Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0142

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
200.105.170/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek grootmoeder tot vaststelling van een omgangsregeling afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/60 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 15 januari 2013

Zaaknummer 200.105.170

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

vestiging Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de grootmoeder,

advocaat: mr. W.A. Koers, kantoorhoudende te Leusden,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

geïntimeerde sub 1,

advocaat: mr. D. Beuving, kantoorhoudende te Wierden,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

geïntimeerde sub 2,

advocaat: mr. J.P. van Dijk, kantoorhoudende te Dedemsvaart.

Belanghebbende:

Stichting Bureau Jeugdzorg Overijssel,

kantoorhoudende te Zwolle,

hierna te noemen: BJZ.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 16 januari 2012 (zaaknummer: 173685 / FZ RK 10-2817) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, het verzoek van de grootmoeder (moederszijde) tot vaststelling van een omgangsregeling tussen haar en de minderjarige [kind], geboren [in 2001] te [woonplaats], afgewezen.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 12 april 2012, heeft de grootmoeder verzocht de beschikking van 16 januari 2012 te vernietigen en opnieuw beslissende een omgangsregeling tussen de minderjarige en de grootmoeder vast te stellen waarbij omgang zal plaatsvinden gedurende elk laatste weekend van het kwartaal, van vrijdagmiddag vanuit school tot en met zondagavond 18:00 uur, waarbij voor zover dit weekend in de omgangsregeling met de moeder zou vallen, het opschuift naar het eerstvolgende weekend na afloop van de omgangsregeling met de moeder, althans een omgangsregeling vast te stellen zoals het hof vermeent te behoren.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 4 juni 2012, heeft de vader het verzoek bestreden en verzocht het beroep van (het hof leest) de grootmoeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep in stand te laten en te bepalen dat de grootmoeder in de kosten van de procedure in hoger beroep wordt veroordeeld.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 16 mei 2012, heeft de moeder aangegeven zich te refereren aan de door het hof te geven beslissing, kosten rechtens.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 17 april 2012 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), inhoudende dat de raad geen nadere rapportage heeft, een brief met bijlagen van 19 april 2012 en een brief met bijlagen van 26 juni 2012 namens mr. Koers en ten slotte een brief met bijlagen van 1 juni 2012 van BJZ.

Ter zitting van 3 december 2012 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de grootmoeder, bijgestaan door mr. Koers, de vader, bijgestaan door mr. Beuving, mevrouw [partner van de vader] (de partner van de vader), de moeder, bijgestaan door mr. Van Dijk, en ten slotte de heer [namens de raad] namens de raad. BJZ is uitgenodigd, maar is niet ter zitting verschenen.

De beoordeling

1. Uit het huwelijk tussen de vader en de moeder is [kind] geboren. Het huwelijk is op 19 augustus 2002 ontbonden. Tot 2007 woonde [kind] bij de moeder en vanaf 2007 woont hij bij de vader. [kind] is met ingang van 15 januari 2007 onder toezicht gesteld van BJZ. Deze maatregel is op 14 januari 2012 geëindigd.

2. De zorgregeling van de moeder houdt in dat [kind] een weekend per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur en de helft van de vakanties en de feestdagen bij haar is.

3. De grootmoeder (moederszijde) heeft verzocht om vaststelling van een omgangsregeling tussen haar en [kind]. BJZ, de vader en zijn partner zijn het daar niet mee eens.

4. Ingevolge artikel 1:377a BW kan degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot een kind, de rechter verzoeken een omgangsregeling vast te stellen tussen hem/haar en dat kind. De grootmoeder moederszijde heeft aangegeven dat ze een nauwe persoonlijke betrekking heeft met [kind]. De rechtbank heeft dat ook overwogen en geen van partijen heeft dat in hoger beroep bestreden. Het hof zal daar in hoger beroep dan ook van uitgaan.

5. Bij beoordeling van het verzoek van de grootmoeder tot vaststelling van een omgangsregeling moet het belang van [kind] tot uitgangspunt worden genomen. Dat brengt mee dat zijn belang moet worden onderzocht.

6. In het licht daarvan is relevant dat ter zitting van het hof is aangegeven, dat in eerste aanleg is gesproken over een brief van [kind] en is voorgesteld dat het hof die opvraagt. De brief maakt geen deel uit van het procesdossier. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat [kind] in een loyaliteitsconflict is geraakt en zich klem voelt zitten tussen de beide ouders. Daar komt de grootmoeder bij die ook een beroep doet op de loyaliteitsgevoelens van [kind]. Omdat [kind] het beide ouders en ook de grootmoeder vooral naar de zin wil maken en omdat hij al contact heeft met de grootmoeder, ziet het hof geen noodzaak om de brief van [kind], waarin staat dat hij contact met haar wil, dan wel bij haar logeren wil, alsnog in het geding te laten brengen. Een dergelijke brief heeft geen meerwaarde.

7. Met het oog op het onderzoek naar het belang van [kind] is (tevens) relevant, dat de grootmoeder heeft verzocht om [kind] te horen, dan wel om een bijzondere curator te benoemen. Het hof merkt op dat slechts in uitzonderlijke gevallen besloten wordt om een minderjarige onder de leeftijdsgrens van twaalf jaar te horen, echter in de onderhavige zaak acht het hof dergelijke omstandigheden niet aan de orde en het ook niet in het belang van de minderjarige om hem te horen, in het bijzonder gelet op zijn loyaliteitsconflict en de spanningen en het naar binnengericht probleemgedrag die de strijd tussen zijn ouders en nu ook de grootmoeder voor hem oproept. Het is in strijd met het belang van [kind] om in die strijd betrokken te raken.

8. De grootmoeder heeft voorgesteld een bijzondere curator voor [kind] te benoemen. De benoeming van een bijzondere curator als bedoeld in art. 1:212 BW betreft alleen afstammingszaken. Daar is hier geen sprake van. Benoeming van een bijzondere curator als bedoeld in art. 1:250 BW, mag slechts indien dit in het belang van minderjarige noodzakelijk is, mede gezien de aard van de belangenstrijd tussen de minderjarige en de gezaghebbende ouder(s) of voogd(en). Bijzondere feiten en omstandigheden die meebrengen dat de benoeming van een bijzondere curator in deze zaak, die het contact tussen [kind] en de grootmoeder betreft, noodzakelijk is in het belang van [kind], zijn gesteld, noch gebleken. Het hof zal daarom het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator afwijzen.

9. Ter zitting is nog geopperd om de beslissing op het onderhavige verzoek van de grootmoeder aan te houden in verband met een mogelijke mediation tussen de ouders in de rechtszaak over het hoofdverblijf van [kind] die op 4 december 2012 door de rechtbank wordt behandeld. Het hof acht zich echter voldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen over het verzoek van de grootmoeder. Het staat de ouders en de grootmoeder evenwel vrij om tot mediation te besluiten, het verzoek van de grootmoeder daarin te betrekken, nader te overleggen en gezamenlijk tot andere afspraken te komen.

10. De grootmoeder vindt dat er onvoldoende tijd is binnen de omgangsregeling van de moeder met [kind] om de goede band tussen haar en [kind] te bestendigen. Zij vindt het vaststellen van een regeling in [kind]'s belang. De grootmoeder voert aan dat ze met de vader niets heeft kunnen afspreken over het logeren van [kind] bij haar en haar partner (grootvader).

11. Tussen partijen staat evenwel vast dat de grootmoeder [kind] bijna iedere week ziet bij de voetbaltraining en/of wedstrijden, dat ze hem iedere veertien dagen bij de moeder thuis ziet, dat hij en de moeder met de grootmoeder op vakantie(s) gaan, en dat feestdagen regelmatig samen worden gevierd. De grootmoeder heeft ter zitting zelf ook aangegeven dat ze [kind] genoeg ziet. De reden dat de grootmoeder om een omgangsregeling heeft gevraagd is dat [kind] bij de grootmoeder wil logeren. Volgens de grootmoeder wil [kind] tot nu toe alleen samen met zijn moeder komen logeren.

12. [kind] gaat naar de basisschool en volgend jaar naar het voortgezet onderwijs. Drie dagen per week traint hij en op zaterdag speelt hij wedstrijden. Weliswaar is er een winterstop maar ook dan zijn er extra wedstrijden waar [kind] heengaat. Niet in geschil is dat dit voor [kind] een druk schema is. Gelet op de moeizame relatie tussen de ouders, de spanningen die dat voor [kind] geeft, de negatieve invloed die dat op zijn ontwikkeling heeft (zoals blijkt uit het psychodiagnostisch onderzoek van het Ambulatorium in Zetten), zijn al drukke schema, het feit dat de grootmoeder al zeer frequent contact heeft met [kind] en het door de gezinsvoogd ter zitting van de rechtbank van 6 december 2011 genoemde belang van rust voor [kind] en de adviezen van de raad en BJZ, acht het hof het niet in het belang van [kind] om, naast de omgangsregeling tussen de moeder en hem, een omgangsregeling tussen hem en de grootmoeder (structureel) vast te leggen, ook al heeft de grootmoeder in het verleden meer contact gehad toen hij nog bij de moeder woonde.

Slotsom

13. Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het verzoek van de grootmoeder dient te worden afgewezen. Het hof zal daarom de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

14. Nu het in deze zaak gaat om de belangen van een minderjarig kind, partijen bloedverwanten (in rechte linie) zijn en BJZ tot eind 2011 met het toezicht was belast, ziet het hof aanleiding de kosten van het geding in hoger beroep te compenseren in die zin dat iedere partij en belanghebbende de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat iedere partij en belanghebbende de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, voorzitter, J.G. Idsardi en H.J. de Ruijter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 januari 2013 in bijzijn van de griffier.