Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0641

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-01-2013
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
200.098.848
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang onderhoudsverplichting stiefouder, in dit geval omstandigheden op basis waarvan geen rekening wordt gehouden met draagkracht stiefouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/7.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.098.848

(zaaknummers rechtbank 304887 en 304892)

beschikking van de familiekamer van 17 januari 2013

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen “de vader”,

advocaat: mr. L.D.H. Lesmeister te Amersfoort,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen ‘de moeder’,

advocaat: mr. D. Vrolijks te Amersfoort.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof heeft op 24 mei 2012 een tussenbeschikking gegeven.

1.2 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 17 september 2012 een brief van mr. Vrolijks van 14 september 2012;

- op 17 september 2012 een brief van mr. Lesmeister van dezelfde datum;

- op 23 november 2012 een brief van mr. Vrolijks van 22 november 2012 met bijlagen.

1.3 De voortgezette mondelinge behandeling heeft op 30 november 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is niemand verschenen.

1.4 Desgevraagd heeft mr. Lesmeister ter mondelinge behandeling meegedeeld dat zij voldoende heeft kennisgenomen van de brief van mr. Vrolijks van 22 november 2012 met bijlagen, dat zij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat zij instemt met overlegging van die bijlagen zonder nadere maatregel van het hof. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.

1.5 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem.

2. De vaststaande feiten

2.1 Behalve de in de tussenbeschikking van 24 mei 2012 onder 3 vermelde feiten staan in deze procedure de navolgende feiten vast.

2.2 De vader woont met ingang van 1 juli 2012 samen met zijn nieuwe partner, [A.] (verder: [A.]). De vader en [A.] zijn op 3 september 2012 met elkaar gehuwd en samen verwachten zij in april 2013 een kind.

2.3 Het inkomen van de vrouw bedraagt blijkens de salarisspecificaties van januari 2012 tot en met maart 2012 en van juni 2012 tot en met augustus 2012 € 4.270,40 bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag en de belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW van € 296,21 per maand.

3. De motivering van de beslissing

3.1 Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 24 mei 2012, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

3.2 In die beschikking heeft het hof overwogen dat partijen, in het belang van [kind 1] en [kind 2], aanhouding van deze procedure verlangen om zich te bezinnen over de verdere voortgang daarvan. Partijen zijn overeengekomen dat, totdat zij anders overeenkomen of anders wordt beslist door het hof, de huidige omgangsregeling in stand blijft en de vader met ingang van 1 mei 2012 € 225,- per kind per maand betaalt als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2]. De achterstallige alimentatie van € 1.800,- zal de vader in vier maandelijkse termijnen van € 450,- voldoen, waarvan de eerste termijn op 1 juni 2012 dient te worden voldaan. De afspraak met betrekking tot de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] heeft een voorlopig karakter in die zin dat, tenzij partijen anders overeenkomen, het hof die bijdrage nog op een ander bedrag kan vaststellen. Het hof heeft daarop beslist conform deze afspraak van partijen in die zin dat de vader met ingang van 1 mei 2012 € 225,- per kind per maand betaalt als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2], dat hij in vier maandelijkse termijnen van € 450,- de achterstallige alimentatie van € 1.800,- zal betalen, de eerste termijn op 1 juli 2012 te voldoen en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.3 Uit de onder 1.2 genoemde brieven blijkt dat het partijen niet is gelukt om in der minne tot een regeling te komen. Zij verzoeken voortzetting van de procedure.

3.4 Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [kind 1] en [kind 2].

3.5 Ingevolge artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.

3.6 De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen, wat er in een voorkomend geval toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de afweging van belangen (HR 25 april 2008, NJ 2008, 414).

3.7 De vader verzoekt in zijn derde grief een co-ouderschapsregeling vast te stellen waarbij de kinderen de helft van de tijd bij hem doorbrengen. Hij stelt daartoe onder meer dat uit het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan van 14 december 2009 blijkt dat partijen ten tijde van hun uiteengaan de intentie hadden om een co-ouderschap aan te gaan. Bovendien geven de kinderen aan dat zij de helft van de tijd bij hem willen zijn, aldus de vader. De moeder betwist dat en voert onder meer aan dat uit de bestreden beschikking blijkt dat partijen ter zitting bij de rechtbank overeenstemming hadden bereikt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken die vervolgens in de bestreden beschikking is vastgelegd. Daarnaast is er geen sprake van dat de kinderen aangeven meer bij de vader willen zijn, aldus de moeder.

3.8 Naar het oordeel van het hof is de huidige, bij de bestreden beschikking vastgelegde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder in het belang van de kinderen wenselijk. Daartoe overweegt het hof dat de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgelegde regeling door partijen ter zitting is overeengekomen. Daarnaast wordt deze regeling reeds een jaar door hen uitgevoerd. Beide partijen hebben ter zitting verklaard dat deze verdeling in beginsel goed verloopt en dat het goed gaat met de kinderen. Het hof acht het daarom niet in het belang van de kinderen dat de huidige omgangsregeling wordt gewijzigd. Daar komt bij dat uit de stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling aan de orde is gekomen blijkt dat de communicatie tussen partijen zeer te wensen overlaat. Voor een zinvolle uitvoering van een co-ouderschap is van belang dat ouders voldoende met elkaar kunnen communiceren. Nu daarvan in dit geval geen sprake is, acht het hof ook op die grond het vaststellen van een co-ouderschapsregeling niet in het belang van de kinderen.

3.9 Tussen partijen is voorts in geschil de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

3.10 In de eerste plaats is aan de orde de vraag of zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW. Omdat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is gewijzigd ten opzichte van die ten tijde van de vaststelling van de onderhoudsbijdrage, is er naar het oordeel van het hof in dit geval sprake van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW die een hernieuwde beoordeling van de behoefte en de draagkracht rechtvaardigt.

3.11 Tussen partijen staat vast dat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] € 597,50 per kind per maand bedraagt.

3.12 Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de vader € 783,60 per maand bedraagt.

3.13 Het hof gaat bij de vaststelling van de draagkracht van de moeder uit van de hiervoor in de tussenbeschikking van 24 mei 2012 onder 3.8 en 3.9 en 3.10 vermelde financiële gegevens, voor zover daarover hierna niet anders wordt geoordeeld.

3.14 Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de moeder houdt het hof, ook in 2012, rekening met het inkomen dat zij volgens de jaaropgave 2011 verdiende, nu niet is gesteld of gebleken dat haar inkomen in 2011 substantieel afwijkt van dat in 2012. Het hof houdt voorts rekening met de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De moeder heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

3.15 Nu het de vaststelling van de draagkracht van de moeder voor de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] betreft, houdt het hof evenals de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Werkgroep Alimentatienormen in verband met art. 1:400 lid 1 BW aanbevolen draagkrachtpercentage van 70.

3.16 Nu de moeder samenwoont met een partner ([B.]) die in eigen levensonderhoud voorziet, houdt het hof, evenals de rechtbank, aan de zijde van de moeder rekening met de helft van de woonlasten.

3.17 De moeder stelt in haar eerste en enige grief in incidenteel hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar deel van de door haar en [B.] te betalen premie van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering van € 237,22 per maand (€ 426,06 inleg kapitaalverzekering Eigen woning + € 48,38 premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek / 2). De vader refereert zich aan het oordeel van het hof. Naar het oordeel van het hof blijkt de door de vrouw gestelde last voldoende uit het door haar als bijlage 2a bij de brief van 29 maart 2012 overgelegde hypotheekoverzicht van Centraal Beheer Achmea. Nu deze last in zoverre niet in geschil is, houdt het hof daarmee rekening. De grief slaagt.

3.18 De vader stelt in zijn tweede grief dat ten onrechte rekening is gehouden met de kosten van de kinderopvang. Ingevolge de aanbevelingen van de Werkgroep Alimentatienormen dient met dergelijke kosten alleen rekening te worden gehouden wanneer sprake is van een alleenstaande ouder, hetgeen in casu niet het geval is, aldus de vader. De vrouw betwist dat. Het hof overweegt als volgt. De moeder werkt 32 uur per week en [B.] fulltime. Gelet op deze arbeidsomvang en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen is kinderopvang noodzakelijk. Het Rapport Alimentatienormen beveelt aan om reële, noodzakelijke kosten van kinderopvang gemaakt om het inkomen te verwerven, na aftrek van de werkgeversbijdrage en de kinderopvangtoeslag volledig bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen te betrekken. Nu de door de moeder opgevoerde kosten niet buitensporig zijn en noodzakelijk zijn om haar inkomen te verwerven, dient naar het oordeel van het hof rekening te worden gehouden met deze kosten. De grief van de vader slaagt daarmee niet. Gebleken is dat de kosten van kinderopvang met ingang van 1 november 2012 zijn gedaald. Het hof houdt daarom tot die datum rekening met de door de moeder gestelde en onderbouwde € 325,- per maand aan kosten in verband met kinderopvang. Dit bedrag is verminderd met de tegemoetkoming van de Belastingdienst in deze kosten. Vanaf die datum hebben de kinderen twee dagen per week opvang nodig in plaats van drie. Het hof houdt daarom in redelijkheid rekening van een verlaging van die kosten met 1/3, aldus met € 217,- per maand.

3.19 Nu de financiële situatie daar in verband met de wijziging in de kosten kinderopvang aanleiding toe geeft, onderscheidt het hof bij de vaststelling van de draagkracht van de moeder twee verschillende perioden:

a. vanaf 8 april 2011 tot 1 november 2012;

b. vanaf 1 november 2012.

3.20 Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de moeder maandelijks draagkracht voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] van: in de periode a. € 911,- en in de periode b. € 1.000,- per maand.

3.21 De vader stelt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van twee onderhoudsplichtigen ten aanzien van de kinderen. De moeder heeft ten onrechte de vader niet medegedeeld dat zij met [B.] een geregistreerd partnerschap is aangegaan. Met ingang van de datum van dat geregistreerd partnerschap is ook [B.] onderhoudsplichtig, aldus de vader. De moeder betwist dat. Zij voert aan dat zij uit onwetendheid de vader niet heeft geïnformeerd over haar geregistreerd partnerschap. Daarnaast voert zij aan dat in dit geval geen onderhoudsverplichting aan [B.] dient te worden opgelegd. De wetgever heeft, door het achterwege laten van een rangorderegeling ten aanzien van de onderhoudsplichtigen, beoogd de rechter van geval tot geval te laten beoordelen in hoeverre de stiefouder naast de ouders tot bijdragen verplicht is.

3.22 Het hof stelt voorop dat de stiefvader gelet op het bepaalde in artikel 1:395 BW verplicht is onderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende kinderen van zijn echtgenote, de moeder in deze procedure. Uit de Parlementaire Geschiedenis met betrekking tot dat artikel (Parl. Gesch. InvW.p. 1442-1443) volgt dat als de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van de kinderen, de verplichtingen terzake van onderhoud in beginsel van gelijke rang zijn. Uit vaste rechtspraak volgt voorts (o.a. HR 13 juli 2012, LJN: BX1295, NJ 2012/498) dat indien de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van de kinderen op grond van artikel 1:397 lid 2 BW geldt dat de omvang van ieders onderhoudsverplichting afhangt van de omstandigheden van het geval, waarbij als belangrijke factoren in het bijzonder gelden het gegeven dat tussen de ouder en het kind een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het stiefkind, de draagkracht van de ouder en de stiefouder en de feitelijke verhouding tot ieder van de onderhoudsplichtigen.

3.23 Het hof overweegt dat de stelling van de vader dat [B.] naar rato ook dient bij te dragen in de behoefte van [kind 1] en [kind 2], op zichzelf juist is, nu ingevolge artikel 1:395 BW een stiefouder gedurende zijn huwelijk of geregistreerd partnerschap verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan de tot zijn gezin behorende minderjarige kinderen van zijn echtgenoot of geregistreerde partner. In de lijn van de hiervoor onder 4.23 met betrekking tot dat artikel genoemde Parlementaire Geschiedenis en de beschikking van de Hoge Raad, overweegt het hof voorts echter als volgt. Vaststaat dat tussen de vader en de kinderen van partijen een veel nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefvader en de kinderen van partijen. De stiefvader is immers nog maar relatief kort geleden, sinds zijn geregistreerd partnerschap met de moeder op 18 augustus 2011, onderhoudsplichtig geworden jegens [kind 1] en [kind 2]. Daarnaast kan de omvang van de onderhoudsverplichting van een stiefouder ook afhangen van diens draagkracht in vergelijking tot de draagkracht van de andere ouder. In dit geval hebben de ouders, gelet op hun beider inkomenspositie en lasten, gezamenlijk voldoende draagkracht om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Gelet daarop, alsmede de mate van verwantschap tussen de kinderen en de stiefvader zoals hiervoor overwogen, ziet het hof aanleiding om in dit geval geen rekening te houden met de draagkracht van [B.]. Het hof zal dan ook slechts rekening houden met de draagkracht van de vader en de moeder en tevens een vergelijking maken. Daarmee faalt de eerste grief van de vader.

3.24 Verdeling van de behoefte van [kind 1] en [kind 2] van in totaal € 1.195,- per maand naar rato van ieders draagkracht betekent dat de vader maandelijks dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding in de periode a. met (€ 783,60/ € 1.694,60 x € 1.195,- =) € 553,-, aldus € 276,50 per kind, en in de periode b. met

(€ 783,60 / € 1.783,60 x € 1.195,- =) € 525,-, aldus € 262,50 per kind.

3.25 De vader verzoekt de moeder te veroordelen in zijn kosten in beide instanties. Nu de vader dit verzoek niet nader heeft onderbouwd en het hof ook overigens geen aanleiding ziet om de moeder te veroordelen in die kosten, zal het hof dat verzoek afwijzen.

3.26 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren kinderen betreft.

4. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking deels te vernietigen en te beslissen als volgt en voor het overige te bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 19 oktober 2011voor zover het betreft de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2];

bepaalt dat de vader aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] maandelijks per kind zal betalen met ingang van 8 april 2011 tot 1 november 2012 € 276,50 en vanaf 1 november 2012 € 262,50, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bekrachtigt die beschikking voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.H. Schulten, M.L. van der Bel en B.F. Keulen, bijgestaan door mr. A.J. Hase als griffier, en is op 17 januari 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.