Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0102

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
31-01-2013
Zaaknummer
BK 11/00204 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2003 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/281
V-N 2013/25.3 met annotatie van Redactie
FutD 2013-0345
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Zittingsplaats Leeuwarden

nummer 11/00204

uitspraakdatum: 29 januari 2013

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z, (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 mei 2011, nummer AWB 09/2855, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is met dagtekening 12 juni 2009 voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.865 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.853. De navorderingsaanslag resulteerde in een te betalen bedrag van € 5.561.

1.2 De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 31 mei 2011 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2013 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. A als gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. B namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. C. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een verzoek om verdaging van de zitting gedaan. Het Hof heeft dit verzoek ter zitting afgewezen.

2. De vaststaande feiten

2.1 In de onderhavige periode trad D verbonden aan E te L op als accountant en belastingadviseur van belanghebbende.

2.2 De Ontvanger van de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen heeft aan belanghebbende bij brief van 25 juli 2009 een betalingsherinnering gezonden met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2003, voor een bedrag van € 5.561.

2.3 Tot de stukken van het geding behoort een brief van belanghebbende aan de Ontvanger met dagtekening 29 juli 2009, ontvangen op dezelfde datum, waarin, voor zover relevant, het volgende is vermeld:

“Mijn man, dhr. F heeft gisteren telefonisch contact met u hierover gehad.

De kwestie is deze:

mijn belastingadviseur, dhr. D (kantoor E te L), beconnr. 000000, heeft reeds in juni inhoudelijk bezwaar aangetekend en uitstel gevraagd, echter ik kan hem thans niet bereiken omdat hij tot en met 17 augustus op vakantie in Spanje is. De betreffende stukken berusten bij hem op kantoor.

Daarom verzoek ik u beleefd om uitstel van betaling te verlenen t/m 31 augustus 2009 voor het bestreden bedrag, groot 5561 Euro, voor zowel de aanslag als de heffingsrente.".

2.4 Tot de stukken van het geding behoort voorts een brief van belanghebbende aan de Inspecteur met dagtekening 31 augustus 2009 waarin, voor zover relevant, het volgende is vermeld:

"Bij deze doe ik u toekomen een afschrift van het bezwaar d.d. 22 juni 2009, hetwelk mijn belastingadviseur per die datum bij uw dienst heeft ingediend. (Bijlage 2), waarnaar ik geheel verwijs en dat hier als herhaald en ingelast bezwaar geldt.

Omdat ik inmiddels een brief van Invordering d.d. 25 juli jl. (Bijlage 3) heb ontvangen, zonder dat op het bezwaarschrift gereageerd is noch naar mijn belastingadviseur, dhr. D (kantoor E, beconnr. 000000 noch naar mij persoonlijk, schijnt het mij toe dat dit bezwaarschrift door uw dienst helaas niet ontvangen is.

Om dit voor nu definitief te voorkomen, zal ik het inleveren aan de balie.

Tevens verzoek ik U beleefd om uitstel van betaling van het bestreden bedrag, groot 5561 Euro, voor zowel de totale aanslag, hoofdsom en de heffingsrente.".

2.5 In de hiervoor onder 2.4 bedoelde bijlage is als volgt vermeld:

"L, 22 juni 2009

Ons kenmerk: NR\00.00.00.001

Inzake : aanslagnr. 0000.00.003 mw. X

Weledelgestrenge heer,

Namens cliënte maken wij bezwaar tegen bovengenoemde aanslag voor het gehele bedrag en verzoeken u uitstel van betaling voor het gehele bedrag totdat de inspecteur heeft beslist.

Uw motivatie dat het totaal van de IB/PVV en/of premie volksverzekeringen te laag zou zijn om de heffingskortingen te verrekenen is onduidelijk en onjuist. Op dit punt wijkt u af van de aangifte, behoudens bovengenoemde standaard en geautomatiseerde motivering geeft u niet aan waarom of waardoor deze wijzigingen worden doorgevoerd en/of waar deze uit bestaan, hierin ligt de reden opgesloten waarom cliënte u verzoekt om een nadere toelichting dan wel uitleg.

Tevens stelt cliënt dat er aan het opleggen van een navorderingsaanslag geen grondslag ligt, immers er is geen sprake van een nieuw feit.

In afwachting van u reactie, tekenen wij,

met vriendelijke groet en

hoogachting

namens E

D.".

2.6 Tot de stukken van het geding behoort een gespreksnotitie van 11 september 2009 waarin het volgende is vermeld:

“Tel: 11.09.09 ca 11.30 uur.

G(…)

D gesproken m.t. bovengenoemde”

Voorts is op deze notitie in een ander handschrift vermeld:

“In aanwezigheid van mr. F,

Echtgenoot van mw. X

Bezwaarschrift d.d. 22 juni 2009 is in goede orde ontvangen, derhalve uitstel.”

2.7 De Ontvanger van de Belastingdienst/Noord heeft belanghebbende bij brief van 15 september 2009 uitstel verleend voor de betaling van de navorderingsaanslag IB/PVV 2003. De Ontvanger schrijft in voormelde brief onder meer:

"U heeft om uitstel gevraagd omdat u een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de aanslag. Ik geef u hierbij uitstel van betaling totdat op het bezwaarschrift is beslist.".

2.8 Tot de stukken van het geding behoort voorts een brief, van D aan de Inspecteur met dagtekening 30 november 2009 waarin, voor zover relevant, als volgt vermeld:

"Uw opmerking dat het bezwaarschrift mijnerzijds niet op tijd zou zijn ingediend, is onjuist en curieus. De navorderingsaanslag was van 12 juni 2009. Ik heb schriftelijk bezwaar gemaakt bij schrijven van 22 juni 2009 (ruim binnen de termijn). Ik heb dit op 11 september 2009 om 11.30 nog maar eens gecheckt telefonisch bij de Ontvanger (dit in bijzijn van de echtgenoot van cliënte, dhr. Mr. F). Daarbij werd bevestigd dat het bezwaarschrift gewoon ontvangen was, hetgeen mij normaal lijkt, omdat het regulier met TNT Post naar de postbus van de fiscus Groningen (Postbus 418,9700 AK Groningen) is verzonden, zoals ik dat voor al mijn cliënten al jaren zonder problemen doe.".

2.9 De Inspecteur heeft bij uitspraak belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.

2.10 De Rechtbank heeft deze uitspraak bevestigd. De Rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek brieven en nadere stukken van belanghebbende ontvangen en aan haar geretourneerd. De Rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat, indien en voor zover belanghebbende daarmee een verzoek om heropening van het onderzoek heeft willen doen op de voet van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), dat dit verzoek om proceseconomische redenen wordt afgewezen.

2.11 Namens belanghebbende is onder meer tegen die beslissing een klacht ingediend bij het gerechtsbestuur van de Rechtbank. Het gerechtsbestuur heeft die klacht bij beslissing van 22 september 2011 (alsmede een andere klacht) niet-ontvankelijk verklaard.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2003 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.2 Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en stelt primair dat haar gemachtigde tijdig bij brief van 22 juni 2009 bezwaar heeft gemaakt. Voorts doet belanghebbende subsidiair een beroep op, zo begrijpt het Hof, het bepaalde in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht; in dit kader beroept belanghebbende zich op bij haar gewekt vertrouwen en stelt zij dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld. Ten slotte heeft belanghebbende verzocht om een proceskostenvergoeding bij zowel een gegrond als een ongegrond hoger beroep.

3.3 De Inspecteur beantwoordt de onder 3.1 genoemde vraag bevestigend. De Inspecteur betwist primair de verzending en de ontvangst van de brief van 22 juni 2009. Voorts stelt de Inspecteur gemotiveerd dat er geen reden is voor toepassing van artikel 6:11 van de Awb en dat evenmin sprake kan zijn van een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot terugwijzing van de zaak naar de Inspecteur voor een inhoudelijke behandeling van het bezwaar.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Verzoek om uitstel

4.1 De advocaat-gemachtigde heeft ter zitting van het Hof op 8 januari 2013 uitstel verzocht van de mondelinge behandeling op de grond dat de gemachtigde mr. H (kantoorgenoot van mr. A) een zitting bij een ander gerecht had en dat belanghebbende en haar echtgenoot verhinderd waren in verband met een begrafenis. Het Hof heeft het verzoek om uitstel afgewezen.

4.2 Het Hof overweegt dat procespartijen belang hebben, mede gelet op het feit dat al eerder op verzoek van belanghebbende de zitting is verdaagd, bij een afdoening van de hogerberoepsprocedure binnen een redelijke termijn. Een voortvarende behandeling mag echter niet in de weg staan aan de mogelijkheid van procespartijen bij de behandeling van de zaak aanwezig te zijn of zich deugdelijk te laten vertegenwoordigen.

4.3 Ter zitting op 8 januari 2013 is de kantoorgenoot van mr. H namens belanghebbende verschenen, waarmee het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling op de grond dat de gemachtigde van belanghebbende niet op de zitting zou kunnen verschijnen, grond mist. Mr. A heeft desgevraagd aangegeven niet aan D te hebben gevraagd belanghebbende te vertegenwoordigen ter zitting, terwijl de aanwezigheid van hem als degene waarvan wordt gesteld dat hij het bezwaarschrift tijdig heeft ingediend, juist voor de hand zou hebben gelegen. Nu belanghebbende alsnog vertegenwoordigd is door een professioneel gemachtigde acht het Hof dat er namens belanghebbende onvoldoende redenen zijn gegeven waarom de zitting verdaagd zou moeten worden.

4.4 De belangen van beide procespartijen afwegend heeft het Hof geoordeeld dat de zitting niet wordt verdaagd.

De ontvankelijkheid van het bezwaar

4.5 Met inachtneming van de artikelen 6:7 tot en met 6:9 van de Awb eindigde de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen de bestreden navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2003 op 24 juli 2009. Tussen partijen is primair in geschil of binnen deze termijn een bezwaarschrift is ingediend.

4.6 Het Hof stelt voorop dat belanghebbende, bij betwisting daarvan door de Inspecteur, de bewijslast draagt aannemelijk te maken tijdig bezwaar te hebben gemaakt.

4.7 Belanghebbende heeft daartoe aangevoerd dat de onder 2.5 genoemde brief het met dagtekening 22 juni 2009 bezwaarschrift is. De Inspecteur heeft de verzending van deze brief alsmede de ontvangst daarvan betwist. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan met het uitsluitend overleggen van een afschrift van de bedoelde brief. Bij dit oordeel heeft het Hof het volgende in aanmerking genomen: het afschrift van de brief is niet ondertekend, de brief is niet aangetekend verzonden, de gemachtigde heeft desgevraagd geen antwoord kunnen geven op de vraag of en hoe D de opdracht heeft gekregen tot het maken van bezwaar nu de navorderingsaanslag aan belanghebbende zelf was geadresseerd, het dossier ontbeert door D zelf ondertekende correspondentie betreffende het bezwaar en ten slotte heeft de onder 2.8 bedoelde brief die de verzending van het bezwaarschrift volgens belanghebbende zou bevestigen, dezelfde opmaak en vormgeving als de correspondentie van belanghebbende en haar echtgenoot.

4.8 Gelet hierop is het Hof van oordeel dat eerst bij brief van 29 juli 2009 dan wel bij brief van 31 augustus 2009 bezwaar is gemaakt. Tussen partijen is niet in geschil dat deze brieven niet als een tijdig bezwaarschrift in de zin van artikel 6:9 van de Awb kunnen worden aangemerkt.

4.9 Belanghebbende heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, zo begrijpt het Hof, er gronden zijn als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb op grond waarvan haar niet verweten kan worden dat het bezwaarschrift te laat is ingediend dan wel dat bij haar het te rechtvaardigen vertrouwen is gewekt dat er tijdig bezwaar was gemaakt. Belanghebbende noemt in dat kader dat de Ontvanger uitstel van betaling heeft verleend en dat de Ontvanger op 11 september 2011 telefonisch zou hebben bevestigd dat tijdig bezwaar was gemaakt.

4.10 Naar het oordeel van het Hof kan hetgeen belanghebbende heeft gesteld niet tot het oordeel leiden dat zij ontvankelijk is in haar bezwaar. De overgelegde gespreksnotitie maakt geenszins aannemelijk dat de belastingadviseur, D, zelf met de belastingdienst heeft gesproken over de ontvangstbevestiging van een bezwaarschrift van 22 juni 2009. Daarenboven geldt dat het Hof geen reden ziet om te twijfelen aan de verklaring van de Inspecteur dat het systeem van de belastingdienst de Ontvanger geen informatie geeft over de tijdigheid van ingediende bezwaarschriften zodat, zo de Ontvanger al op 11 september 2009 zou hebben bevestigd dat een bezwaarschrift was ontvangen, dit niet betekent dat dit bezwaarschrift voor het einde van de termijn ontvangen is. Belanghebbendes beroep op opgewekt vertrouwen slaagt niet.

4.11 Nu belanghebbende overigens geen feiten of omstandigheden heeft gesteld in het kader van 6:11 van de Awb en het Hof ook overigens geen redenen daartoe ziet, is het hoger beroep in zoverre ongegrond.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Proceskosten

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij genoodzaakt was om hoger beroep in te stellen omdat de Rechtbank bepaalde stukken niet tot de stukken van het geding had toegelaten en verzoekt derhalve – ook bij een ongegrond hoger beroep – om een proceskostenvergoeding in hoger beroep. Hof acht hiertoe geen termen aanwezig. Het hoger beroep biedt een mogelijkheid om stukken die in eerste aanleg om wat voor reden dan ook niet tot de gedingstukken zijn toegelaten in hoger beroep alsnog in aanmerking te nemen. Dat van die mogelijkheid gebruik wordt gemaakt vormt op zichzelf beschouwd geen reden voor een proceskostenveroordeling. Het Hof ziet ook overigens geen redenen voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Polak, voorzitter, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 29 januari 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (E. Polak)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 januari 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.