Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BY9620

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
16-992004-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Kosten rechtsbijstand daadwerkelijk ten laste gekomen van de gewezen verdachte? Appellant en zijn gewezen medeverdachte zijn gelijktijdig voor dezelfde feiten vervolgd. De rechtbank heeft zijn gewezen medeverdachte eveneens vrijgesproken. Beiden zijn bijgestaan door dezelfde raadsman. Alle declaraties van de raadsman waren gericht aan de gezamenlijke houdstermaatschappij van appellant en zijn gewezen medeverdachte.

Gelet op de door appellant overgelegde stukken, in hun onderlinge verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de gemaakte kosten daadwerkelijk ten laste zijn gekomen van appellant en zijn gewezen medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Zittingsplaats Arnhem

Pknr: 16-992004-11

Avnr: 1025-12

Het hof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door:

[naam appellant],

geboren te [geboorteplaats] op [1967],

wonende te [woonplaats] [adres],

hierna te noemen appellant.

Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank te Utrecht van

15 mei 2012, houdende de beslissing op een verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 8 oktober 2012 de advocaat-generaal en in openbare raadkamer van 26 november 2012 de advocaat-generaal en appellant.

Het hof heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift van appellant, ingediend op 3 januari 2012 ter griffie van de rechtbank te Utrecht door [raadsman], advocaat te [plaats];

- het proces-verbaal van de behandeling op 17 april 2012 van het verzoekschrift door de rechtbank;

- voormelde beschikking van de rechtbank;

- de akte van 12 juni 2012 opgemaakt door de griffier van de rechtbank te Utrecht, waarbij door appellant hoger beroep werd ingesteld tegen voormelde beschikking;

- de brief van appellant met bijlagen van 5 oktober 2012;

- het proces-verbaal ter zitting van 8 oktober 2012;

- de overige zich in het dossier bevindende stukken.

Appellant heeft – daartoe in de gelegenheid gesteld door het hof - per brief van 28 november 2012 alsnog de jaarrekening van de besloten vennootschap [bedrijf] over 2011 overgelegd.

OVERWEGINGEN

1. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank te Utrecht van 11 oktober 2011 is appellant vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De zaak is derhalve geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

2. Appellant en zijn gewezen medeverdachte hebben ieder een verzoekschrift ingediend strekkende tot toekenning van een vergoeding van reiskosten, in de kosten van de raadsman, de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift alsmede tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering voor de door appellant ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte kosten, zijnde de door appellant en zijn gewezen medeverdachte gemaakte accountantskosten. De declaraties van de raadsman en de accountant zijn gericht aan [bedrijf], de gemeenschappelijke holding van appellant en de gewezen medeverdachte [naam]. Appellant en zijn gewezen medeverdachte stellen dat zij de kosten ieder voor de helft in privé hebben gedragen.

3. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek tot vergoeding in de kosten van de raadsman en de door appellant ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte kosten afgewezen, nu deze kosten door de besloten vennootschap [bedrijf] zijn voldaan en appellant zelf derhalve geen schade heeft geleden als bedoeld in artikel 591a (en 591) van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank heeft voor de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift de forfaitaire vergoeding toegekend.

4. Het hoger beroep is tijdig ingediend. De gewezen medeverdachte heeft eveneens hoger beroep ingesteld. Het hof zal hierop heden bij separate beslissing beslissen.

5. Appellant heeft ter zitting gepersisteerd bij het initiële verzoekschrift en daartoe aangevoerd dat de kosten ten laste zijn gekomen van zijn privévermogen, nu deze zijn verrekend met zijn vordering op de besloten vennootschap [bedrijf] en dusdoende een lagere vordering resteert op de besloten vennootschap.

6. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot toekenning van een vergoeding. De raadsman heeft de kosten gedeclareerd bij de besloten vennootschap, waarna de kosten doorgedeclareerd zijn aan appellanten. Het is van belang dat deze transacties transparant zijn. Onduidelijk blijft nog steeds of appellant en zijn gewezen medeverdachte daadwerkelijk de rechtsbijstandkosten hebben gedragen. Appellant komt dan ook niet voor een vergoeding in de kosten van de raadsman in aanmerking, met uitzondering van de forfaitaire vergoeding voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

7. Ingevolge artikel 445 van het Wetboek van Strafvordering staat tegen beschikkingen geen hoger beroep of beroep in cassatie open dan in de gevallen bij dat wetboek bepaald. Tegen een beslissing ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering is geen hoger beroep of cassatie opengesteld. Het verzoek tot vergoeding van de kosten voor de accountant is een verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof zal appellant daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

8. Ingevolge artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering kan, indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de voor de voor het onderzoek en de behandeling van de zaak ter terechtzitting gemaakte reiskosten en in de kosten van een raadsman.

Op grond van artikel 90, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

9. Voor vergoeding van als ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reiskosten in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering komen in aanmerking de reizen van appellant van zijn woonplaats naar de rechtbank voor de behandeling van de strafzaak op 27 september 2011 en naar het hof voor de behandeling van dit verzoekschrift. Gelet op het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken kunnen deze kosten worden toegekend op basis van het tarief openbaar vervoer 2e klasse.

Toegewezen kan worden:

- eenmaal een retour bus/NS 2e klasse Wageningen- Utrecht à € 17,80

- eenmaal een retour bus/NS 2e klasse Wageningen-Arnhem à € 11,32

Derhalve in totaal € 29,12

10. Appellant en zijn gewezen medeverdachte [naam] zijn gelijktijdig voor dezelfde feiten vervolgd. De rechtbank heeft zijn gewezen medeverdachte eveneens vrijgesproken. Beiden zijn bijgestaan door dezelfde raadsman, [raadsman] voornoemd. Alle declaraties van de raadsman zijn gericht aan de besloten vennootschap [bedrijf]. [bedrijf] is de gezamenlijke houdstermaatschappij van appellant en zijn gewezen medeverdachte. Via persoonlijke beheermaatschappijen participeren zij ieder voor 50% in de besloten vennootschap. Uit de door appellant overgelegde stukken, waaronder de jaarrekening van de besloten vennootschap van 2011, blijkt dat een lening van appellant aan de in 2011 met een bedrag ter hoogte van ongeveer de helft van de rechtsbijstandskosten is verminderd. Appellant heeft een brief van zijn raadsman van 21 februari 2011 overgelegd waarin is opgenomen dat is afgesproken dat de raadsman zal declareren aan [bedrijf] en dat appellant vanuit die holding de kosten naar privé zal doordeclareren. Voorts is een document getiteld ‘Grootboekkaarten samengevat’ overgelegd waaruit volgt dat de declaraties van de raadsman inclusief BTW steeds voor de helft in mindering zijn gebracht op de lening van appellant aan de B.V. Gelet op deze stukken, in hun onderlinge verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de gemaakte kosten daadwerkelijk ten laste zijn gekomen van appellant en zijn gewezen medeverdachte.

11. Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering stelt het hof voorop dat de declaratie van de raadsman niet meer is dan een uitgangspunt, dat door het hof wordt betrokken in zijn oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan appellant een vergoeding toe te kennen voor de kosten van de raadsman en zo ja tot welk bedrag. Deze maatstaf voor het beoordelen van het verzoek brengt met zich mee dat het hof geenszins gebonden is aan de door de raadsman gedeclareerde tijd of het door hem gehanteerde uurtarief.

12. Het hof heeft ten aanzien van de gevraagde vergoeding ter zake van de kosten voor rechtsbijstand acht geslagen op de aard, de omvang en de complexiteit van de strafzaak. Dat brengt het hof tot het oordeel dat de gedeclareerde kostenbovenmatig geacht moeten worden, in het bijzonder de door de raadsman in rekening gebrachte voorbereidingstijd en het door de raadsman gehanteerde uurtarief. Verder heeft het hof als beleid dat de gedeclareerde reistijd van de raadsman slechts voor het halve uurtarief in aanmerking wordt genomen. Het hof ziet geen aanleiding om in dit geval van dat beleid af te wijken. Appellant en zijn gewezen medeverdachte hebben gelijkelijk in de kosten gedeeld. Het hof zal, alle omstandigheden in aanmerking genomen, op gronden van billijkheid als vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand aan appellant toekennen een bedrag € 14.000,=.

13. Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift in één instantie worden toegewezen € 540,= (inclusief BTW).

14.Het hof zal gelet op het hiervoor overwogene de beschikking waarvan beroep, voor zover deze betreft de beslissing op het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, vernietigen en opnieuw rechtdoen.

BESCHIKKENDE

Het hof:

- verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover dat betreft de beslissing op het verzoek ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering;

- vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover deze betreft de beslissing op het verzoek ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, en kent aan appellant toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 14.569,12 (zegge: veertienduizend vijfhonderd negenenzestig euro en twaalf cent) en gelast de tenuitvoerlegging daarvan;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

- beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op een nog nader door appellant op te geven rekeningnummer.

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mrs. C. Caminada, voorzitter,

E.A.K.G. Ruys en R.W. van Zuijlen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. C.M.M. van der Waerden, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 21 januari 2013.