Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BY9347

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
24-01-2013
Zaaknummer
200.089.775
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:366 lid 3/7:363 BW. Opvolging overleden pachter door oudere broer. Onvoldoende waarborgen/redelijke bezwaren van de verpachter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.089.775

(zaaknummer rechtbank Alkmaar, locatie Alkmaar, 356476)

arrest van de pachtkamer van 15 januari 2013

in de zaak van

1. [appellant] en

2. [appellant],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna: [appellanten] (vrouwelijk enkelvoud),

advocaat: mr. W.M. Bijloo,

tegen:

de gezamenlijke erven van de heer [A], van wie executeur is

[B],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna: de erven,

advocaat: mr. S. de Kruijff.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 4 september 2012 hier over.

1.2 Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte uitlaten producties na tussenarrest van [appellanten].

1.3 Vervolgens heeft [appellanten] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 In eerste aanleg heeft [appellanten] in conventie ontbinding van de pachtovereenkomst en ontruiming van het gepachte gevorderd. In reconventie hebben de erven gevorderd [C] op de voet van artikel 7:366 lid 3 BW aan te wijzen als opvolgend pachter. Omdat de erven bij memorie van antwoord een aantal nieuwe stukken hadden overgelegd, die voor de beoordeling van de zaak relevant kunnen zijn, heeft het hof [appellanten] bij voormeld tussenarrest in de gelegenheid gesteld op de stukken te reageren.

2.2 [appellanten] heeft zich op het standpunt gesteld dat in het licht van artikelen 7:376 lid 1 sub a jo. 312 BW, 7:366 jo 363 en 364 BW [C] onvoldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering en dat van een bedrijfsmatige, agrarische bedrijfsvoering geen sprake is. [C], 52 jaren oud, heeft een fulltime dienstbetrekking buiten de landbouw (teeltadviseur bij Agrifirm) met een vast en goed inkomen met pensioenvoorzieningen. Niet aannemelijk is dat [C] die baan zal opgeven voor de exploitatie van 15 ha grond waarmee geen redelijk inkomen kan worden gegenereerd. Investeringen zullen niet plaatsvinden omdat [C] gelet op zijn leeftijd geen financieringen zal kunnen verkrijgen. De bedrijfsplannen van [C] zijn niet realistisch en worden daarnaast niet uitgevoerd. Ervaring met het zelfstandig exploiteren van een agrarische onderneming heeft [C] niet. Bij de plannen van [C] is inbegrepen dat een deel van het pachtareaal zal worden aangewend voor tuinbouw (pioenen en kolen voor de veiling), maar voor tuinbouw is de pachtprijs hoger. Verder beschikt [C] niet over (voldoende) opslagruimte en machines. Het komt erop neer dat [C] aan het hobbyboeren is. De stukken die de erven bij memorie van antwoord hebben overgelegd, wijzigen dat standpunt niet. Opvallend is wel dat de erven de resultaten over 2010 overleggen - dat voor akkerbouwers een zeer goed jaar was - en niet van 2011, terwijl die cijfers al lang bekend moeten zijn.

2.3 De erven betogen onder meer dat [C] bekwaam en in staat is het bedrijf van zijn broer over te nemen en dat hij dat met succes ook heeft gedaan. De bedrijfsplannen laten zien dat een rendabele exploitatie mogelijk is. Het jaar 2010 is afgesloten met een winst van

€ 26.379. Er is geïnvesteerd en in de toekomst zal verder worden geïnvesteerd. Het machinepark is voldoende en het samenwerkingsverband biedt vele voordelen. Dat [C] een serieus en goedlopend bedrijf heeft, volgt ook uit verklaringen van betrokkenen.

2.4 Het hof oordeelt als volgt. De erven hebben naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat [C] op (korte) termijn overstapt op bedrijfsmatige landbouw. [C] heeft op dit moment een volledige aanstelling bij Agrifirm waar hij naar eigen zeggen € 4.000 bruto per maand verdient en pensioen opbouwt. [C], geboren [1960], is thans 52 jaar oud, heeft een vrouw en drie kinderen. Zijn positie is daarom op relevante punten anders dan die van zijn overleden broer (geboren [1966]) die als twintiger als landbouwer is begonnen in de jaren ‘90 op 15 ha grond, geen gezin had en geen betaalde nevenfunctie. De relevante landbouwkundige ervaring van [C] dateert van lang geleden. Hij heeft na afronding van zijn studie aan de middelbare agrarische school twee jaar op een boerderij gewerkt en tijdens zijn studie als zaterdaghulp. Hij heeft enkele jaren kolen geteeld (conclusie van antwoord eerste aanleg). Als teeltbegeleider is hij in loondienst en heeft hij naar het oordeel van het hof slechts op een deelgebied van wat bedrijfsmatige landbouw vereist, ervaring opgedaan.

2.5 In de huidige tijd kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat een akkerbouwbedrijf met een (vaste) bedrijfsomvang van 15 ha levensvatbaar is. Mede op grond van wat hierna wordt overwogen, oordeelt het hof dat het bedrijf dat [C] heeft overgenomen een te kleine schaal heeft om levensvatbaar te zijn. Weliswaar hebben de erven aangevoerd dat "kleinere" bedrijven het beter hebben gedaan dan grotere, maar de omvang van die kleinere bedrijven is daarbij niet gegeven. De opmerking dat in [.....] wel meer kleine akkerbouwbedrijven bestaan, is, zonder toelichting, die ontbreekt, ook onvoldoende om een akkerbouwbedrijf van 15 ha bij voorbaat als rendabel aan te merken.

2.6 Het bedrijfsplan acht het hof niet voldoende realistisch. In het bedrijfsplan is voorzien in een meer intensieve teelt. Deze teelt brengt mee dat - volgens de voortgangsrapportage - [C] het gehele jaar, 48 uren per week, zal moeten besteden aan het bedrijf (en daarnaast zijn gezinsleden nog enkele uren per week). Dit impliceert dat [C] zijn functie bij Agri-firm met alle daaraan verbonden zekerheden volledig zal moeten afbouwen en beëindigen. Het is de vraag of dat een realistisch scenario is. Indien dat niet de bedoeling is, zal [C], zeker tijdens de pieken, arbeid moeten inhuren waarmee vooralsnog kennelijk geen rekening is gehouden aan de kostenkant. De erven hebben na betwisting daarvan voorts niet geconcretiseerd dat het samenwerkingsverband waarvan [C] deel uitmaakt de pieken voor elk van de leden geheel kan opvangen. Verder brengt de uitbreiding van het bedrijf met losse pacht mee dat relatief hoge kosten zijn verbonden aan die uitbreiding; uit de overgelegde stukken leidt het hof af dat [C] thans € 1.200 tot € 1.500 per hectare voor aardappelland betaalt.

2.7 De erven hebben niet weersproken dat, indien [C] het teeltplan (deels) wijzigt en meer pioenen en veilingkolen gaat telen, [appellanten] een hogere pachtsom zal willen en kunnen rekenen. Met een hogere pachtsom is in de plannen echter geen rekening gehouden. De erven hebben evenmin toegelicht dat [C], ondanks zijn leeftijd en late start in de landbouw, in aanmerking zou komen voor financiering door de bank die nodig zal zijn voor investeringen. Ervan uitgaande dat [C] en zijn gezin moeten leven van de opbrengsten van het bedrijf, valt niet zonder meer in te zien dat voldoende overblijft voor noodzakelijke investeringen op de langere termijn. Het hof wijst er ook nog op dat niet is weersproken dat [C] over onvoldoende opslagcapaciteit beschikt (300 ton voor aardappelen en 140 ton voor uien). Uit het bedrijfsplan is niet af te leiden dat en op welke wijze [C] hiermee rekening heeft gehouden.

2.8 Net als [appellanten] acht het hof het overgelegde jaarverslag voor het boekjaar 2010 niet maatgevend voor de levensvatbaarheid van het bedrijf. De erven hebben geen stukken overgelegd uit de periode van [A] zodat geen inzicht is verkregen in de potentie van het bedrijf en de rol daarin van het samenwerkingsverband. Het teeltplan van 2010 en ook de voorbereidingen daarvoor zijn voorts afkomstig van [A] geweest. In hoeverre het afsluitende boekjaar 2010 voor [A] en het boekjaar 2010 van [C] zoals overgelegd op elkaar aansluiten, heeft het hof niet kunnen vaststellen, zodat ook niet valt na te gaan of kosten op de juiste wijze zijn toegerekend en verrekend. Daarbij merkt het hof op dat het positieve jaarresultaat van 2010 voor een groot deel wordt verklaard door "wijziging in voorraden en werk onderweg" aan opbrengsten tot een bedrag van € 38.000, terwijl die post niet is toegelicht. De aansluiting met boekjaar 2011 wordt hier node gemist (zie ook hierna). Het hof heeft verder onvoldoende duidelijkheid verkregen over de pioenenteelt: is sprake (geweest) van onderpacht, het rooien van pioenen en het uitbreiden van pioenen? Een eenduidig standpunt hebben de erven niet ingenomen. Van het jaar 2011 ontbreken tot slot gegevens over gerealiseerde omzet, kosten en resultaten en dergelijke, terwijl de memorie van antwoord dateert van 24 april 2012. Dit klemt temeer nu van algemene bekendheid is dat het jaar 2010 voor akkerbouwers een goed jaar was en dit van 2011 zeker niet gezegd kan worden.

2.9 De omstandigheden dat [C] graag wil boeren, dat zijn collega's en afnemers volgens de overgelegde verklaringen tot nu toe tevreden zijn over zijn prestaties en de familie [erven]/[C] als betrouwbaar en hardwerkend te boek staat, leggen hiertegenover onvoldoende gewicht in de schaal.

2.10 Al met al acht het hof de gebreken in de financiële onderbouwing in samenhang met de feiten en omstandigheden zoals hiervoor opgesomd, voldoende om redelijke bezwaren aan de zijde van [appellanten] aan te nemen. In zoverre biedt [C] onvoldoende waarborgen voor een behoorlijke bedrijfsvoering, althans is onvoldoende sprake van bedrijfsmatige landbouw (artikelen 7:376 lid 1 sub a jo. 312 BW, 7:366 jo 363 en 364 BW). De vordering in conventie zal worden toegewezen en de vordering in reconventie op de voet van artikel 7:366 lid 3 BW moet alsnog worden afgewezen.

Slotsom

2.11 Het hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De vordering in conventie zal worden toegewezen, waarbij de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd, en de vordering in reconventie zal alsnog worden afgewezen. Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof de erven in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 87,93

- griffierecht € 71,00

totaal verschotten € 158,93, en

voor salaris advocaat € 500,00

De kosten voor de procedure in hoger beroep zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 94,31

- griffierecht € 284,00

totaal verschotten € 378,31, en

voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief:

2,5 punten x tarief II € 2.235,00.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer van de rechtbank Alkmaar, sector kanton, locatie Alkmaar, van 25 mei 2011 en doet opnieuw recht:

in conventie

ontbindt de op 20/16 februari 1990 gesloten pachtovereenkomst tussen oorspronkelijk [D] en thans de erven als pachter en [appellanten] als verpachter met betrekking tot de percelen gemeente [.....];

veroordeelt de erven om het gepachte binnen twee maanden na heden te ontruimen en ontruimd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000 per dag met een maximum van € 50.000;

in reconventie

wijst de vorderingen alsnog af;

veroordeelt de erven in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellanten] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 158,93 voor verschotten en op € 500 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 378,31 voor verschotten en op € 2.235 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, Th.C.M. Willemse en F.J.P. Lock en de deskundige leden L.L.M. de Lorijn en ir. H.B.M. Duenk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2013.