Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BY9355

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
24-01-2013
Zaaknummer
200.076.959/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Vraag in kort geding of werkneemster, die zich contractueel bereid heeft verklaard om overgeplaatst te worden, in casu aanspraak heeft op een reiskostenvergoeding terwijl de geldende regeling niet in die situatie voortziet. Goed werkgeverschap.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0066
RAR 2013/50
Prg. 2013/77
JAR 2013/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

vestiging Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.076.959/01

(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 518588 VV EXPL 10-26)

arrest in kort geding van de eerste kamer van 22 januari 2013

in de zaak van

Ricoh Nederland B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

appellante,

in eerste aanleg gedaagde,

hierna: Ricoh,

advocaat: mr. C. Staudt-Bos, kantoorhoudend te Eindhoven

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.Th. Waterman, kantoorhoudend te Zwolle.

1. Het geding in eerste aanleg

1.1 In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis in kort geding van 28 september 2010 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Deventer (hierna: de kantonrechter).

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 25 oktober 2010,

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord.

2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, vestiging Leeuwarden.

3. De beoordeling

3.1 De feiten

Tegen de door de kantonrechter in zijn vonnis onder 1. vastgestelde feiten is geen grief gericht, en evenmin is anderszins van bezwaar daartegen gebleken. Samen met wat in hoger beroep tussen partijen als vaststaand heeft te gelden, komen die feiten op het volgende neer. - [geïntimeerde] is op 1 februari 1992 als repromedewerker in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van) Ricoh te Deventer. Laatstelijk bekleedde zij de functie Operator II gedurende 14 uur per week (op maandag en vrijdag) tegen een salaris van € 812,84 bruto per maand.

- De arbeidsovereenkomst is in 2005 aangevuld met o.a. de bepaling dat de werknemer bereid is tot regionale mobiliteit en inzetbaarheid en/of standplaatswijziging "binnen een redelijke woon- werkafstand".

- Per 1 september 2008 heeft Ricoh de standplaats van [geïntimeerde] op maandagen tijdelijk gewijzigd in Heerenveen; op de vrijdagen bleef dat Deventer. [geïntimeerde] ontving vanaf dat moment een netto vergoeding van € 159,44 per maand voor kosten van haar woon-werkverkeer. Deze situatie heeft geduurd tot 1 december 2009.

- Vanaf 1 december 2009 is de standplaats van [geïntimeerde] tijdelijk gewijzigd van Deventer in Apeldoorn, waarbij zij een reiskostenvergoeding kreeg van € 28,18 netto per maand. Hieraan kwam in maart 2010 een einde.

- Met ingang van 15 maart 2010 heeft Ricoh de standplaats van [geïntimeerde] op maandagen, voor 8 uur per week, gewijzigd in Almere. Voor de overige 6 arbeidsuren per week gold Deventer als standplaats. [geïntimeerde] ontving vanaf dat moment een netto reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer van € 56,04 per maand.

- Na de uitspraak waarvan beroep is de standplaats van [geïntimeerde] per 1 juni 2011 wederom gewijzigd. Eerst werd dat Arnhem Presikhaaf, en met ingang van 24 oktober 2011 is dat Den Bosch.

- Ricoh kent een Regelingenboek met secundaire arbeidsvoorwaarden. Daarin is, voor zover hier van belang, opgenomen dat de reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer gemaximeerd wordt op 30 kilometer enkele reis. Voorts bevat het Regelingenboek een mobiliteitsregeling, met vergoeding voor extra reiskosten en reistijd, voor werknemers die tijdelijk, maximaal 3 maanden, op een andere dan hun gebruikelijke standplaats werkzaamheden verrichten.

3.2 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

[geïntimeerde] heeft in kort geding primair gevorderd Ricoh te gebieden de overplaatsing naar Almere terzijde te stellen en haar andere werkzaamheden aan te bieden, en Ricoh te veroordelen haar vanaf 15 maart 2010 tot die tijd een reiskostenvergoeding van € 0,19 per kilometer te betalen. Subsidiair vorderde zij toepassing van de mobiliteitsregeling met een reiskostenvergoeding als ook primair gevorderd.

De kantonrechter heeft de primaire en subsidiaire vorderingen afgewezen, behoudens de vordering tot vergoeding van reiskosten a € 0,19 per kilometer, en Ricoh als grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

3.3 Bespreking van de grieven

3.3.1 Ricoh kan zich niet vinden in de toegewezen kilometervergoeding (grief I) en proceskostenveroordeling (grief II). Zij vordert vernietiging van het vonnis, alsnog integrale afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, onder veroordeling tot terugbetaling van hetgeen Ricoh op grond van het te vernietigen vonnis heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf betaling.

3.3.2 Met betrekking tot de kilometervergoeding verwijst Ricoh naar haar met de OR overeengekomen Regelingenboek d.d. 1 januari 2004, zoals herzien per 20 mei 2008.

De werkzaamheden in Heerenveen waren tijdelijk, en daarom was daarop bij aanvang de mobiliteitsregeling van toepassing. Toen deze werkzaamheden meer tijd in beslag gingen nemen dan aanvankelijk werd verwacht, is Ricoh als eenmalige geste aan [geïntimeerde] die regeling blijven hanteren tot het einde van haar werkzaamheden in Heerenveen.

In Deventer was in 2008 sprake van een aanzienlijke omzetdaling en daardoor waren daar minder werkzaamheden, terwijl er in Heerenveen grote drukte was totdat een grote klant vertrok. Daarna is [geïntimeerde] ingezet op een project in Apeldoorn, welk project in maart 2010 eindigde. Omdat in Deventer en omgeving, gezien de omzet, geen behoefte was aan de werkzaamheden van [geïntimeerde], heeft Ricoh haar overgeplaatst naar Almere, ter vervanging van dure flexkrachten aldaar, en toegestaan dat zij administratieve werkzaamheden voor Almere op vrijdag in Deventer kon verrichten. Deze overplaatsing was permanent en valt daarom niet onder de mobiliteitsregeling. [geïntimeerde] heeft nooit geklaagd over de afstand en reistijd naar Heerenveen en zowel de afstand als de reistijd naar Almere is iets korter, aldus Ricoh.

Ricoh bestrijdt de redenering waarmee de kantonrechter tot toewijzing van de reiskostenvergoeding is gekomen.

3.3.3 Het hof stelt voorop dat in deze procedure niet de vraag voorligt of de afstand tussen [woonplaats] en Almere een redelijke woon-werkafstand is zoals bedoeld in de aanvullende bepaling in de arbeidsovereenkomst. [geïntimeerde] heeft zich, na aanvankelijke protesten, ook gevoegd naar de wens van Ricoh.

In het kader van dit kort geding, dat zich niet leent voor uitvoerige instructies en bewijslevering, zal het hof veronderstellenderwijs uitgaan van de juistheid van het betoog van Ricoh dat de overplaatsing van [geïntimeerde] naar Almere heeft plaatsgevonden om niet-tijdelijke, bedrijfseconomische redenen en niet, zoals [geïntimeerde] suggereert, louter om haar weg te pesten. Anders evenwel dan Ricoh lijkt te menen, brengt de contractuele bepaling dat [geïntimeerde] bereid is tot standplaatswijziging binnen een redelijke woon- werkafstand niet automatisch mee dat, wanneer Ricoh om haar moverende redenen tot een dergelijke standplaatswijziging overgaat waardoor [geïntimeerde] extra reiskosten van enige betekenis moet maken, Ricoh aan haar verplichtingen als goed werkgever heeft voldaan.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [geïntimeerde] voor het bereiken van haar werkplek in Almere was aangewezen op gebruik van haar auto, en dat de enkele reisafstand 86,2 km bedroeg.

3.3.4 Nu deze standplaatswijziging niet bij voorbaat tijdelijk was, zoals bedoeld in de mobiliteitsregeling, bracht dit voor [geïntimeerde] mee dat zij per dag waarop zij naar Almere moest, ingevolge de gebruikelijke regeling van Ricoh 112,4 kilometer diende te rijden waarvoor zij geen vergoeding ontving. Gelet op de benzineprijzen en de omvang van het salaris van [geïntimeerde] gaat het dan om extra kosten van betekenis.

Van een goed werkgever mag in een dergelijke situatie, waarin de reden voor standplaatswijziging in zijn risicosfeer ligt, zoals bij bedrijfseconomische redenen het geval is, enig flankerend beleid worden verwacht om de nadelige gevolgen voor de werknemer in ieder geval gedurende enige tijd te verzachten. Dit geldt eens temeer nu feit van algemene bekendheid is dat op het nieuw af te leggen reistraject, in het bijzonder rondom Amersfoort, regelmatig files voorkomen waardoor ook de benodigde reistijd flink kan toenemen, zoals [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd en Ricoh niet gemotiveerd heeft betwist, terwijl die extra reistijd op geen enkele wijze wordt gecompenseerd.

Het hof betrekt in zijn overwegingen voorts dat de hoogte van de bij Ricoh gebruikelijke

kilometervergoeding van € 0,19 een tegemoetkoming is die in de regel niet de werkelijke kosten van autogebruik zal dekken.

3.3.5 Het is aan de bodemrechter om desgevorderd te bepalen wat in concreto van Ricoh als goed werkgever ten aanzien van flankerend beleid had mogen worden verwacht, nu gesteld noch gebleken is dat Ricoh een met de OR afgestemde regeling kent voor niet tijdelijke, onvrijwillige standplaatswijzigingen. Het hof acht het vooralsnog, gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, zeer waarschijnlijk dat de bodemrechter zou komen tot een tegemoetkoming in de extra reiskosten gedurende enige tijd, al dan niet met tussentijdse afbouw. Nu de tewerkstelling in Almere minder dan 15 maanden heeft geduurd, acht het hof het niet zeer waarschijnlijk dat de bodemrechter zal oordelen dat [geïntimeerde] op basis van het vonnis, waarvan beroep, teveel heeft ontvangen.

Gelet daarop kunnen de overige bezwaren van Ricoh tegen de motivering, waarmee de kantonrechter tot zijn oordeel is gekomen, onbesproken blijven. Grief I leidt niet tot vernietiging van het vonnis.

3.3.6 Aan Ricoh kan worden toegegeven dat de kantonrechter de vorderingen van

[geïntimeerde] in eerste aanleg gedeeltelijk heeft afgewezen en dat zulks dient mee te wegen in het oordeel over de proceskosten. Volgens Ricoh had [geïntimeerde] in de proceskosten moeten worden veroordeeld. Het hof acht de grief in zoverre gegrond dat de kantonrechter, nu partijen over en weer op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld, de proceskosten had dienen te compenseren. Nu de kantonrechter Ricoh slechts heeft veroordeeld tot betaling van € 400,- aan salaris van de gemachtigde, en niet tot betaling van de verschotten, is de vordering van Ricoh tot terugbetaling van hetgeen waartoe zij ten onrechte is veroordeeld tot dit bedrag in hoofdsom beperkt.

Ricoh heeft voorts wettelijke rente over dit bedrag gevorderd vanaf betaling. [geïntimeerde] heeft zich daartegen verweerd door op te merken dat Ricoh in hoger beroep niet voortvarend heeft geprocedeerd, hetgeen juist is, nu de eerst dienende dag 30 november 2010 was en Ricoh pas op 27 maart 2012 een memorie van grieven heeft genomen. Niettemin verwerpt het hof dit verweer, omdat het [geïntimeerde] vrij stond geen aanspraak te maken op betaling door Ricoh in afwachting van eventueel hoger beroep en de uitkomst daarvan.

3.3.7 Hoewel grief II gedeeltelijk gegrond is, beschouwt het hof Ricoh in de procedure in hoger beroep als de overwegend in het ongelijk te stellen partij. Daarom wordt Ricoh veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

3.4 Slotsom

3.4.1 Grief II slaagt gedeeltelijk, zodat de proceskostenveroordeling in het bestreden vonnis moet worden vernietigd.

Het hof zal de proceskosten in eerste aanleg alsnog compenseren en dat vonnis voor het overige bekrachtigen.

In hoger beroep zal het hof Ricoh als de overwegend in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

totaal verschotten (griffierecht) € 280,-, en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

1 punt x € 632,- € 632,-.

4. De beslissing in kort geding

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Deventer van 28 september 2010 voor zover Ricoh daarbij is veroordeeld in de proceskosten en, in zoverre opnieuw rechtdoend, compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg zodat iedere partij de aan eigen zijde gevallen kosten dient te dragen;

bekrachtigt dat vonnis voor het overige;

veroordeelt Ricoh in de kosten van hoger beroep, tot aan deze uitspraak vastgesteld op

€ 632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 280,- voor verschotten;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling van de € 400,- proceskosten waartoe Ricoh in eerste aanleg was veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf betaling door Ricoh tot de dag van algehele terugbetaling door [geïntimeerde];

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde veroordeling tot terugbetaling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mrs. K.E. Mollema, voorzitter, M.E.L. Fikkers en A.M. Koene en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag

22 januari 2013 in bijzijn van de griffier.