de vraag wie het slachtoffer heeft gedood.

Verdachte heeft slechts in beperkte mate details verteld over de gang van zaken voorafgaand en tijdens de doodslag. Het hof kan niet vaststellen of verdachte zich thans inderdaad niet (meer) details herinnert of dat hij geen verdere details wil openbaren. Deze omstandigheid speelt voor de straftoemeting echter geen rol.

De jeugdige leeftijd van verdachte is een factor die een matigend effect heeft bij de straftoemeting. Verdachte was ten tijde van de doodslag nog geen 19 jaar oud.

De samenleving heeft er belang bij dat verdachte in de gelegenheid wordt gesteld op betrekkelijk korte termijn zijn leven in de vrije samenleving goed in te richten en zich te ontwikkelen tot een volwaardig lid van die samenleving. Verdachte wil zich daarvoor inzetten.

Het hof merkt op dat de hiervoor genoemde matigende factoren allen in dezelfde mate een rol hebben gespeeld bij de bepaling van de op te leggen straf.

De omstandigheid dat verdachte geen (relevante) eerdere veroordelingen ter zake van strafbare feiten heeft is, vanwege de buitengewone ernst van het bewezenverklaarde, geen relevante factor voor de straftoemeting.

c. De strafoplegging

Het hof is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat alleen een vrijheidsbenemende straf van aanmerkelijke duur een passende sanctie vormt.

Alles afwegend is het hof van oordeel een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren moet worden opgelegd. Die straf is passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het (doen) verrichten van onderzoek naar alternatieve scenario’s.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van strafoplegging en hetgeen dienaangaande onder 5.6. in het vonnis is overwogen en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr C.G. Nunnikhoven, voorzitter,

mr R.W. van Zuijlen en mr P. van Kesteren, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr J.M. van Westerlaak, griffier,

en op 18 februari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr P. van Kesteren is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.