Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0269

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
12-00101
Rechtsgebieden
Strafrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Buitengewone uitgaven. Aanbrengen van douchecabine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/288
V-N 2013/22.23.7
FutD 2013-0404
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

nummer 12/00101

uitspraakdatum: 22 januari 2012

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 26 januari 2012, nummer AWB 10/4369, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.223. Tevens is bij beschikking € 735 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.731. De beschikking heffingsrente is verminderd tot een bedrag van € 484.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 26 januari 2012 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende heeft op 25 september 2007 zijn aangifte IB/PVV 2006 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.787. Belanghebbende heeft in deze aangifte ter zake van buitengewone uitgaven wegens ziekte een bedrag van € 11.436 op zijn inkomen in mindering gebracht. Dit bedrag is opgebouwd uit een bedrag aan buitengewone uitgaven van € 16.541 minus een drempel van € 5.105. Van het bedrag aan buitengewone uitgaven wegens ziekte heeft een bedrag van € 3.944 betrekking op het aanpassen van de badkamer in verband met de invaliditeit van zijn minderjarige zoon. Het betreft het aanbrengen van een stoom/douchecabine met whirlpool (hierna: de douchecabine).

2.2 Na het bezwaar van belanghebbende tegen de definitieve aanslag IB/PVV 2006 heeft de Inspecteur de uitgaven voor het aanpassen van de badkamer ad € 3.944 niet geaccepteerd als aftrekbare buitengewone uitgaven. Het belastbaar inkomen uit werk en woning heeft hij in verband daarmee berekend op € 20.731.

2.3 De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur de aftrek terecht heeft geweigerd. De Rechtbank heeft daartoe redengevend geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een (ander) hulpmiddel als bedoeld in artikel 6.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), dan wel in artikel 20a van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001 (hierna: UB IB 2001) dan wel dat de aanpassing van de badkamer op medisch voorschrift is gedaan.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de kosten van het aanbrengen van de douchecabine als buitengewone uitgaven in aftrek kunnen komen.

3.2 Belanghebbende stelt dat € 3.944 aftrekbaar is, omdat de douchecabine is geplaatst om onder meer de bloedsomloop en de longfunctie van zijn zoon te verbeteren. Voorts meent belanghebbende dat de in rekening gebrachte heffingsrente dient te vervallen.

3.3 De Inspecteur stelt dat geen bedrag in aftrek kan komen, omdat:

(1) de aanpassingen niet hebben plaatsgevonden op medisch voorschrift als bedoeld in artikel 20a, letter a, van het UB IB 2001;

(2) de douchecabine niet kan worden gezien als een middel dat de zoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij niet in staat zou zijn zonder de douchecabine (art. 6.17, lid 2, van de Wet IB 2001);

(3) de douchecabine niet van een zodanige aard is dat deze hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt (artikel 20a, letter b, van het UB IB 2001).

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning tot € 16.787 en vernietiging van de beschikking heffingsrente.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

buitengewone uitgaven

4.1 Op grond van artikel 20a, letter a, van het UB IB 2001 worden tot de hulpmiddelen gerekend aanpassingen van een woning die vanwege een functiebeperking op medisch voorschrift zijn aangebracht.

4.2 Belanghebbende stelt dat de douchecabine is geplaatst om onder meer de bloedsomloop en de longfunctie van zijn zoon te verbeteren. Voorts stelt hij dat er medische stukken aanwezig zijn om dit te onderbouwen. Voor zover belanghebbende met deze laatste stelling bedoelt te stellen dat uit de in de procedure voor de Rechtbank overgelegde stukken, waaronder brieven en verslagen over de gezondheidstoestand van de zoon, volgt dat de douchecabine op medisch voorschrift is aangebracht, faalt die stelling omdat die conclusie niet uit de bedoelde stukken kan worden getrokken.

4.3 Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat, indien de Rechtbank om een bewijsstuk had gevraagd, dit stuk zeker verstrekt had kunnen worden en voorts dat dit stuk op verzoek van het Hof alsnog verstrekt kan worden. Hij heeft in verband daarmee gesteld: “dat niet alles wat besproken wordt tussen ouders en specialisten op papier kan worden gezet. De behandelende specialisten komen dan niet meer aan hun werk toe en patiënten zullen daar de dupe van worden.” Gelet op belanghebbendes aanbod om op verzoek van het Hof alsnog een bewijsstuk te verstrekken, begrijpt het Hof deze stelling aldus dat hij stelt dat de douchecabine is aangebracht op een mondeling gegeven medisch voorschrift en dat dit voorschrift alsnog op schrift kan worden gesteld.

4.4 Gelet op de gedingstukken en hetgeen partijen te dezen naar voren hebben gebracht, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een mondeling gegeven medisch voorschrift voor het aanbrengen van de douchecabine.

4.5 Het Hof heeft belanghebbende niet alsnog in de gelegenheid gesteld zijn (voorwaardelijke) bewijsaanbod gestand te doen door het overleggen van het in de slotzin van 4.3 bedoelde bewijsstuk.

4.6 Naar het oordeel van het Hof dient te dezen aan het algemeen belang van een doelmatige procesgang, in het bijzonder het belang van een voortvarende behandeling van de zaak, een zwaarder gewicht te worden toegekend dan aan het belang dat belanghebbende heeft bij het alsnog overleggen van het door hem bedoelde bewijsstuk. De door belanghebbende genoemde reden waarom hij het bewijsstuk niet eerder heeft overgelegd, kortweg: de werkdruk van medisch specialisten, acht het Hof niet voldoende zwaarwegend om niet in een eerdere fase van de procedure het medisch voorschrift bij de specialist op te vragen en over te leggen of anderszins bewijs bij te brengen van het bestaan van een (mondeling gegeven) medisch voorschrift. Bovendien is belanghebbende door de Rechtbank in de gelegenheid gesteld bewijsstukken te overleggen. Verder staat het belanghebbende vrij om zonder tussenkomst van de rechter, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:58 Awb, schriftelijke bewijsstukken in de procedure in te brengen.

4.7 Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd heeft hij, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de douchecabine is aangebracht op medisch voorschrift als bedoeld in artikel 20a, letter a, van het UB IB 2001.

4.8 Evenmin is aannemelijk geworden dat de douchecabine kan worden gezien als een middel dat de zoon in staat stelt tot het verrichten van een normale lichaamsfunctie waartoe hij niet in staat zou zijn zonder de douchecabine (art. 6.17, lid 2, van de Wet IB 2001) of dat de douchecabine een hulpmiddel is dat hoofdzakelijk door zieke of invalide personen wordt gebruikt (artikel 20a, letter b, van het UB IB 2001).

heffingsrente

4.9 Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het beroep in zoverre ongegrond.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 22 januari 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (C.M. Ettema)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 24 januari 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.