Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0125

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
200.101.516/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie op nihil gesteld op grond van wangedrag van de vrouw.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 8 januari 2013

Zaaknummer 200.101.516/01

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Vestiging Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende op een geheim adres,

domicilie kiezende te Groningen,

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P. Rietberg, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te Oudeschoot,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. L. Berghuis-Knijff, kantoorhoudende te Utrecht.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 16 november 2011 (zaaknummer 107768 / FA RK 10-1916) heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het echtscheidingsconvenant van partijen van 16 november 2006, zoals bekrachtigd in de beschikking van de rechtbank van 20 december 2006, gewijzigd, aldus dat de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie) met ingang van 16 november 2011 op nihil wordt gesteld op grond van wangedrag van de vrouw. De rechtbank heeft die beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 6 februari 2012, heeft de vrouw onder meer verzocht de werking van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking van 16 november 2011 te schorsen. Daarnaast heeft zij verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van 16 november 2011 te vernietigen en opnieuw te beslissen dat het echtscheidingsconvenant in stand blijft en dat de man een bedrag van € 4.888,- per maand verhoogd met indexeringen vanaf die datum als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen en dat de man zijn betalingen dient te hervatten na 16 november 2011, en/of de bijdrage op een zodanig bedrag vast te stellen zoals het hof in goede justitie meent te behoren.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 26 maart 2012 heeft de man het verzoek bestreden en verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot vernietiging van de beschikking van 16 november 2011, dan wel dat verzoek af te wijzen en daarbij de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder brieven met bijlagen van 8 februari 2012 en van 4 juni 2012 van mr. Rietberg, een faxbericht met bijlage van 23 april 2012 en een brief met bijlagen van 31 mei 2012 van mr. Berghuis-Knijff.

Het ter zitting van 6 maart 2012 behandelde schorsingsverzoek van de vrouw is bij beschikking van dit hof van 3 april 2012 afgewezen.

Ter zitting van 15 juni 2012 is de hoofdzaak behandeld. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door mr. Rietberg, en de man, bijgestaan door mr. Berghuis-Knijff. Beide advocaten hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van een pleitnota.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. De man en de vrouw zijn [in 1989] in de gemeente [gemeente] met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank van 20 december 2006 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 5 januari 2007 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2. Partijen hebben bij echtscheidingsconvenant van 16 november 2006 vastgelegd dat de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw zal voldoen van € 4.500,- bruto per maand, welke bijdrage voor het eerst wordt geïndexeerd per 1 januari 2008. Voorts is in dit convenant een niet-wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 1:159 BW opgenomen. Bij de beschikking van de rechtbank van 20 december 2006 zijn partijen tegenover elkaar veroordeeld tot naleving van de in het voormelde convenant opgenomen regelingen.

3. Bij inleidend verzoekschrift van 13 oktober 2010 heeft de man de rechtbank primair verzocht te bepalen dat zijn alimentatieverplichting is geëindigd op grond van artikel 1:160 BW. Subsidiair heeft de man verzocht te bepalen dat de alimentatieverplichting op nihil wordt gesteld op grond van wangedrag van de vrouw en meer subsidiair heeft de man verzocht de alimentatie op nihil te stellen wegens gewijzigde omstandigheden, te weten de vermindering van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

4. De vrouw heeft verweer gevoerd en bij wijze van voorwaardelijk zelfstandig verzoek verzocht de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op een bedrag van € 25.000,- per maand. De man heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw.

5. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank ten aanzien van de partneralimentatie beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg". Het hoger beroep van de vrouw richt zich tegen deze beslissing.

De overwegingen van het hof

6. De vrouw heeft in haar beroepschrift acht grieven geformuleerd tegen de bestreden beschikking. De man bestrijdt hetgeen de vrouw heeft gesteld. Het hof overweegt als volgt.

Grief I

7. In haar eerste grief betoogt de vrouw -zakelijk weergegeven- dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de lotsverbondenheid inzake het huwelijk door wangedrag van de zijde van de vrouw is doorbroken en dat de door de man aan haar te betalen partneralimentatie op nihil dient te worden gesteld, terwijl de rechtbank in haar eerdere beslissing van 15 juni 2011 anders heeft overwogen. De vrouw is van mening dat die uitspraken van de rechtbank tegenstrijdig aan elkaar zijn en zij kan zich daarmee niet verenigen.

8. De man heeft aangevoerd dat hij in zijn brief van 27 juli 2011 verslag heeft gedaan van nieuwe gedragingen van de vrouw ná 15 juni 2011 en die gedragingen met stukken heeft onderbouwd. Volgens de man heeft de vrouw deze gedragingen niet, althans onvoldoende weersproken.

9. Naar het oordeel van het hof was de rechtbank bevoegd om terug te komen op haar eerdere overwegingen, gelet op het door de rechtbank aangehaalde arrest van de Hoge Raad. Indien het gewijzigde inzicht van de rechter is gestoeld op een reeds tussen de partijen met het oog daarop gevoerd debat behoeft de rechter niet in een tussenuitspraak de partijen nogmaals de gelegenheid te geven zich uit te laten over een punt waarover zij zich reeds hebben uitgelaten. Gebleken is dat de man bij zijn brief van 27 juli 2011 opnieuw is ingegaan op het voortdurende wangedrag van de vrouw en daarmee de discussie heeft heropend. De rechtbank heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld om op het stuk van de man te reageren, hetgeen de vrouw heeft gedaan. Het hof acht het voorts niet onbegrijpelijk dat bij de rechtbank een gewijzigd inzicht is ontstaan door de optelsom van alle gedragingen die plaatsvonden vóór de beschikking van 15 juni 2011 en de in heftigheid toenemende nieuwe gedragingen van de vrouw die daarna hebben plaatsgevonden. Hieronder zal het hof daar nog nader op ingaan.

Grief II

10. De tweede grief strekt tot betoog dat de rechtbank ten onrechte, althans zonder nader onderzoek heeft aangenomen dat de gedragingen van de vrouw na 15 juni 2011 ineens wel redengevend waren om de lotsverbondenheid tussen partijen te verbreken.

11. De man stelt dat de combinatie van wangedragingen die op 15 juni 2011 reeds vaststonden en de overtredingen van de vrouw na het kort gedingvonnis waarin het contactverbod was opgenomen, redengevend was voor de eindconclusie van de rechtbank. Daarnaast bestrijdt de man de stelling van de vrouw dat het overtreden van het contactverbod aan hem te wijten is.

12. Het hof overweegt ten aanzien van deze grief, zoals reeds eerder vermeld, dat de uiteindelijke beslissing van de rechtbank gegrond is op het totaalbeeld van de jarenlange wangedragingen van de vrouw jegens de man en de kinderen, welk wangedrag is blijven voortduren (en ná 15 juni 2011 zelfs nog in ernst is toegenomen). Gelet op het geheel van (vele) gedragingen en incidenten, acht het hof het niet noodzakelijk om in te gaan op iedere door de vrouw betwiste gedraging. Naar het oordeel van het hof is voldoende aangetoond en gebleken dat het wangedrag van de vrouw structureel en ernstig is en dat niet kan worden volgehouden dat haar gedrag is terug te brengen als uitvloeisel van de echtscheidingsproblematiek, reeds mede vanwege het tijdsverloop. Bovendien kunnen de gedragingen van de vrouw niet als lichtvaardig betiteld worden. Zo rekent het hof de vrouw onder meer aan dat zij niet het belang van de kinderen voorop stelt door het standpunt van haar dochter -hoe moeilijk ook- te respecteren, maar in plaats daarvan een kort geding heeft aangespannen om zodoende te bereiken aanwezig te mogen zijn bij de diploma-uitreiking van haar dochter, welk verzoek overigens is afgewezen door de voorzieningenrechter. Duidelijk mag zijn dat dergelijk handelen grote impact heeft (gehad) op de kinderen (en de man).

Grief III

13. In haar derde grief stelt de vrouw dat de rechtbank in haar oordeel ten onrechte het aandeel van de man in de tussen partijen ontstane situatie waarin sprake is van slechte communicatie en een verstoorde verstandhouding niet heeft meegewogen. Volgens de vrouw heeft de man reacties uitgelokt en zich bedreigend naar haar opgesteld.

14. De man bestrijdt dat er sprake is van de door de vrouw gestelde gedragingen door hem. Volgens de man blijkt hetgeen de vrouw daartoe stelt ook niet uit de door haar overgelegde stukken.

15. Gelet op de stukken en de behandeling ter zitting is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat de man degene is die confrontaties zou hebben uitgelokt en/of zich provocerend jegens de vrouw zou hebben opgesteld. Bovendien merkt het hof op dat -zelfs al zou wel sprake zijn van uitlokking- een ieder een eigen verantwoordelijkheid heeft en zich dient te onthouden van grensoverschrijdend gedrag. Het hof overweegt dat door de vrouw niet aannemelijk is gemaakt dat de man zich schuldig zou hebben gemaakt aan het inbreken op haar computer en andere door haar gestelde confrontaties en bedreigingen, en/of dat de man in strijd met artikel 8 EVRM zou hebben gehandeld. De door de vrouw in het geding gebrachte brief van haar crisisbegeleider waaruit de door haar gestelde bedreiging zou moeten blijken acht het hof onvoldoende. Voorts dient het feit dat de man op enig moment een detectivebureau heeft ingeschakeld, in de onderhavige zaak te worden gezien als een gerechtvaardigde inbreuk op de privacy van de vrouw, omdat -in het kader van artikel 1:160 BW- de verplichting van de man tot het betalen van partneralimentatie van rechtswege eindigt wanneer de vrouw samenwoont met een ander als waren zij gehuwd. Gelet op de betwisting van de samenwoning door de vrouw, lag het op de weg van de man om te bewijzen dat daarvan wel sprake was. Het inschakelen van een detectivebureau door de man acht het hof onder de gegeven omstandigheden dan ook toelaatbaar.

Grief IV

16. De vrouw betoogt dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de sepotbeslissing door het Openbaar Ministerie van de aangifte van stalking die de man heeft gedaan.

17. Volgens de man faalt de grief van de vrouw, omdat een sepotbeslissing een geheel andere afweging betreft.

18. Naar het oordeel van het hof kan deze grief niet slagen, gelet op het feit dat de sepotbeslissing betrekking heeft op het al dan niet voortzetten van een strafvervolging. Naast eventuele inhoudelijk juridische elementen, ligt daaraan vaak nog een geheel andere afweging ten grondslag dan aan de afwegingen in de onderhavige zaak.

Grief V

19. In de vijfde grief heeft de vrouw zich beklaagd over het feit dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met haar psychische gesteldheid. De vrouw stelt dat dit zich al tijdens het huwelijk openbaarde en dat de man daarom bekend was met haar neiging naar impulsief gedrag, zodat haar gedrag niet de door het huwelijk ontstane lotsverbondenheid kan doorbreken.

20. De man is van mening dat er geen bewijs is dat de vrouw rond de beëindiging van het huwelijk of daarna een psychische stoornis had waarmee de rechtbank rekening had moeten houden. Bovendien, al zou dat wel het geval zijn, dan zou dat haar aanhoudende wangedrag niet goedpraten, aldus de man.

21. Volgens het hof heeft de vrouw niet onderbouwd dat er bij haar sprake zou zijn van een psychische stoornis. Nu de vrouw zich, zij het in een later stadium, is gaan beroepen op deze stelling, ligt het op de weg van de vrouw om dit met een rapport van een deskundige te onderbouwen. Uit de e-mail van mevrouw [betrokkene ], de brief van haar crisisbegeleider en het psychologisch onderzoek van GGZ Friesland van 23 mei 2012, blijkt niet dat er bij de vrouw sprake is van een psychische stoornis, maar komen er klachten en bepaalde gedragskenmerken van de vrouw naar voren. Overigens merkt het hof nog op dat ook al zou bij de vrouw wel sprake zijn van een psychische stoornis, er dan nog steeds wel sprake kan zijn van wangedrag waardoor de lotsverbondenheid kan komen te vervallen. Het hof zal dan ook voorbijgaan aan het bewijsaanbod van de vrouw om zich, indien nodig, te laten onderzoeken door een forensisch psychiater. Voorts acht het hof nog van belang dat als er al sprake zou zijn van enige stoornis die ten grondslag zou liggen aan haar wangedrag, dit nog niet maakt dat haar gedrag dan verontschuldigd is. Immers, van de vrouw mag dan verlangd worden dat zij alles in het werk stelt om haar gedrag te veranderen dan wel in te perken, door adequate hulpverlening in te schakelen. Daarvan is niet gebleken.

Grief VI

22. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank rekening had dienen te houden met de bepalingen in de overeenkomst tussen partijen van 21 oktober 2006 en dat de alimentatie onlosmakelijk is verbonden met de financiële afwikkeling van het huwelijk.

23. De man stelt dat deze alimentatieprocedure zich niet leent voor een discussie over de afwikkeling van huwelijksvoorwaarden en dat er geen sprake was van een 'totaaldeal' waarbij de hoogte van de alimentatie samenhing met de wijze van verrekening van het vermogen.

24. Het hof is met de man van oordeel dat, gelet op de aanwezige stukken, de afwikkeling van de financiële aspecten tussen partijen en de overeengekomen maandelijkse bijdrage aan partneralimentatie los van elkaar moeten worden gezien. Daarnaast overweegt het hof dat de onderhavige alimentatieprocedure zich niet leent voor een debat over de door de vrouw gestelde benadeling in de financiële afwikkeling. Dit is onderwerp van geschil (geweest) in een andere procedure.

Grief VII

25. In haar zevende grief komt de vrouw op tegen de overweging van de rechtbank dat de rechtbank het niet-wijzigingsbeding in de tussen partijen gesloten overeenkomst niet in haar beoordeling heeft betrokken.

26. Volgens de man is de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde niet-financiële omstandigheid niet door partijen onder het niet-wijzigingsbeding vervat.

27. Het hof overweegt dat een overeengekomen niet-wijzigingsbeding tot gevolg heeft dat een wijziging van omstandigheden geen reden is om de overeenkomst weer open te breken. Echter op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar redenen van redelijkheid en billijkheid niet langer mag worden gehouden aan het beding, kan de overeenkomst, ondanks een niet-wijzigingsbeding, wel worden gewijzigd. Gelet op de bewoordingen van het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant (onder 2.5) houdt het niet-wijzigingsbeding in dat de overeengekomen partneralimentatie gedurende een periode van vier jaren niet op verzoek van de man kan worden gewijzigd op grond van een verandering in zijn inkomenssituatie. De stelling van de vrouw dat het niet-wijzigingsbeding is opgenomen om de financiële positie van de vrouw te waarborgen, vindt geen steun in de stukken. Het hof is van oordeel dat er in de onderhavige zaak sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden door de aanhoudende grievende gedragingen van de vrouw richting de man, de kinderen en hun omgeving dat de vrouw de man gegeven die omstandigheden niet langer mag houden aan de onderhoudsverplichting als opgenomen in het convenant. Het hof komt derhalve niet meer toe aan de stellingen van de vrouw dat de rechtbank ten aanzien van het niet-wijzigingsbeding rekening had moeten houden met alle (overige) omstandigheden van het geval, waaronder de duur van het huwelijk, en het feit dat zij bij de man in het bedrijf is gaan werken en dat zij de kinderen heeft verzorgd en opgevoed.

Grief VIII

28. Ten slotte voert de vrouw in haar laatste grief aan dat de rechtbank grote terughoudendheid dient te betrachten bij een beslissing dat aan de lotverbondenheid tussen gewezen echtgenoten een einde is gekomen en dat zij in een periode van zes weken haar beslissing radicaal heeft gewijzigd en in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde door niet aan te geven voornemens te zijn haar beslissing te heroverwegen.

29. De man is van mening dat de rechtbank weloverwogen tot haar oordeel is gekomen.

30. Het hof verwijst naar het eerder overwogene en volgt de eindconclusie van de rechtbank dat de vrouw zich dermate grievend jegens de man en de kinderen heeft uitgelaten dat in alle redelijkheid niet meer van de man gevergd kan worden dat hij partneralimentatie aan haar blijft voldoen. Voor het hof staat vast dat er in de onderhavige zaak sprake is van langdurige en niet meer tot de echtscheidingsproblematiek behorende grievende gedragingen van de vrouw. Het hof betrekt daarbij onder meer de ernstige wangedragingen van de vrouw richting de man en de kinderen, alsmede gedragingen gericht tot het bedrijf van de man en ten aanzien van zijn nevenwerkzaamheden bij de [werkgever], alsook het vaststaande feit dat zij vanaf haar werkplek bij een verzekeringskantoor dergelijke acties heeft ondernomen. Dat de gedragingen zijn voortgekomen uit impulsief handelen van de vrouw en ongenoegen over hoe alles is gelopen, betekent niet dat de gedragingen daardoor minder ernstig moeten worden geacht.

De proceskosten

31. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt om, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de kosten van het geding in hoger beroep te compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Slotsom

32. De slotsom is dat de grieven van de vrouw tegen de bestreden beschikking falen en de beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt.

De beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, voorzitter, R. Feunekes en M.A.L.M. Willems en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

8 januari 2013 in bijzijn van de griffier.