Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BY9416

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
24-002053-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2012:BX6418, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in vereniging met anderen gedurende meer dan een dag schuldig gemaakt aan opzettelijke vrijheidsberoving van een vrouw en haar nog zeer jonge kind. De vrouw en haar kind werden daarbij meermalen mondeling met de dood bedreigd, aldus werd de vrouw dusdanig angst aangejaagd dat zij vreesde voor haar leven en dat van haar kind. Alles afwegende zal het hof – zoals ook was opgelegd door de rechtbank en geëist door de advocaat-generaal – verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van vier jaren.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten 1
Wet op de economische delicten 6
Wet wapens en munitie 13
Wet wapens en munitie 55
Wetboek van Strafrecht 282
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-002053-12

Uitspraak d.d.: 25 januari 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 4 september 2012 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1966],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 januari 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van de feiten 1 primair, 4 en 5 tot een gevangenisstraf van vier jaren met aftrek en teruggave aan verdachte van het in beslag genomen geldbedrag van € 5.347,80. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. J.L.A.M. Le Cocq d'Armandville, naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is bij akte rechtsmiddel beperkt tot de feiten 1, 4 en 5.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover onderworpen aan hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1 primair:

hij in of omstreeks de periode van 10 april 2011 tot en met 11 april 2011, te [plaats] en/of te [plaats], in elk geval in het arrondissement Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] en/of haar kind wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, doordat hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet:

- voornoemde [slachtoffer] heeft/hebben opgezocht in haar woning en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] en/of haar kind meermalen opzettelijk heeft/hebben bedreigd met onder meer de woorden "Ik verdrink je kind in jouw bijzijn" en/of "Ik snijd jou en je kind in stukken en dump jullie", althans met woorden van gelijke dreigende aard of strekking, althans die [slachtoffer] (telkens) op intimiderende en zeer dreigende wijze heeft/hebben toegesproken en/of

- een pistool/revolver/op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft/hebben gepakt en tegen de slaap, althans het hoofd, van die [slachtoffer] heeft/hebben gezet en/of gedrukt en/of - (vervolgens) de gehele woning en/of schuur van die [slachtoffer] heeft/hebben doorzocht en/of

- die [slachtoffer] (telkens) te kennen heeft/hebben gegeven dat ze een dag de tijd kreeg om te regelen dat ze een bewijsstuk kreeg waaruit zou blijken dat een/de partij drugs, althans drie dozen met inhoud, door de politie was/waren inbeslaggenomen,

waarbij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) in die woning gedurende de nacht is/zijn gebleven teneinde te voorkomen dat die [slachtoffer] zou vluchten, waarbij die [slachtoffer] (telkens) (onder doodsbedreiging) te kennen is gegeven dat ze niemand mocht waarschuwen en/of die [slachtoffer] (vervolgens) heeft/hebben meegenomen in een personenauto en/of die personenauto gedurende enige heeft/hebben afgesloten,

en/of (althans) (op bovenomschreven wijze) een situatie voor die [slachtoffer] heeft/hebben gecreëerd waarin die [slachtoffer] zich niet kon (en/of durfde te) onttrekken aan de intimiderende en/of bedreigende invloedssfeer van verdachte(n)

en/of aldus die [slachtoffer] heeft/hebben belet zich vrijelijk te bewegen en/of vrijelijk de woning en/of die personenauto te verlaten;

1 subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 10 april 2011 tot en met 11 april 2011, te [plaats], (althans) in de gemeente [gemeente] en/of te [plaats] en/of elders in Friesland, in elk geval in het arrondissement Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, [slachtoffer] en/of haar kind heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met gijzeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend (onder meer)

- een pistool/revolver/op een vuurwapen gelijkend voorwerp gepakt en tegen de slaap, althans het hoofd, van die [slachtoffer] gezet en/of gedrukt (gehouden), in elk geval dat/die pistool/revolver/op een vuurwapen gelijkend voorwerp zichtbaar voor die [slachtoffer] aanwezig gehad en/of

- de woorden toegevoegd: "Ik verdrink je kind in jouw bijzijn" en/of "Ik snijd jouw en je kind in stukken en dump jullie en/of -zakelijk weergegeven- als ze niet de waarheid zou vertellen en/of geen papieren zou hebben ze meegenomen zou worden naar een loods en van kant zou worden gemaakt alsmede haar familie, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

4:

hij op of omstreeks 9 februari 2012, te of bij [plaats] en/of te of bij [plaats], althans in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, een wapen van categorie I, onder ten 3e, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en/of gedragen en/of vervoerd;

5:

hij op of omstreeks 9 februari 2012, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, opzettelijk een radiozendapparaat,

te weten een GSM- en UMTS- 'jammer' en 'blocker', zijnde een apparaat, bedoeld om het mobiele telefoonverkeer in GSM- en UMTS- frequentiebanden in de directe omgeving van het apparaat geheel onmogelijk te maken door het uitzenden van een (breedbandig) stoorsignaal, aanwezig heeft gehad, terwijl voor het gebruik aan de houder van dat radiozendapparaat op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft ter zitting van het hof betoogd dat er met betrekking tot feit 1 onvoldoende overtuigend bewijs is voor een veroordeling van verdachte, zodat verdachte moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn. Gelet op het feit dat [slachtoffer] als verdachte was aangemerkt voor wat betreft de in haar huis aangetroffen verdovende middelen had zij er een belang bij om zichzelf in de rol van getuige te manoeuvreren en heeft zij daarom deze – door de verdediging betwiste – verklaringen omtrent een wederrechtelijke vrijheidsberoving afgelegd, aldus de raadsman.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof stelt naar aanleiding van het dossier en het verhandelde ter zitting ten aanzien van de feiten het volgende vast. Eind maart 2011 vormt de politie een onderzoeksteam naar aanleiding van een aangifte van wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing tegen onder meer [persoon], de levenspartner en huisgenoot van aangeefster. [persoon] is voor deze feiten inmiddels onherroepelijk veroordeeld. Naar aanleiding van een aangifte destijds houdt de politie [persoon] op zaterdag 9 april 2011 aan. Ook wordt op die dag het huis van [persoon] – waar hij met zijn levenspartner [slachtoffer], aangeefster in de onderhavige strafzaak, en hun tweejarige zoon woont – doorzocht. Daarbij worden drie kartonnen dozen met 80 kilo amfetamine en vijf kilo cocaïne in beslag genomen.

Op maandag 11 april 2011 wordt de politie telefonisch benaderd door de advocaat van [persoon], mr. [raadsvrouw]. [slachtoffer] is op het kantoor van [raadsvrouw] en geeft aan dat zij de dag ervoor bezoek heeft gehad van drie mannen. Zij en haar zoon waren door deze mannen met de dood bedreigd. Dit zou te maken hebben met de drie dozen die de politie op 9 april 2011 in beslag had genomen. Zij dient deze mannen een kennisgeving van inbeslagneming te overleggen. Volgens mr. [raadsvrouw] moeten deze bedreigingen door de politie serieus worden genomen, omdat de Hells Angels uit Rotterdam achter de bedreigingen zitten. Twee verbalisanten gaan ter plaatse en treffen daar een zeer emotionele [slachtoffer]. Zij krijgt van hen een kennisgeving van inbeslagneming die door mr. [raadsvrouw] naar een collega in Amsterdam wordt gefaxt. Diezelfde dag nog legt [slachtoffer] een verklaring af omtrent de gebeurtenissen op 10 en 11 april 2011.

Uit de verklaringen van [slachtoffer], afgelegd bij de politie, valt het volgende op te maken. Zondag 10 april 2011 ontvangt [slachtoffer] een smsje. Hierin wordt gevraagd of de afzender kan langskomen. Even later krijgt zij bezoek van een Nederlands sprekende man (man 1) die informeert naar wat er op 9 april 2011 is gebeurd en waarom [persoon] gearresteerd is. Aangeefster vertelt hem wat er is gebeurd en ook dat er drie dozen met inhoud in beslag zijn genomen. Zij omschrijft deze man als ongeveer 1.90 meter lang, een breed postuur, kort zwart/iets grijzend haar, een blanke huidskleur en met een Rotterdams accent. In zijn nek een grote tatoeage van de Hells Angels, bestaande uit een adelaar en ook op zijn handen tatoeages, waaronder letters op zijn knokkels. Vervolgens komen nog twee Engelssprekende mannen bij haar huis, die door man 1 worden binnengelaten. Daarna wordt [slachtoffer] ondervraagd en moet ze de politie bellen om te vragen waar [persoon] gedetineerd zit, omdat de mannen niet geloven dat [persoon] is opgepakt en de betreffende dozen in beslag zijn genomen. Ook worden [slachtoffer] en haar zoon woordelijk bedreigd en wordt er een pistool of een revolver tegen haar slaap gezet. Het huis en de schuur worden doorzocht. Er wordt afgesproken dat [slachtoffer] de volgende dag contact op moet nemen met haar advocaat, teneinde een kennisgeving van inbeslagneming te verkrijgen. Man 1 blijft die avond en nacht bij haar, om te voorkomen dat ze vlucht. Haar schoonouders komen die avond nog even langs, maar [slachtoffer] durft hen niets te melden over de wederrechtelijke vrijheidsberoving die op dat moment gaande is, omdat haar kind boven in bed ligt. Man 1 gaat in het toestel van aangeefster de laatst gebelde nummers af, en belt zodoende naar getuige [getuige 1], vermoedelijk omdat hij dacht dat dit [persoon] zou zijn. Dit blijkt echter niet zo te zijn. De volgende dag rijden man 1 en aangeefster in de auto van aangeefster naar [plaats]. Onderweg brengen ze aangevers zoon naar haar schoonouders. In [plaats] treffen ze de twee voornoemde Engelssprekende mannen op een parkeerplaats. Aangeefster belt met mr. [raadsvrouw] voor een bewijs van de inbeslagname, maar omdat de zaak nog in een beginstadium is, is dit volgens [raaddsvrouw] nog niet mogelijk. Man 1 stapt uit en doet de deuren van de auto op slot. Aangeefster blijft achter in de auto. Nadat man 1 met de twee andere mannen heeft overlegd komt hij terug naar aangeefster. De mannen geven aan dat aangeefster de volgende dag een kennisgeving van inbeslagneming dient te overleggen. Weer wordt aangeefster woordelijk bedreigd. Aangeefster krijgt de sleutels van haar auto en de drie mannen stappen in een andere auto.

In weerwil van wat de verdediging heeft aangevoerd gaat het hof uit van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster voor zover zij hiervoor uiteen zijn gezet. Het hof stelt voorop dat het enkele feit dat aangeefster als verdachte was aangemerkt ten aanzien van de in beslag genomen verdovende middelen, nog niet betekent dat haar verklaringen omtrent de wederrechtelijke vrijheidsberoving onbetrouwbaar zouden zijn. Daarnaast overweegt het hof dat de hiervoor uiteengezette verklaring past in de context van de gebeurtenissen zoals die zich vóór en na de wederrechtelijke vrijheidsberoving hebben afgespeeld. Bovendien worden de verklaringen van aangeefster - zoals hierna uiteen wordt gezet - op essentiële punten ondersteund door andere bewijsmiddelen, waaronder ander getuigenbewijs.

In het bijzonder worden de verklaringen van [slachtoffer] ondersteund door de verklaring van [getuige 1]. Hij verklaart op zondag 10 april 2011 door een zekere [naam] te zijn gebeld met de telefoon van aangeefster. Deze [naam] geeft aan op zoek te zijn naar [persoon].

Daarnaast verklaren verschillende getuigen dat zij op 10 of 11 april 2011 een onbekende man bij aangeefster hebben gezien. Zo verklaart [getuige 2] (de schoonmoeder van aangeefster) dat zij en haar man [getuige 3] op zondagavond 10 april 2011 bij aangeefster thuis zijn geweest, waar ook een onbekende man was. De volgende ochtend heeft aangeefster haar zoon bij hen gebracht, omdat aangeefster naar de advocaat moest voor papieren. [getuige 2] zag een persoon bij aangeefster in de auto zitten. Ook [getuige 4], zijnde een buurvrouw van aangeefster, heeft aangeefster op 11 april 2011 zien wegrijden in haar auto, terwijl een onbekende getatoeëerde man achter het stuur zat.

Tegenover genoemde mr. [raadsvrouw] heeft [slachtoffer] verklaard, waarna [raadsvrouw] aangeeft dat de dreigementen richting [slachtoffer] en hun kind zeer serieus genomen moeten worden. Verbalisanten treffen aangeefster in het kantoor van mr. [raadsvrouw] in een emotionele toestand aan.

Het hof acht de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] – die ook door de rechter-commissaris is gehoord – betrouwbaar en bruikbaar voor bewijs ten aanzien van de hiervoor geschetste gang van zaken.

Na de aangifte wordt er sporenonderzoek gedaan in het huis van aangeefster. Er worden onder meer drie koffiebekers onderzocht waaronder één bruine, omdat een van de verdachten - aldus aangeefster - uit een van de koffiebekers, vermoedelijk de bruine, heeft gedronken. Op deze bruine koffiebeker blijkt het DNA en een vingerafdruk van verdachte te zitten.

Verdachte is aangehouden waarna onder meer zijn auto is doorzocht. Daarbij werd een navigatiesysteem in beslag genomen. Na onderzoek bleek dat het adres van aangeefster voorkwam op de lijst van ingevoerde bestemmingen.

Ter zitting heeft het hof geconstateerd dat verdachte past in het signalement van man 1, zoals opgegeven door aangeefster, met uitzondering van de door haar opgegeven lengte van deze verdachte. Het hof acht dit onderdeel van de beschrijving door de aangeefster verklaarbaar, waarbij het hof in aanmerking neemt dat de lengte een schatting betreft (“ongeveer 1.90 meter lang”) terwijl onmiskenbaar sprake is geweest van stressvolle omstandigheden.

Het hof stelt vast dat verdachte heeft volhard in zwijgen en - ook nadat hij daartoe door het hof is gevraagd - geen voor hem ontlastende mededelingen heeft gedaan voor het feit dat zijn DNA en zijn vingerafdruk zijn aangetroffen op een koffiebeker op de plaats delict, een koffiebeker waarvan aangeefster heeft verklaard dat een van haar ontvoerders daaruit heeft gedronken. Het hof vindt in het strafdossier geen aanleiding enig ander scenario te veronderstellen dan dat het verdachte is geweest die de mok heeft gebruikt en aldus sporen heeft achtergelaten.

Op grond van al het voorgaande acht het hof de verklaringen van aangeefster zoals hiervoor uiteen gezet betrouwbaar en bruikbaar voor bewijs. Uit die verklaringen volgt dat er sprake is geweest van een wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving zoals ten laste gelegd onder 1. Het hof verwerpt het verweer.

Het hof acht – in tegenstelling tot de advocaat-generaal en de rechtbank – ook de bedreiging met een pistool, revolver dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp wettig en overtuigend bewezen. Aangeefster heeft bij de politie meermalen verklaard dat zij met een pistool of een revolver is bedreigd. Hoewel zij bij de rechter-commissaris op dit punt op haar verklaring is teruggekomen acht het hof haar verklaringen bij de politie op dit punt gedetailleerd en betrouwbaar, reeds omdat haar verklaringen op dit punt worden ondersteund door verschillende de auditu verklaringen. Zo heeft aangeefster aan haar vriendin [vriendin] en aan haar buurvrouw [getuige 4] - kort na 11 april 2011 - verklaard dat zij de door de mannen onder schot is gehouden. Gelet op de inhoud van een aantal tapgesprekken waaruit blijkt dat [persoon] en zijn vader, maar ook [slachtoffer] zelf niet gelukkig zijn met het feit dat [slachtoffer] aangifte heeft gedaan, acht het hof het aannemelijk dat aangeefster haar verklaring nadien heeft afgezwakt. Het hof ziet de telefonische opmerking van aangeefster dat zij bij de rechter-commissaris wat dingetjes ‘in het positieve’ heeft veranderd dan ook in het licht van dit laatste.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 primair:

hij in de periode van 10 april 2011 tot en met 11 april 2011, te [plaats] en te [plaats], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] en haar kind wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, doordat hij, verdachte, en zijn mededaders met dat opzet:

- voornoemde [slachtoffer] hebben opgezocht in haar woning en

- vervolgens die [slachtoffer] en haar kind meermalen opzettelijk hebben bedreigd met de woorden "Ik verdrink je kind in jouw bijzijn" en "Ik snijd jou en je kind in stukken en dump jullie", en

- een pistool of revolver of op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben gepakt en tegen de slaap van die [slachtoffer] hebben gezet en/of gedrukt en

- vervolgens de gehele woning en schuur van die [slachtoffer] hebben doorzocht en

- die [slachtoffer] te kennen hebben gegeven dat ze een dag de tijd kreeg om te regelen dat ze een bewijsstuk kreeg waaruit zou blijken dat de partij drugs, door de politie was inbeslaggenomen,

waarbij verdachte in die woning gedurende de nacht is gebleven teneinde te voorkomen dat die [slachtoffer] zou vluchten, waarbij die [slachtoffer] te kennen is gegeven dat ze niemand mocht waarschuwen en die [slachtoffer] vervolgens heeft meegenomen in een personenauto en die personenauto gedurende enige tijd heeft afgesloten,

en op bovenomschreven wijze een situatie voor die [slachtoffer] hebben gecreëerd waarin die [slachtoffer] zich niet kon en durfde te onttrekken aan de intimiderende en bedreigende invloedssfeer van verdachten

en aldus die [slachtoffer] hebben belet zich vrijelijk te bewegen en vrijelijk de woning en die personenauto te verlaten;

4:

hij op 9 februari 2012, bij [plaats] en bij [plaats], in de gemeente [gemeente], een wapen van categorie I, onder ten 3e, te weten een boksbeugel, voorhanden heeft gehad en gedragen.

5:

hij op 9 februari 2012, te [plaats], opzettelijk een radiozendapparaat,

te weten een GSM- en UMTS- 'jammer', zijnde een apparaat, bedoeld om het mobiele telefoonverkeer in GSM- en UMTS- frequentiebanden in de directe omgeving van het apparaat geheel onmogelijk te maken door het uitzenden van een breedbandig stoorsignaal, aanwezig heeft gehad, terwijl voor het gebruik aan de houder van dat radiozendapparaat op grond van hoofdstuk 3 van de Telecommunicatiewet geen vergunning voor het gebruik van frequentieruimte was verleend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.9 van de Telecommunicatiewet.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof onderschrijft de navolgende overwegingen van de rechtbank:

Verdachte heeft zich in vereniging met anderen gedurende meer dan een dag schuldig gemaakt aan opzettelijke vrijheidsberoving van een vrouw en haar nog zeer jonge kind. De vrouw en haar kind werden daarbij meermalen mondeling met de dood bedreigd, aldus werd de vrouw dusdanig angst aangejaagd dat zij vreesde voor haar leven en dat van haar kind. Het motief voor het handelen van verdachte en zijn mededaders was erin gelegen via de vrouw te weten te komen waar een grote partij verdovende middelen was gebleven die kort voor de vrijheidsberoving door de partner van de vrouw in hun gezamenlijke woning was opgeslagen. Zowel de vrijheidsberoving zelf als het motief daarvoor zijn te bestempelen als kenmerkend voor zeer ernstige criminaliteit. Niet alleen is het slachtoffer doodsangst aangejaagd en is haar huisrecht op grove wijze geschonden, ook de rechtsorde is door verdachtes handelen ernstig geschokt. Voorts bleek verdachte in het bezit van een verboden wapen, te weten een boksbeugel, en beschikte hij opzettelijk over een verboden radiozendapparaat waarmee mobiel telefoonverkeer kon worden verstoord.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte blijkt dat hij meermalen ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld waaronder in het verleden eenmaal voor het medeplegen van moord. Het hof stelt met de rechtbank vast dat verdachte geen enkel inzicht heeft willen verschaffen in zijn persoonlijke omstandigheden zodat het hof daarmee geen rekening kan houden. Alles afwegende zal het hof – zoals ook was opgelegd door de rechtbank en geëist door de advocaat-generaal – verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van vier jaren. Het hof acht deze straf passend en geboden.

Beslag

Ter zitting van het hof heeft de verdediging kenbaar gemaakt dat het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag reeds is teruggegeven aan verdachte. Het hof zal – op vordering van de advocaat-generaal – beslissen dat dit geldbedrag inderdaad kon worden teruggegeven aan verdachte, nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet verzet.

Ter zitting van het hof heeft verdachte afstand gedaan van de onder hem in beslag genomen jammer, zodat het hof daarover geen beslissing meer hoeft te nemen.

Afwijzing verzoek opheffen voorlopige hechtenis

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 1 en dat de voorlopige hechtenis om die reden moet worden opgeheven. Het hof is hiervoor gekomen tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. De ernstige bezwaren tegen verdachte en de gronden die tot de voorlopige hechtenis hebben geleid, bestaan nog steeds. Het hof volgt de raadsman dan ook niet in zijn verweer dat de voorlopige hechtenis moet worden opgeheven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 10.9 van de Telecommunicatiewet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, voor zover nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag van € 5.347,80.

Aldus gewezen door

mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 25 januari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.