Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1026

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
12-00242
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rioolheffing.

56 bungalows in bungalowpark terecht afzonderlijk aangeslagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/359
Belastingblad 2013/116
V-N 2013/28.26 met annotatie van Redactie
FutD 2013-0485
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM – LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

nummer 12/00242

uitspraakdatum: 29 januari 2013

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 maart 2012, nummer 11/430 RIOOLR,

in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rijssen-Holten (hierna: de Ambtenaar).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 De Ambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2011 – onder meer – 58 aanslagen in de rioolheffing opgelegd van elk € 232, derhalve tot een totaalbedrag van € 13.456. Deze aanslagen zijn, met andere aanslagen, verenigd op één biljet.

1.2 Bij uitspraak op het door belanghebbende ingediende bezwaar heeft de Ambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslagen gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Almelo (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 21 maart 2012 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, zijn echtgenote en zijn gemachtigde alsmede de Ambtenaar.

1.7 Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan, met bijlagen, aan het Hof en aan de wederpartij overgelegd.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende is eigenaar van het bungalowpark A te Z dat bestaat uit 56 afzonderlijke bungalows, een dienstwoning en centrale voorzieningen, waaronder een receptie en een restaurant (hierna: het park).

2.2 De bungalows worden, telkens voor een korte periode, verhuurd. Permanente bewoning van de bungalows is niet toegestaan. De bungalows, met een woonkamer en één of meer slaapkamers, zijn elk voorzien van – onder meer – een volwaardige kookgelegenheid, een badkamer en een toilet. De bungalows zijn afsluitbaar.

2.3 De bungalows zijn – centraal – aangesloten op de openbare nutsvoorzieningen. Zij beschikking niet over afzonderlijke energie- en watermeters. De bungalows zijn aangesloten op het eigen rioleringsstelsel van het park dat op zijn beurt weer is aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is nog slechts in geschil of de Ambtenaar terecht het park heeft onderscheiden in 58 percelen en even zovele aanslagen in de rioolheffing heeft opgelegd.

3.2 Belanghebbende verdedigt dat het park voor de rioolheffing als één perceel moet worden aangemerkt. De bungalows zijn geen zelfstandige eenheden omdat zij afhankelijk zijn van de centrale voorzieningen en geen aparte meters hebben voor het gas-, water- en elektriciteitsverbruik. Voorts zou een heffing per bungalow volgens belanghebbende niet tot zulke grote verschillen mogen leiden als in dit geval. Indien éénmaal rioolheffing wordt berekend aan de hand van het totale waterverbruik, bedraagt de rioolheffing ongeveer € 7.800. Belanghebbende beroept zich tot slot op het gelijkheidsbeginsel. Hij concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en die van de Ambtenaar, en – naar het Hof begrijpt – tot vernietiging van alle aanslagen, waarna de Ambtenaar een nieuwe aanslag kan opleggen, berekend naar het werkelijke waterverbruik van het park

3.3 De Ambtenaar is van mening dat de verordening juist is toegepast. De aanslagen zijn terecht opgelegd. Hij concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Op grond van de Verordening rioolheffing 2011 van de gemeente Rijssen-Holten (hierna: de Verordening) wordt (artikel 1) onder een perceel verstaan een roerende of een onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan, wordt (artikel 2) onder de naam rioolheffing een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente zijn verbonden aan – onder meer – de inzameling, het transport en de zuivering van huishoudelijk afvalwater, en wordt (artikel 3) de belasting geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. In artikel 4 van de Verordening is bepaald dat, indien gedeelten van een perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, de belasting wordt geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte. Naar het oordeel van het Hof volgt daaruit dat een zodanig gedeelte wordt aangemerkt als een perceel als bedoeld in artikel 3.

4.2 In hoger beroep is niet langer in geschil dat belanghebbende moet worden aangemerkt als gebruiker in de zin van de Verordening.

4.3 Omtrent de dienstwoning en de centrale voorziening is door belanghebbende niet gesteld dat die niet als een perceel in de zin van de Verordening kunnen worden aangemerkt. Gelet op de – vermoedelijke – aard daarvan acht het Hof ook aannemelijk dat sprake is van zelfstandige gedeelten van een onroerende zaak en derhalve van percelen in de zin van de Verordening.

4.4 Op grond van de voorzieningen in de bungalows en de afsluitbaarheid daarvan is het Hof van oordeel dat ook de bungalows zijn aan te merken als afzonderlijke percelen in de zin van de Verordening. Dat de bungalows niet beschikken over een eigen gas-, water- of elektriciteitsmeter doet daaraan niet af.

4.5 Het is niet in geschil dat vanuit alle hiervoor bedoelde percelen indirect, door middel van het rioleringsstelsel van het park, water wordt afgevoerd op de gemeentelijke riolering.

4.6 Uit het voorgaande volgt dat de Ambtenaar terecht 58 aanslagen in de rioolheffing heeft opgelegd voor de even zovele percelen in de zin van de Verordening waaruit het park bestaat.

4.7 Het is niet aan de rechter om een oordeel te geven over de billijkheid van de Verordening en de daarin opgenomen belastbare feiten en tarieven. Die Verordening moet, als een resultaat van wetgevende arbeid van de gemeenteraad, worden geëerbiedigd tenzij zij zou leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de gemeentewetgever niet bedoeld kan hebben. Daarvan kan in dit geval naar het oordeel van het Hof niet worden gesproken, ook niet indien, zoals belanghebbende stelt, de heffing beperkt zou blijven tot een bedrag van ongeveer € 7.800 indien het park als één perceel zou worden aangemerkt en evenmin indien in aanmerking wordt genomen dat de bungalows slechts een gedeelte van het jaar bezet zijn.

4.8 Belanghebbende heeft in eerste aanleg voor de Rechtbank gesteld dat het opleggen van 58 aanslagen in de rioolheffing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel omdat met het park vergelijkbare bedrijven één aanslag in de rioolheffing krijgen die is berekend naar de werkelijke hoeveelheid ingenomen water. Hij heeft, ter onderbouwing daarvan, een lijst overgelegd met de namen van zes van die bedrijven. De Ambtenaar heeft daarnaar een onderzoek ingesteld en de Rechtbank daarover bericht. De Rechtbank heeft het beroep op het gelijkheidsbeginsel vervolgens verworpen.

4.9 Belanghebbende heeft in hoger beroep zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel herhaald en ter zitting verklaard dat één bedrijf ten onrechte op voormelde lijst van zes bedrijven stond. In zoverre was van een vergelijkbaar geval geen sprake. Hij stelt dat met betrekking tot de overige bedrijven sprake is van gelijke gevallen. Omtrent de feitelijke situatie heeft de echtgenote van belanghebbende ter zitting van het Hof een globale verklaring afgelegd. Specifieke informatie hebben de eigenaren van de betreffende bedrijven haar niet willen geven. De Ambtenaar heeft ter zitting betwist dat sprake is van gelijke gevallen en verklaard dat hij, voorafgaand aan de informatie aan de Rechtbank, van alle genoemde bedrijven de feitelijke situatie is nagegaan en dat hem daarbij niet was gebleken dat de Verordening onjuist was toegepast.

4.10 Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende, als bijlage bij zijn pleitnota, drie aanslagen rioolheffing (en een factuur van Vitens NV) overgelegd die zijn opgelegd aan twee zorginstellingen en aan een – reeds eerder door hem genoemd – recreatiebedrijf (B) en waarbij is uitgegaan van één perceel. Belanghebbende stelt dat ook in de door hem aanvullend genoemde gevallen sprake is van met hem vergelijkbare gevallen. De Ambtenaar heeft ter zitting verklaard dat hij onvoldoende in staat is op de aan de zorginstellingen opgelegde aanslagen te reageren en dat hij niet op de hoogte is van de feitelijke situaties zodat hij niet kan beoordelen of sprake is van gelijke gevallen

4.11 Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, tegenover de betwisting door de Ambtenaar onvoldoende concrete en verifieerbare feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die leiden tot het oordeel dat sprake is van gelijke gevallen en dat de Ambtenaar in dit geval het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Dat hij omtrent de feitelijke situaties in de door hem genoemde gevallen niet voldoende informatie van de eigenaren kan krijgen, moet voor zijn risico blijven. Slechts met betrekking tot het door belanghebbende genoemde Recreatiebedrijf B is mogelijk sprake van een met hem vergelijkbaar geval. Dat de aldaar geplaatste trekkershutten voldoende zelfstandigheid bezitten om als perceel in de zin van de Verordening te worden aangemerkt, is door de Ambtenaar bestreden, terwijl de echtgenote van belanghebbende ter zitting van het Hof heeft verklaard dat zij deze niet van binnen heeft bekeken. Met betrekking tot de stacaravans heeft de Ambtenaar echter verklaard dat zij niet zelfstandig zijn aangeslagen omdat zij roerend zijn. Dat standpunt berust echter op een onjuiste lezing van de Verordening. Daarin wordt immers geen onderscheid gemaakt tussen roerende en onroerende zaken. Dit kan er evenwel niet toe leiden dat de onderhavige aanslagen moeten worden vernietigd. Zo omtrent die stacaravans al zou moeten worden geoordeeld dat sprake is van percelen in de zin van de Verordening (ook hier is echter niets met zekerheid vast te stellen omtrent de feitelijke situatie) dan nog is niet aannemelijk geworden dat de Ambtenaar in een meerderheid van met belanghebbende vergelijkbare gevallen de Verordening onjuist heeft toegepast.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is op 29 januari 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (J.P.M. Kooijmans)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 29 januari 2013.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.