Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0195

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
200.116.368/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlening machtiging uithuisplaatsing van ernstig beschadigd meisje.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 17 januari 2013

Zaaknummer 200.116.368

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Vestiging Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.D. Nijenhuis, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

Bureau Jeugdzorg Friesland,

kantoorhoudende te Leeuwarden,

geïntimeerde,

hierna te noemen: BJZ.

Belanghebbenden:

[de pleegouders],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, van de kinderrechter in de rechtbank Leeuwarden van 3 augustus 2012 (zaaknummer 120788 / FJ RK 12-640) is de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg van de minderjarige [kind], geboren [in 2004] (verder te noemen: [kind]) verlengd met ingang van 15 augustus 2012 tot 15 augustus 2013.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 5 november 2012, heeft de moeder verzocht die beschikking te vernietigen en alsnog het verzoek van BJZ tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 29 november 2012, heeft BJZ het verzoek van de moeder in hoger beroep bestreden en geconcludeerd tot ongegrond verklaring ervan met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken waaronder de door de advocaat van de moeder nagezonden stukken uit eerste aanleg, alsmede de brief met bijlagen van BJZ van 10 december 2012 en het faxbericht van mr. Nijenhuis van

19 december 2012.

De zaak is behandeld ter zitting van het hof van 20 december 2012. Verschenen zijn de moeder en haar advocaat, namens BJZ de heer [jurist] (jurist) en de heer [gezinsvoogd] (gezinsvoogd) en voorts zijn als toehoorder verschenen de zorgconsulent van de moeder de heer [zorgconsulent] en de partner van de moeder

de heer [partner van de moeder]. Door mr. Nijenhuis en BJZ zijn pleitaantekeningen overgelegd.

De beoordeling

Feiten en achtergronden

1. De moeder, geboren [in 1979], is van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [kind]. De vader van [kind] heeft nooit een wezenlijk deel uitgemaakt van het leven van [kind].

2. De moeder heeft een belaste voorgeschiedenis waarbij onder meer sprake is geweest van kinderbeschermingsmaatregelen, veelvuldig wisselende woon- en verblijfplaatsen, diverse psychiatrische opnames, seksueel misbruik, huiselijk geweld, financiële problemen en prostitutie. Naar eigen zeggen heeft de moeder op de leeftijd van veertien jaar een kind gekregen als gevolg van seksueel misbruik door haar vader, dat door de vader op de leeftijd van zeven maanden om het leven is gebracht.

3. [kind] is op 15 augustus 2007 door de kinderrechter onder toezicht gesteld van BJZ wegens ernstige zorgen over haar cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling in de thuissituatie bij de moeder. Onder meer was sprake van hygiënische problemen, relatieproblemen, gebrek aan structuur en financiële moeilijkheden.

4. In februari 2008 is [kind] uit huis geplaatst en in een pleeggezin ondergebracht. De directe aanleiding was dat [kind] vergiftigingsverschijnselen had, naar later in het ziekenhuis bleek als gevolg van toediening van slaapmiddelen. Daarvoor waren er ook al ernstige zorgen over de veiligheid van [kind]. Zo is zij een keer opgenomen geweest in het ziekenhuis wegens onder meer uitdrogingsverschijnselen en is later een verdenking gerezen van seksueel misbruik van [kind] (door een buurjongen).

5. De moeder heeft medio 2008 een overdosis pijnstillers genomen waarna zij in het ziekenhuis is opgenomen.

6. In maart 2009 hebben de toenmalige pleegouders aangegeven het extreme gedrag van [kind] (automutilatie, ernstige stemmingswisselingen) niet meer aan te kunnen waarop plaatsing van [kind] op een Medische Orthopedagogische Dagbehandeling (MOD) is ingezet. In januari 2010 werd er voor de ontlasting van de pleegouders voorts een weekend/vakantiegezin aangeboden. Dit alles heeft niet kunnen voorkomen dat [kind] in februari 2010 in een ander pleeggezin - haar huidige pleeggezin in [plaats] - moest worden overgeplaatst. [kind] maakt in haar huidige pleeggezin een positieve ontwikkeling door.

7. De moeder woont sinds begin 2011 samen met haar huidige partner [partner van de moeder].

8. Bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank Leeuwarden op

6 juli 2012, heeft BJZ laatstelijk verzocht om de ondertoezichtstelling van [kind] met een jaar te verlengen en tevens de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Als bijlage bij dat verzoekschrift is onder meer een plan van aanpak gevoegd en een indicatiebesluit.

9. Namens de moeder is in eerste aanleg een verweerschrift ingediend, waarbij onder meer een rapport van een (in september 2011 uitgevoerd) psychologisch onderzoek ten aanzien van de moeder is gevoegd, van de hand van drs. N.C. Balk, klinisch psycholoog/psychoanalytisch psychotherapeut, werkzaam bij de GGZ Friesland.

10. Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing beslist als hiervoor weergeven onder het kopje

"Het geding in eerste aanleg". Bij afzonderlijke beschikking van dezelfde datum heeft de kinderrechter tevens de ondertoezichtstelling van [kind] verlengd tot

15 augustus 2013.

11. Het hoger beroep van de moeder is uitsluitend gericht tegen de beschikking waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] is verlengd.

Het standpunt van de moeder

12. De moeder stelt zich op het standpunt dat er geen gronden meer zijn om de uithuisplaatsing van [kind] nog langer te laten voortduren. Onder meer heeft de moeder opgemerkt dat de oorspronkelijke uithuisplaatsing van [kind] destijds is ingegeven door een aantal ernstige voorvallen (de toediening van slaapmiddelen aan [kind], het seksueel misbruik van [kind] door een buurjongetje en het overlijden van het eerste kindje van de moeder) en daarvan is volgens de moeder thans voor een groot deel duidelijk dat zij daar niets mee te maken had. De moeder hekelt de suggestie en de dreigende sfeer die van de (herhaaldelijke) verwijzing door BJZ naar die voorvallen uitgaat. De moeder wijst er voorts op dat zij zich na het rapport van het NIFP van 30 maart 2011 heeft laten onderzoeken bij de GGZ en dat uit het betreffende rapport van psychologisch onderzoek van drs. Balk kan worden afgeleid dat een ondertoezichtstelling voldoende is. De mogelijkheid van terugkeer van [kind] in de toekomst, na heronderzoek, is volgens de moeder in het rapport van het NIFP uitdrukkelijk opengehouden. De moeder is daarom van mening dat de inhoud van het rapport van drs. Balk (van september 2011) thans in ieder geval aanleiding dient te vormen om de mogelijkheden van terugkeer van [kind] naar de moeder nader te onderzoeken. De moeder heeft voorts gesteld dat haar financiële problemen (nagenoeg) zijn opgelost en concludeert dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.

Het standpunt van BJZ

13. BJZ heeft het standpunt van de moeder ten aanzien van de in geding zijnde maatregel gemotiveerd bestreden. Kort samengevat is BJZ van mening dat het toekomstperspectief van [kind] evident bij haar huidige pleegouders ligt en dat een terugkeer(traject) van [kind] naar de moeder in strijd zou zijn met zwaarwegende belangen van [kind], gelegen in een ongestoorde continuering van de positieve ontwikkeling die zij in haar huidige pleeggezin doormaakt en een ongestoord voortzetting van het hechtingsproces in het pleeggezin.

De overwegingen van het hof

14. Ter beoordeling staat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [kind] tot 15 augustus 2013.

15. Overeenkomstig artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een machtiging tot uithuisplaatsing worden verleend indien en voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of indien dit noodzakelijk is tot onderzoek van de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van de minderjarige. De maatregel kan worden verlengd indien de gronden zich nog voordoen.

16. In het onderhavige geval kan het hof BJZ volgen in zijn standpunt dat de gronden voor de maatregel zich nog voordoen. Het moge zo zijn dat directe betrokkenheid van de moeder bij de ernstige voorvallen waaraan [kind] vóór haar uithuisplaatsing blootgesteld is geweest (waaronder uitdroging, intoxicatie met slaapmiddelen en seksueel misbruik) niet is komen vast te staan, wel staat vast dat de moeder [kind] daarvoor niet heeft kunnen behoeden, waaruit het hof afleidt dat de moeder niet beschikt over het natuurlijk vermogen om haar kind op adequate wijze te beschermen tegen dit soort gevaren. Het hof verwacht daarin op korte termijn geen veranderingen, met name niet omdat de moeder hierin geen probleem onderkent.

17. Het hof overweegt voorts dat [kind] na haar uithuisplaatsing is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en een reactieve hechtingsstoornis. Voorts heeft BJZ toegelicht dat [kind] in haar eerste pleeggezin ernstige gedragsproblemen liet zien waaronder zelfbeschadiging en heftige stemmingswisselingen. Dit onderstreept de 'griezelige' omstandigheden waarin [kind] verkeerde vóór haar uithuisplaatsing.

18. In haar huidige pleeggezin maakt [kind] een positieve ontwikkeling door. [kind] kan goed opschieten met de andere kinderen in het pleeggezin en ook op school gaat het goed. Zij zit in groep 4 en heeft vriendjes en vriendinnetjes. Het hof is van oordeel dat het voor [kind] van groot belang is dat deze positieve ontwikkeling niet wordt verstoord door de onzekerheid die gepaard gaat met het door de moeder voorgestane onderzoek naar de mogelijkheden van terugkeer van [kind] naar de moeder. Dit geldt wellicht te meer nu BJZ [kind] reeds heeft verteld dat haar perspectief bij de pleegouders is en blijft. Hoewel het uiteindelijke oordeel over de verblijfplaats van de minderjarige aan de rechter is voorbehouden, kan het hof BJZ in dit geval volgen in zijn standpunt dat het ontwikkelingsbelang van [kind] vorderde dat een eind aan de onzekerheid diende te worden gemaakt. De moeder heeft in het verleden onvoldoende kunnen aansluiten bij de opvoedingsbehoeften van [kind]. Nergens blijkt uit dat daarin verandering is gekomen. Dit alleen al maakt het risico van mislukking onaanvaardbaar groot zodat een onderzoek zoals door de moeder gewenst niet geïndiceerd is, nog afgezien van het feit dat een eventueel terugkeertraject een verzwaard beroep op de moeder zou doen omdat [kind] daardoor een nieuw trauma zou oplopen, namelijk verstoring van het hechtingsproces in het pleeggezin.

19. Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat het rapport van drs. Balk aanleiding dient te vormen voor nader onderzoek naar de mogelijkheden van terugkeer van [kind] naar de moeder. Het rapport van drs. Balk biedt naar het oordeel van het hof onvoldoende basis voor vertrouwen in een goede afloop van een traject van terugplaatsing. Bovendien blijkt uit het rapport van drs. Balk juist dat de moeder kampt met psychopathologische problemen waaronder beperkte impulsregulatie onder druk. Dit laatste is naar het oordeel van het hof veeleer een contra-indicatie voor het door de moeder voorgestane terugkeertraject, nu immers terugkeer van [kind], gelet op haar problematiek, tot een forse druk op de moeder zou leiden.

20. Voor zover de moeder heeft gewezen op de vele wisselingen van gezinsvoogd kan dat niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat dit op zichzelf niet een omstandigheid vormt die bij kan dragen aan de conclusie dat aan terugkeer moet worden gewerkt. Steeds zal immers beoordeeld moeten worden of dat in het belang van de minderjarige is, hetgeen in dit geval niet aan de orde is. Bovendien heeft BJZ op overtuigende wijze toegelicht dat belangrijke beslissingen in het kader van de ondertoezichtstelling bij BJZ in teamverband worden genomen en dus niet alleen door de gezinsvoogd.

21. Net als de moeder vindt ook het hof het belangrijk dat wordt gekeken naar de toekomst. Het hof acht het echter niet mogelijk bij het oordeel in deze zaak het verleden buiten beschouwing te laten. Mede gezien de incidenten die er in het verleden zijn geweest, de gebrekkige opvoedingssituatie waarin [kind] vóór haar uithuisplaatsing heeft verkeerd en de huidige, nog steeds kwetsbare, situatie van de moeder, acht het hof het niet in [kind]'s belang om op dit moment, in deze fase van haar leven, een thuisplaatsing te proberen zoals door de moeder bepleit.

22. Dit alles neemt echter niet weg dat de contacten tussen de moeder en [kind] belangrijk zijn. Dat deze contacten over het algemeen goed verlopen, betekent echter nog niet dat de moeder geacht kan worden de volledige opvoeding en verzorging weer op zich te kunnen nemen. De volledige opvoedingsverantwoordelijkheid voor [kind] kan de moeder naar het oordeel van het hof niet dragen.

De slotsom

23. Het voorgaande betekent dat het hof de beschikking waarvan beroep zal bekrachtigen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, voorzitter, J.D.S.L. Bosch en K.R. Kuiken en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof op 17 januari 2013 in bijzijn van de griffier.