Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BY9434

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
12/00100
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting.

Ondernemerschap. Vereiste aangifte niet gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/217
V-N 2013/17.2.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

nummer 12/00100

uitspraakdatum: 15 januari 2013

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 januari 2012, nummer AWB 11/2561,

in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2009 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd van € 37.759. Tevens is bij beschikking een vergrijpboete van € 18.879 opgelegd. Aan heffingsrente is voorts bij beschikking een bedrag berekend van € 4.064.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslag en de in 1.1 vermelde beschikkingen gehandhaafd.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de Inspecteur. Namens belanghebbende is, zonder kennisgeving aan het Hof, niemand verschenen. Belanghebbende is door de griffier van het Hof bij aangetekende brief van 14 augustus 2012, verzonden op dezelfde datum, aan het bij het Hof laatstbekende adres: a-straat 1 te Q, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om ter zitting te verschijnen. In het dossier bevindt zich een ontvangstbevestiging, waaruit blijkt dat de brief op 16 augustus 2012 op een afhaallocatie van PostNL is afgehaald en dat A voor de ontvangst ervan heeft getekend. Hieruit volgt dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen tijdig en op juiste wijze aan belanghebbende is aangeboden.

1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende exploiteert een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma. Zij is opgericht in maart 1984. De vennoten van belanghebbende zijn A en B.

2.2 Belanghebbendes activiteiten bestaan uit het onderzoeken en overdragen van specifieke kennis en het spreken met partijen over problemen en vraagstukken betreffende onder meer milieu, techniek, energie en de medische sector.

2.3 Partijen die gebruik maken van de diensten van belanghebbende zijn onder meer gemeenten, provincies, ministeries, waterschappen, luchthavens, bedrijven, scholen, universiteiten en technologische instituten.

2.4 Belanghebbende brengt voor haar activiteiten jaarlijks een bijdrage aan de afnemers in rekening. Deze bijdrage wordt door belanghebbende vermeerderd met 19 percent omzetbelasting in rekening gebracht door middel van een aan de afnemer verstrekte factuur. Over de periode 2005 – 2009 heeft belanghebbende jaarlijks circa 50-60 facturen uitgereikt.

2.5 De Inspecteur heeft belanghebbende voor de tijdvakken gelegen in de jaren 2001 tot en met 2009 uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting. Vanaf het jaar 2004 heeft belanghebbende evenwel geen aangiften omzetbelasting meer gedaan.

2.6 In verband hiermee, zijn over de jaren 2004 tot en met 2009 zogenoemde ‘systeemnaheffingsaanslagen’ alsmede boetebeschikkingen wegens het niet betalen van de verschuldigde omzetbelasting opgelegd. Hierbij heeft de Inspecteur over genoemde periode een bedrag van € 400 aan enkelvoudige belasting per belastingjaar nageheven. Tegen genoemde naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt.

2.7 Op 14 juni 2010 heeft de Inspecteur een bedrijfsonderzoek ingesteld bij belanghebbende. Bij brief van 1 november 2010 is hiervan een rapportage opgemaakt en aan belanghebbende verstrekt.

2.8 Aan de hand van door belanghebbende ten tijde van het bedrijfsonderzoek verstrekte gegevens, welke tot het dossier behoren, heeft de Inspecteur de verschuldigde omzetbelasting over de jaren 2005 tot en met 2009 als volgt berekend:

jaar inkomsten BTW voorbelasting reeds voldaan te betalen

2005 € 43.920 € 7.012 € 356 € 400 € 6.256

2006 € 55.095 € 8.796 € 282 € 400 € 8.114

2007 € 53.362 € 8.520 € 209 € 400 € 7.911

2008 € 48.262 € 7.705 € 176 € 400 € 7.129

2009 € 56.398 € 9.004 € 255 € 400 € 8.349

€ 37.759

2.9 Overeenkomstig de bevindingen van het bedrijfsonderzoek heeft de Inspecteur met dagtekening 28 december 2010 de in geschil zijnde naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 2005 tot en met 2009 opgelegd, berekend naar een bedrag aan enkelvoudige belasting van € 37.759. Hierbij is tevens op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) bij beschikking een boete van 50 percent van de nageheven belasting, ofwel € 18.879 opgelegd, omdat het volgens de Inspecteur aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende te wijten is dat de belasting die op aangifte moet worden voldaan, niet is betaald. Voorts is bij beschikking een bedrag van € 4.064 aan heffingsrente in rekening gebracht.

2.10 Bij uitspraken op bezwaar van 25 mei 2011 heeft de Inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag en de in 2.9 vermelde beschikkingen afgewezen.

2.11 De Rechtbank heeft het beroep tegen de uitspraken op bezwaar bij uitspraak van 17 januari 2012 ongegrond verklaard.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete- en heffingsrentebeschikkingen terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

3.2 Belanghebbende is van mening dat de naheffingsaanslag en de beschikkingen ten onrechte zijn opgelegd. Belanghebbende stelt zich – naar het Hof begrijpt – namelijk op het standpunt dat zij voor de heffing van de omzetbelasting niet kan worden aangemerkt als ondernemer. Daarnaast stelt zij dat, naar aanleiding van een bedrijfsonderzoek door de Belastingdienst dat begin 2000 heeft plaatsgevonden, afspraken zijn gemaakt met de Inspecteur omtrent de administratieve afhandeling van de activiteiten. Belanghebbende heeft vervolgens de aangiften omzetbelasting ingediend overeenkomstig de afspraken die tijdens het bedrijfsonderzoek van begin 2000 met de Inspecteur zijn gemaakt. Voorts heeft belanghebbende gesteld dat de Inspecteur ruim tien jaar zelfstandig de aangiften omzetbelasting heeft ingevuld en op grond daarvan aanslagen omzetbelasting heeft opgelegd. Tot slot stelt belanghebbende dat zij niet eerder correcties heeft ontvangen. Ook niet nadat belanghebbende naar aanleiding van een aangifte over het jaar 2007 schriftelijk contact had opgenomen met de Inspecteur.

3.3 De Inspecteur stelt zich daarentegen op het standpunt dat de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd. Belanghebbende is terecht aangemerkt als ondernemer. Subsidiair stelt de Inspecteur dat belanghebbende omzetbelasting verschuldigd is geworden op grond van artikel 37 Wet op de omzetbelasting 1968, (hierna: Wet OB) nu belanghebbende op de door haar uitgereikte facturen omzetbelasting heeft vermeld. Van enig door de Inspecteur bij belanghebbende gewekt en in rechte te honoreren vertrouwen dat zij geen aangifte behoefde te doen, of anderszins van de wettelijke regeling mocht afwijken is geen sprake. Ter zake van de opgelegde boetebeschikking in verband met het niet betalen van de verschuldigde belasting, is de Inspecteur in hoger beroep evenwel van oordeel dat die ten onrechte is opgelegd, nu bij het opleggen van de zogenoemde systeemnaheffingsaanslagen reeds op grond van hetzelfde feit boeten zijn opgelegd.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan heeft de Inspecteur ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag alsmede de boete- en de heffingsrentebeschikking.

3.6 De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking, tot vernietiging van de op de boetebeschikking betrekking hebbende uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de boetebeschikking.

4. Beoordeling van het geschil

Ondernemerschap

4.1 Het Hof stelt voorop dat voor ondernemerschap in de zin van artikel 7 van de Wet OB, zoals deze bepaling in het licht van artikel 4, leden 1 en 2, van de Zesde richtlijn en artikel 9, eerste lid van de Richtlijn moet worden uitgelegd, vereist is dat de belanghebbende met haar werkzaamheden duurzaam, dat wil zeggen geregeld, in het economische verkeer tegen vergoeding prestaties verricht of gaat verrichten.

4.2 Op grond van hetgeen hiervoor onder 2.1 tot en met 2.4 is vastgesteld, komt het Hof tot het oordeel dat belanghebbende dient te worden aangemerkt als ondernemer in de zin van artikel 7 Wet OB.

Omkering bewijslast

4.3 Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende overeenkomstig artikel 6, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelasting (hierna: de AWR) is uitgenodigd tot het doen van aangiften omzetbelasting voor het onderhavige tijdvak.

4.4 Voor zover belanghebbende heeft willen betogen dat zij heeft voldaan aan het verzoek tot het doen van de vereiste aangiften, is het Hof van oordeel dat dit betoog faalt. Uit de stukken van het geding is niet gebleken dat belanghebbende de vereiste aangiften heeft gedaan. Dat, zoals belanghebbende kennelijk stelt, de Inspecteur aan belanghebbende zou hebben aangeboden de aangiften zelf in te vullen en op grond daarvan aanslagen op te leggen dan wel dat te dezen afspraken zouden zijn gemaakt tussen belanghebbende en de Inspecteur, is door belanghebbende niet nader onderbouwd laat staan aannemelijk gemaakt.

4.5 Nu belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gehoor heeft gegeven aan het verzoek tot het doen van de vereiste aangiften, dient ingevolge artikel 27e, onderdeel a, van de AWR het hoger beroep ongegrond te worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Dit brengt met zich dat de bewijslast voor de beantwoording van de vraag of de naheffingsaanslag al dan niet terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, op belanghebbende rust. Daarbij kan zij niet volstaan met het aannemelijk maken van de haar voorgestane stellingen doch dient zij dit overtuigend aan te tonen.

Naheffingsaanslag

4.6 De Inspecteur heeft ingevolge artikel 20, lid 1, van de AWR de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd aangezien belanghebbende de omzetbelasting die op aangifte behoort te worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet heeft betaald. De omstandigheid dat de Inspecteur – bij gebrek aan de vereiste aangiften over de tijdvakken 2004 tot en met 2009 – zogenoemde systeemnaheffingsaanslagen heeft opgelegd aan de hand van een door de Inspecteur gemaakte schatting van de verschuldigde omzetbelasting, waarvan nadien is gebleken dat die schatting te laag was, staat er niet aan in de weg dat de Inspecteur bevoegd is een tweede naheffingsaanslag over dezelfde tijdvakken op te leggen (vergelijk Hoge Raad 27 augustus 1986, nr. 23 105, LJN: AW7899, BNB 1986/321).

4.7 Belanghebbende heeft niets bijgebracht ter zake van de hoogte van de naheffingsaanslag laat staan dat zij daartoe het van haar verlangde (verzwaarde) bewijs heeft geleverd. Naar ’s Hofs oordeel is belanghebbende dan ook niet geslaagd in de op haar rustende (verzwaarde) bewijslast dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.

4.8 Nu de Inspecteur de naheffingsaanslag aan de hand van de door belanghebbende overgelegde gegevens, waarvan de juistheid niet door belanghebbende is betwist, heeft vastgesteld, is het Hof van oordeel dat de naheffingsaanslag berust op een redelijke schatting.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.9 Voor zover belanghebbende met haar betoog, inhoudende dat de Inspecteur in het verleden nimmer correcties zou hebben doorgevoerd en de Inspecteur eerst na 10 jaar met correcties komt, een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen doen, is het Hof van oordeel dat ook dat betoog geen doel treft. Belanghebbende heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd, op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de Inspecteur te dezen in strijd met het vertrouwensbeginsel zou hebben gehandeld. Van schending van enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur die aan de bevoegdheid van de Inspecteur om een tweede naheffingsaanslag op te kunnen leggen in de weg staat, is niets gesteld noch gebleken.

De naheffingsaanslag is derhalve terecht en tot het juiste bedrag opgelegd waardoor het hoger beroep in zoverre ongegrond is.

4.10 Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu het Hof ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast, is het hoger beroep in zoverre eveneens ongegrond.

Boetebeschikking

4.11 Met betrekking tot de boetebeschikking heeft de Inspecteur zich in hoger beroep nader op het standpunt gesteld dat deze moet worden vernietigd, omdat de onderhavige boete volgens de Inspecteur is opgelegd ter zake van een gedraging (het niet betalen van omzetbelasting die over het in geschil zijnde tijdvak moest worden voldaan) waarvoor reeds bij het opleggen van de zogenoemde systeemnaheffingsaanslagen boeten zijn opgelegd. Het Hof zal daarom dienovereenkomstig beslissen.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep op het punt van de boetebeschikking gegrond.

5. Kosten

In beroep en in hoger beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank doch uitsluitend voor zover die betrekking heeft op de beslissing ten aanzien van de boetebeschikking,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur met betrekking tot de boetebeschikking ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur inzake de boetebeschikking,

– vernietigt de boetebeschikking, en

– gelast dat de Staat aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 302 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 466 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. A.J. Kromhout, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 15 januari 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de De voorzitter,

uitspraak te ondertekenen,

(C.E. te Brake) (M.G.J.M. van Kempen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 15 januari 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.