Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0331

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
200.101.330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Informatieplicht over gevolgen van een (op handen zijnde) registratie door andere bank van een A3-codering bij BKR voor een - kort voor de registratie - verhoogde doorlopende kredietfaciliteit bij Rabobank? Bevoegdheid van Rabobank om doorlopend krediet op grond van A3-codering te blokkeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.101.330

(zaaknummer rechtbank 361.395)

arrest van de eerste kamer van 29 januari 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. D.F. Briedé,

tegen:

de rechtspersoonlijkheid bezittende coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid

Coöperatieve Rabobank Enschede-Haaksbergen,

gevestigd te Enschede,

geïntimeerde,

hierna: Rabobank,

advocaat: mr. J.A. Holsbrink.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 30 augustus 2011 dat de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Enschede)

tussen [appellant] als eiser en Rabobank als gedaagde heeft gewezen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 november 2011,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord met producties.

2.2 Vervolgens heeft Rabobank de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten die de kantonrechter in het vonnis van 30 augustus 2011 onder 2 heeft vastgesteld.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [appellant] stelt zich, kort gezegd, op het standpunt dat Rabobank niet aan haar zorgplicht heeft voldaan door hem niet voorafgaand aan de afspraken die hij met Rabobank heeft gemaakt om een door hem bij Rabobank aangehouden doorlopend krediet te verhogen van € 17.500 naar € 20.000, te informeren over de consequenties van een (op handen zijnde) blokkade van het krediet in verband met een door ABN AMRO bij het BKR te registreren A3-code. De kantonrechter heeft, samengevat, de gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten afgewezen, evenals de vordering om de blokkade op het doorlopend krediet op te heffen en om (primair) aan [appellant] schadevergoeding te betalen dan wel om (subsidiair) aan [appellant] de door hem opgebouwde kredietruimte vanaf augustus 2010 ter beschikking te stellen. [appellant] is met twaalf grieven tegen het vonnis opgekomen. In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis gewijzigd, in die zin dat hij thans de vordering tot schadevergoeding heeft verhoogd tot een bedrag van € 2.805, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf juli 2010, alsmede dat hij thans ook een maandelijks bedrag van € 130 aan kredietruimte per maand ingaande juni 2012 vordert. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2 [appellant] kan zich, samengevat, niet vinden in het oordeel van de kantonrechter dat Rabobank niet toerekenbaar is tekortgeschoten. [appellant] stelt dat dit wel het geval is omdat Rabobank, ondanks de wetenschap van Rabobank over de op handen zijnde A3-code, akkoord is gegaan met een verhoging van zijn bestaande doorlopende kredietfaciliteit en deze vervolgens kort na de verhoging heeft geblokkeerd, zonder daarover vooraf aan [appellant] mededeling te doen. Ook stelt [appellant] dat de A3-code niet inhoudt dat Rabobank verplicht zou zijn om het krediet te blokkeren, omdat een dergelijke code uitsluitend inhoudt dat bij het BKR is geregistreerd dat een bedrag van € 250 of meer is afgeboekt. Rabobank heeft verweer gevoerd.

4.3 Het hof stelt voorop dat als maatstaf bij de beoordeling of Rabobank aan haar zorgplicht heeft voldaan, geldt of Rabobank heeft gehandeld als een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad rust op de Bank als professionele dienstverlener een, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende, bijzondere zorgplicht jegens particuliere wederpartijen, zoals [appellant]. De reikwijdte van deze bijzondere zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de mate van deskundigheid en relevante ervaringen van de betrokken wederpartij, de ingewikkeldheid van het product en de daaraan verbonden risico's. Op basis van deze maatstaf zal het hof de verschillende aspecten van de relatie tussen partijen bespreken waarop [appellant] zijn stelling baseert dat de Bank in de nakoming van haar zorgplicht is tekortgeschoten.

4.4 Vaststaat dat [appellant] zich tot Rabobank heeft gewend om zijn bestaande doorlopende kredietfaciliteit van € 17.500 te verhogen tot € 20.000 teneinde een bedrag van € 2.700 aan ABN AMRO te kunnen voldoen, waarna ABN AMRO hem finale kwijting wilde verlenen voor zijn schuld van € 8.150,75. Rabobank is (uiteindelijk) met deze verhoging akkoord gegaan. Nadat Rabobank een "Inventarisformulier aanvullende klantgegevens voor het klantprofiel" had ingevuld en een BKR-toetsing had gedaan, heeft zij hiertoe een nieuwe overeenkomst opgesteld. Op het inventarisformulier is als bestedingsdoel van de financiering het hokje "Anders, t.w. betaling schuld elders" aangekruist. Nadat op 13 augustus 2010 het krediet was verhoogd, heeft [appellant] de afkoopsom aan ABN AMRO betaald en is hem bij brief van 23 augustus 2010 door ABN AMRO finale kwijting verleend voor het restant van zijn schuld. Anders gezegd, [appellant] heeft de verhoging van de bestedingsruimte aangewend voor de door hem aan Rabobank opgegeven doelstelling, waardoor hij in staat was om zijn hogere schuld bij ABN AMRO tegen een lager bedrag tegen finale kwijting af te lossen. Niet gesteld of gebleken is dat [appellant] bij het aangaan van de kredietverhoging niet in staat was om aan de (hogere) aflossingsverplichting te voldoen. In de voornoemde brief van ABN AMRO heeft ABN AMRO [appellant] tevens bericht dat zij het BKR "heden" opdracht had gegeven om zijn registratie aan te passen met code 3. Nadat deze registratie had plaatsgevonden, heeft Rabobank het doorlopend krediet geblokkeerd.

4.5 Rabobank heeft de stelling van [appellant] dat Rabobank hem niet heeft geïnformeerd over de gevolgen van de registratie van de A3-codering voor zijn doorlopende kredietfaciliteit en dat Rabobank hem bij de afspraken over de verhoging van het krediet desgevraagd had verzekerd dat hij gebruik kon blijven maken van de kredietfaciliteit, betwist. Rabobank heeft immers aangevoerd dat zij [appellant] juist voor het aangaan van de nieuwe kredietafspraken heeft uitgelegd dat een A3-codering zou betekenen dat hij geen financiering meer zou kunnen aangaan, zoals leningen en telefoonabonnementen. Nu [appellant] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat hij niet door Rabobank is geïnformeerd, rust op hem - gelet op de betwisting van Rabobank - de bewijslast daarvan.

Het hof stelt vast dat [appellant] geen voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod heeft gedaan. Het hof zal het in algemene bewoordingen gestelde bewijsaanbod dan ook passeren.

Het hof ziet ook geen reden om [appellant] ambtshalve bewijs op te dragen. Dit laatste houdt mede verband met het navolgende.

4.6 [appellant] heeft ook opheffing door Rabobank van de blokkade van zijn doorlopende kredietfaciliteit gevorderd. Het hof stelt vast dat Rabobank gebruik heeft gemaakt van de haar in artikel 2 van de toepasselijke algemene voorwaarden toekomende bevoegdheid om het doorlopend krediet te blokkeren. Hierbij is niet van belang dat Rabobank heeft ingestemd het bestaande krediet te verhogen, nu Rabobank, in beginsel, ook bevoegd zou zijn geweest om de reeds bestaande doorlopende - niet verhoogde - kredietfaciliteit te blokkeren op grond van de A3-codering. Overigens heeft Rabobank, anders dan [appellant] heeft gesteld, de overeenkomst inzake het doorlopend krediet niet beëindigd, maar louter de opnamemogelijkheden onder de kredietfaciliteit geblokkeerd. Dat de feitelijke uitvoering hiervan door De Lage Landen is gedaan maakt dit niet anders.

Op grond van artikel 2 van de algemene voorwaarden bestaat een dergelijke bevoegdheid indien de kredietgever hiertoe objectieve gronden aanwezig acht. [appellant] heeft niet betwist dat een A3-codering als een dergelijke objectieve grond kan gelden. Wel stelt [appellant] dat Rabobank, kort nadat zij de kredietruimte had verhoogd, niet van deze haar toekomende bevoegdheid gebruik had mogen maken zonder hem daarover vooraf te informeren. Hiervoor heeft het hof reeds overwogen dat niet in rechte is komen vast te staan dat Rabobank [appellant] niet heeft geïnformeerd. Ook in het geval dit wel zou komen vast te staan, betekent dit nog niet zonder meer dat Rabobank om die reden niet bevoegd zou zijn om van deze overeengekomen bevoegdheid gebruik te maken en de kredietfaciliteit daarom niet zou mogen blokkeren.

[appellant] lijkt hierbij uit het oog te verliezen dat ook indien hij zijn schuld bij ABN AMRO op andere wijze had gefinancierd, Rabobank als kredietverstrekker na een BKR-registratie van - in dit geval - een A3-code in het kader van kredietbewaking, op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden, kan besluiten geen nieuwe opnamen meer toe te staan totdat het krediet is afgelost. [appellant] heeft geen voldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat in zijn geval desondanks Rabobank niet tot een blokkade had kunnen besluiten of dat opheffing van de blokkade in de rede zou liggen. Het enkele feit dat [appellant] een dergelijke blokkade niet had verwacht, is daartoe onvoldoende.

4.7 Voorts heeft [appellant] schadevergoeding gevorderd, die volgens hem het gevolg is van het feit dat Rabobank ten onrechte tot blokkering van de kredietfaciliteit is overgegaan. Zoals hiervoor is geoordeeld bestaat er grond om de vordering tot opheffing van de blokkade toe te wijzen. Dit betekent dat ook de daaraan gerelateerde schadevordering niet toewijsbaar is. Het hof merkt terzijde op dat [appellant] geen vordering tot schadevergoeding heeft ingesteld die bestaat uit het verschil tussen de rente die hij thans voor de verhoging van

€ 2.500 van de doorlopende kredietfaciliteit moet betalen en de rente die hij verschuldigd zou zijn geweest indien hij dit bedrag op andere wijze had geleend. Voor toewijzing van een dergelijke vordering - die [appellant] dus niet heeft ingesteld - zou echter eerst het antwoord moeten zijn verkregen op de vraag of Rabobank tekort is geschoten in haar informatieplicht jegens [appellant]. Uit het voorgaande volgt dat daaraan niet wordt toegekomen.

4.8 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet in rechte is komen vast te staan dat Rabobank haar zorgplicht jegens [appellant] heeft geschonden, zodat de gevorderde verklaring voor recht dat Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten niet kan worden toegewezen. Voorts bestaat er geen grond om Rabobank te verplichten de blokkade op het doorlopend krediet op te heffen. Ook de door [appellant] gevorderde schade is niet toewijsbaar. Alle grieven falen.

5. Slotsom

5.1 De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Rabobank zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 649

- salaris advocaat € 894 (1 punt x tarief II)

Totaal € 1.543

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, locatie Enschede, van 30 augustus 2011;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Rabobank vastgesteld op € 649 voor verschotten en op € 894 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, Ch.E. Bethlem en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2013.