Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BY9978

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
200.104.856/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schriftelijke overeenkomst van 'koop en verkoop activiteiten, activa en (handels)crediteuren'. Overname van onderneming per 1 januari 2009. Vraag of bepaalde facturen van handelscrediteuren voor rekening van de koper komen. Kwestie van uitleg van artikel 5 van de overeenkomst. Haviltexnorm.

Aan deze norm ligt de gedachte ten grondslag dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld, al is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis van deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijke verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift wel van groot belang (HR 20-2-2004, LJN: AO1427). Hierbij neemt het hof in aanmerking dat het in casu gaat om een zakelijke transactie tussen professionele ondernemers (HR 29-6-2007, LJN: BA4909).

Het hof is van oordeel dat de door de verkoper verdedigde uitleg strookt met de meest voor de hand liggende, taalkundige betekenis van artikel 5 van de overeenkomst in samenhang met het overzicht van (handels)crediteuren per 31 december 2008 (bijlage 3 van de overeenkomst). Het verweer van de koper biedt geen steun voor een andere uitleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

vestiging Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.104.856/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 108645 / HA ZA 10-1049)

arrest van de tweede kamer van 29 januari 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde in vrijwaring,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. E. Bakhuis, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

Technisch Watersportcentrum B.V.,

voorheen gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres in vrijwaring,

hierna te noemen: TWC,

advocaat: mr. P. van Bommel, kantoorhoudende te Franeker.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist door de rechtbank Leeuwarden zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 3 november 2010 in het incident tot vrijwaring in de hoofdzaak tussen Kabola Heating Systems B.V. (hierna: Kabola) en TWC (zaaknummer: 105369/HA ZA 10-525), 26 januari 2011 in het incident tot voeging in de hoofdzaak tussen Kabola en TWC en 19 oktober 2011 in de hoofdzaak tussen Kabola en TWC en de vrijwaringszaak tussen TWC en [appellant].

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 16 januari 2012 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 19 oktober 2011 in de vrijwaring met dagvaarding van TWC tegen de zitting van 17 april 2012.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden gewezen in de zaak in vrijwaring op 19 oktober 2010 en de vorderingen van TWC alsnog geheel of gedeeltelijk af te wijzen met veroordeling van TWC in de kosten in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door TWC verweer gevoerd met als conclusie:

"de grieven van appellant, gedaagde in vrijwaring in prima, ten aanzien van het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden d.d. 19 oktober 2011 geheel, danwel gedeeltelijk, ongegrond te verklaren met instandhouding van het vonnis d.d. 19 oktober 2011, althans met algehele toewijzing van de vorderingen van thans geïntimeerde, eiseres in vrijwaring ten principale, en met veroordeling van appellant, gedaagde in vrijwaring ten principale in de kosten van deze procedure."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, vestiging Leeuwarden.

De grieven

[appellant] heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

De feiten

1. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 3 van het bestreden vonnis d.d. 19 oktober 2011 een aantal feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak vastgesteld. Nu partijen geen bezwaar hebben gemaakt tegen deze weergave van de feiten, zal het hof in hoger beroep ook van deze feiten uitgaan.

2. In deze zaak staat, mede gelet op hetgeen in hoger beroep is komen vast te staan, het volgende tussen partijen vast.

2.1. Kabola heeft aan TWC goederen geleverd. Kabola heeft voor deze leveringen een aantal facturen verzonden, onder meer gedateerd op 19 december 2008 (€ 3.373,35), 24 december 2008 (€ 2.450,28), 6 januari 2009 (€ 52,79) en 15 januari 2009 (€ 5.829,55). TWC weigerde deze facturen te betalen.

2.2. Op 17 februari 2009 hebben TWC en [appellant] een schriftelijke overeenkomst van 'koop en verkoop activiteiten, activa en (handels)crediteuren' gesloten waarbij de onderneming van TWC per 1 januari 2009 is overgenomen door [appellant]. De in hoger beroep door [appellant] overgelegde overeenkomst bevat de handtekening van beide partijen.

2.3. De overeenkomst bepaalt, voor zover thans van belang, het volgende:

"(…)

I. De datum van overname (hierna te noemen: 'De Overnamedatum') is gesteld op 1 januari 2009.

(…)

Artikel 1 Koop en verkoop

1.1 Verkoper [TWC; toev. hof] verkoopt en levert, gelijk Koper [[appellant]; toev. hof] koopt en aanvaardt, de goodwill en de omschreven activa en passiva met inachtneming van alle in deze overeenkomst van koop en verkoop opgenomen bedingen (hierna te noemen: 'Transactie').

(…)

1.4 Onder passiva in artikel 1.1 van deze overeenkomst wordt verstaan alle (handels)crediteuren per 31 december 2008, zoals omschreven op de aan deze overeenkomst van koop en verkoop toegevoegde en door Partijen geparafeerde bijlage 3

[(handels)crediteurenoverzicht].

(…)

Artikel 5 Verplichtingen en overgang risico

Alle verplichtingen, zaakschulden en andere schulden en vorderingen tot aan De Overnamedatum zijn voor rekening en risico van de Verkoper. De Verkoper vrijwaart Koper voor elke aanspraak voortvloeiende uit de door hem tot aan De Overnamedatum uitgeoefende Onderneming. De Onderneming is vanaf De Overnamedatum voor rekening en risico van Koper. Koper vrijwaart de Verkoper voor elke aanspraak voortvloeiende uit de door hem vanaf De Overnamedatum uitgeoefende onderneming behoudens voor die aanspraken welke eventueel voortvloeien uit aan Verkoper verwijtbare onbehoorlijke zaakwaarneming gedurende de periode gelegen tussen De Overnamedatum en Datum Levering.

(…)."

2.4. In bijlage 3 bij deze overeenkomst staat, voor zover thans van belang, vermeld:

"BIJLAGE 3 HANDELSCREDITEUREN

TWC BV 28-01-2009 at 14:25:20

Crediteuren ouderdomsanalyse 28-1-2009 transactiet Cred Deb Betaald Saldo

31-12-2008 januari '09 28-1-2009

(…)

CC000012 Kabola Heating Systems BV -16.187,15 10.217,70 -5.969,45

(…)"

Het geschil en de beoordeling daarvan in eerste aanleg

3. In de hoofdzaak heeft Kabola in eerste aanleg - samengevat - gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad TWC te veroordelen tot betaling van € 13.849,69, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding en vermeerderd met kosten.

In de vrijwaringszaak heeft TWC - samengevat - gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om aan TWC te betalen al hetgeen waartoe TWC in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van

[appellant] in de kosten van de vrijwaring.

4. De rechtbank heeft bij eindvonnis d.d. 19 oktober 2011 in de hoofdzaak TWC veroordeeld om aan Kabola te betalen een bedrag van € 12.945,69, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de hoofdsom van € 11.590,59 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling. Voorts heeft de rechtbank TWC veroordeeld in de kosten van de hoofdzaak en het incident.

In de vrijwaringszaak heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld aan TWC te betalen al hetgeen waartoe TWC in de hoofdzaak jegens Kabola is veroordeeld, waaronder de proceskosten van de hoofdzaak waarin TWC is veroordeeld. Daarbij heeft de rechtbank uit hoofde van verrekening een bedrag van € 1.500,- in mindering gebracht op het aan TWC toe te wijzen bedrag (rechtsoverweging 5.10 van het vonnis d.d. 19 oktober 2011).

Met betrekking tot de grieven

5. Grief 1 houdt in dat de rechtbank in rechtsoverweging 5.9 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft overwogen dat partijen kennelijk hebben beoogd dat [appellant] het saldo van de handelscrediteuren en in het bijzonder de vordering van Kabola op TWC per peildatum 31 december 2008 tegen het saldo van € 16.187,15 zou overnemen.

Grief 2 houdt in dat de rechtbank in genoemde rechtsoverweging ten onrechte heeft overwogen dat de stelling van [appellant] dat het saldo van de overgenomen (handels)crediteuren in bijlage 3 maximaal € 5.969,45 is geen doel treft.

Grief 3 houdt in dat de rechtbank in dezelfde rechtsoverweging ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] gehouden is de facturen van 19 en 24 december 2008 en de facturen van 6 en 15 januari 2009 te betalen.

Grief 4 houdt in dat de rechtbank in deze rechtsoverweging heeft aangenomen dat de goederen waarop de betreffende facturen zien door TWC aan [appellant] zijn overgedragen dan wel aan [appellant] ten goede zijn gekomen.

Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

6. [appellant] stelt het volgende.

Partijen zijn op 17 februari 2009 (de datum van ondertekening van de overeenkomst) overeengekomen dat de overnamedatum 1 januari 2009 is. Tussentijdse betalingen door TWC aan de (handels)crediteuren gedurende de maand januari 2009 - de periode tussen overnamedatum en de daadwerkelijke levering - zijn in bijlage 3 aangepast door toevoeging van de kolom betaald en de kolom saldo per 28 januari 2009. Het verschil van het saldo van de (handels)crediteuren in totaal is aanzienlijk. Op 31 december 2008 bedroeg het openstaande bedrag op TWC € 68.466,78, terwijl het aangepaste saldo op 28 januari 2009 (dus na de tussentijdse betalingen door TWC) nog maar € 45.617,51 bedraagt. Door tussentijdse betalingen (in januari 2009) in mindering te brengen op het saldo van de (handels)crediteuren van 31 december 2008 en bovendien het saldo van de (handels)crediteuren per 28 januari 2009 in bijlage 3 op te nemen, hebben partijen hun bedoeling kenbaar gemaakt. Partijen hebben hiermee zonder meer beoogd de overname van de (handels)crediteuren op 31 december 2008 te bewerkstelligen tegen het saldo van

28 januari 2009, aldus [appellant]. Deze bedoeling van partijen wordt bovendien onderstreept door het feit dat het saldo van de (handels)crediteuren per 28 januari 2009 in de berekening van de overnameprijs is betrokken, en niet het saldo per 31 december 2008, aldus nog steeds [appellant].

7. [appellant] beroept zich - naar het hof begrijpt subsidiair - op dwaling, hierin bestaande dat hij bij het vaststellen van de overnameprijs - waarbij het saldo van de debiteuren van TWC is verrekend met het saldo van de crediteuren van TWC - ervan is uitgegaan dat het saldo van de schuld jegens Kabola € 5.969,45 bedroeg. Op grond van artikel 6:230 lid 2 BW verzoekt [appellant] het nadeel dat hij heeft - doordat hij door toedoen van TWC heeft gedwaald omtrent de omvang van de schuld van TWC aan Kabola - op te heffen.

8. De stellingen van TWC komen erop neer dat het door haar in januari 2009 betaalde bedrag aan Kabola betrekking heeft op facturen uit 2008, niet zijnde de facturen in geding, als gevolg waarvan het crediteurensaldo per 31 december 2008 is verminderd tot een bedrag van € 5.969,45. De facturen van januari 2009 ad in totaal € 5.882,34 zijn niet in dit saldo begrepen. Laatstgenoemde facturen dienen op grond van de overeenkomst door

[appellant] aan Kabola betaald te worden. In totaal is [appellant] derhalve een bedrag van € 5.969,45 + € 5.882,34 = € 11.851,79 aan haar verschuldigd, aldus TWC. Kabola heeft in de hoofdzaak een bedrag van € 11.590,59 gevorderd, hetgeen nagenoeg overeenkomt met het hiervoor berekende bedrag. Voorts stelt TWC dat [appellant] alle leveranties in 2009 tot datum contract, zijnde 17 februari 2009 heeft verkregen c.q. behouden.

Met betrekking tot de facturen van 19 en 24 december 2008

9. Aangezien TWC stelt dat het door haar in januari 2009 betaalde bedrag aan Kabola betrekking heeft op facturen uit 2008, als gevolg waarvan het crediteurensaldo per

31 december 2008 is verminderd tot een bedrag van € 5.969,45, ter zake van welk bedrag zij betaling vordert, erkent zij daarmee impliciet de stelling van [appellant] dat hij de (handels)crediteuren op 31 december 2008 heeft overgenomen tegen het saldo van

28 januari 2009.

10. In zoverre slaagt grief 1. Dit leidt echter nog niet tot vernietiging van het bestreden vonnis.

11. Voor zover [appellant] betwist dat enige juridische grondslag bestaat voor gehoudenheid tot betaling van de facturen van 19 en 24 december 2008, en voorts betwist dat deze facturen zien op de schulden die in de crediteurenlijst van bijlage 3 zijn omschreven én door [appellant] zijn overgenomen (hij stelt dat hij de bedragen en goederen waarop deze facturen betrekking hebben niet kan traceren in de overgenomen passiva/activa van TWC; zie de memorie van grieven sub 32 tot en met 34), overweegt het hof als volgt.

12. Zoals [appellant] zelf heeft gesteld en TWC erkent, zijn partijen overeengekomen dat hij de schuld van TWC jegens Kabola uit 2008 heeft overgenomen tegen het saldo per

28 januari 2009. Daarmee is de juridische grondslag voor de verplichting van [appellant] tot betaling van de facturen d.d. 19 en 24 december 2008 gegeven.

13. De stelling van [appellant] dat deze facturen niet in het crediteurenoverzicht per

31 december 2008 zijn opgenomen, heeft hij naar het oordeel van het hof, mede gelet op de betwisting daarvan door TWC, onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat hij de goederen waarop deze facturen betrekking hebben, niet heeft verkregen.

14. Uit het voorgaande volgt dat de schuld aan Kabola over 2008 tot een saldo van € 5.969,45 voor rekening komt van [appellant], en dat de facturen d.d. 19 en 24 december 2008 (ad in totaal € 5.823,63) derhalve voor rekening van [appellant] komen.

Met betrekking tot de facturen van 6 en 15 januari 2009

15. Voor zover [appellant] betwist dat enige juridische grondslag bestaat voor gehoudenheid tot betaling van de facturen van 6 en 15 januari 2009, en voorts betwist dat deze facturen zien op de schulden die in de crediteurenlijst van bijlage 3 zijn omschreven, die door [appellant] zijn overgenomen (hij stelt dat hij de bedragen en goederen waarop deze facturen betrekking hebben niet kan traceren in de overgenomen passiva/activa van TWC; zie de memorie van grieven sub 32 tot en met 34), overweegt het hof als volgt.

16. Artikel 5 van de overeenkomst bepaalt, voor zover thans van belang, dat de onderneming vanaf de overnamedatum, zijnde 1 januari 2009, voor rekening en risico van koper ([appellant]) is, en dat koper de verkoper (TWC) vrijwaart voor elke aanspraak voortvloeiende uit de door hem vanaf de overnamedatum uitgeoefende onderneming behoudens voor die aanspraken welke eventueel voortvloeien uit aan verkoper verwijtbare onbehoorlijke zaakwaarneming gedurende de periode gelegen tussen de overnamedatum en de leveringsdatum (zie hiervoor onder 2.3).

Bij de uitleg van dit artikel komt het aan op de betekenis die partijen daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen ze te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltexnorm). Aan deze norm ligt de gedachte ten grondslag dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld, al is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijke verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift wel van groot belang

(HR 20-2-2004, LJN: AO1427). Hierbij neemt het hof in aanmerking dat het in casu gaat om een zakelijke transactie tussen professionele ondernemers (HR 29-6-2007, LJN: BA4909).

17. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op TWC als eisende partij de bewijslast ter zake van de door haar verdedigde uitleg van de overeenkomst, inhoudende dat de facturen van 9 en 15 januari 2009 voor rekening van [appellant] komen. Het hof is van oordeel dat deze uitleg strookt met de meest voor de hand liggende, taalkundige betekenis van artikel 5 van de overeenkomst in samenhang met het overzicht van (handels)crediteuren per 31 december 2008 (bijlage 3 van de overeenkomst). Het verweer van [appellant] biedt geen steun voor een andere uitleg.

18. De conclusie uit het voorgaande luidt dat de facturen d.d. 9 en 15 januari 2009 krachtens de overeenkomst voor rekening van [appellant] komen. Daarmee is de juridische grondslag voor de betalingsverplichting van [appellant] gegeven. De stelling van

[appellant] dat de goederen waarop deze facturen betrekking hebben niet terug te vinden zijn in de lijst van overgedragen goederen (bijlage 2 bij de overeenkomst), snijdt zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, geen hout, aangezien deze lijst de voorraad per 31 december 2008 weergeeft. Ook overigens heeft [appellant], mede in het licht van de betwisting door TWC, onvoldoende onderbouwd dat hij de betreffende goederen niet heeft verkregen.

19. Voor zover het betoog van [appellant] erop neerkomt dat hij op basis van het overzicht (handels)crediteuren per 31 december 2008, gelet op het daarin vermelde saldo per

28 januari 2009, erop heeft mogen vertrouwen dat hij per genoemde datum niet meer dan € 5.969,45 aan Kabola verschuldigd was, miskent hij naar het oordeel van het hof dat facturen van ná de overnamedatum (1 januari 2009) krachtens de overeenkomst voor zijn rekening komen. [appellant] heeft derhalve naar het oordeel van het hof uit de vermelding van het saldo per 28 januari 2009 redelijkerwijs niet mogen afleiden dat daarin ook facturen van januari 2009 waren verwerkt. Dit strookt ook met de eigen stelling van [appellant] dat partijen hebben beoogd de overname van de (handels)crediteuren op

31 december 2008 te bewerkstelligen tegen het saldo van 28 januari 2009.

20. Subsidiair doet [appellant] een beroep op dwaling omtrent de omvang van de per 28 januari 2009 jegens Kabola openstaande schuld. Dit beroep grondt hij op de 'mededeling' van TWC in het overzicht (handels)crediteuren per 31 december 2008 dat het saldo van de schuld aan Kabola op 28 januari 2009 € 5.969,45 bedraagt (artikel 6:228 lid 1 aanhef en sub a BW). Voor zover [appellant] aan deze vermelding de verwachting heeft ontleend dat hij per genoemde datum niet meer dan € 5.969,45 aan Kabola verschuldigd was, komt deze dwaling, gelet op hetgeen hiervoor onder 19 is overwogen, voor rekening van [appellant].

21. De grieven treffen derhalve geen doel.

22. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van [appellant], omdat niets concreets is aangevoerd dat aan het voorgaande kan afdoen.

De slotsom

23. Het vonnis d.d. 19 oktober 2011 in de vrijwaring waarvan beroep zal worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (1 punt in tarief II).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 19 oktober 2011 in de vrijwaring waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van TWC tot aan deze uitspraak op € 666,- aan verschotten en € 894,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

Aldus gewezen door mrs. I. Tubben, voorzitter, M.W. Zandbergen en R.A. van der Pol en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag

29 januari 2013 in bijzijn van de griffier.