Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BY9332

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
24-01-2013
Zaaknummer
200.072.025/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Premievrij pensioen afgesproken in arbeidsovereenkomst. Levert de Wet VPZ en een andersluidende regeling in de CAO een geldige reden op voor de werkgever om toch pensioenpremies op de werkneemster te verhalen?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0067
PJ 2013/93
JAR 2013/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

vestiging Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.072.025/01

(zaaknummers rechtbank Groningen 413362 CV EXPL 09-10414)

arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken van 22 januari 2013

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal en geïntimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. F.A.A.C. Traa, kantoorhoudende te Utrecht,

die ook heeft gepleit,

tegen:

[geïntimeerde],

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde in het principaal en appellante in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.H. Hommel, kantoorhoudende te Zoetermeer,

die ook heeft gepleit.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 16 december 2009 en 12 mei 2010 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 22 juli 2010 is door [appellante] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 7 september 2010.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij producties zijn overgelegd, luidt:

"de vonnissen van de rechtbank te Groningen, Sector Kanton, Locatie Groningen, gewezen op van

16 december 2009 en 12 mei 2010, tussen appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerde te veroordelen tot betaling aan appellante van:

1. een bedrag van € 10.756,92 bruto wegens achterstalling loon over de jaren 2006 tot en met 2010;

2. de wettelijke verhoging ex artikel 7:285 BW ter hoogte van 50% het sub 1 gevorderde bedrag

3. de wettelijke rente over de sub 1 en 2 gevorderde bedragen vanaf het moment van opeisbaar worden van de vorderingen tot aan de dag der algehele voldoening;

4. de kosten van deze procedure in beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in het principaal appel, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden de vonnissen van de Rechtbank Groningen, Sector Kanton, Locatie Groningen d.d. 16 december 2009 en d.d. 12 mei 2010 (zaaknummer 413362 / CV EXPL 09-10414) te bevestigen, alsmede in incidenteel appel de vonnissen van Rechtbank Groningen, Sector Kanton, Locatie Groningen d.d. 16 december 2009 en d.d. 12 mei 2010 (rolnummer 413362 / CV EXPL 09-10414) te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [appellante] af te wijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest tot aan de dag der algehele voldoening."

Door [appellante] is in het incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het beroep van [geïntimeerde] tegen de vonnissen van de rechtbank Groningen, Sector Kanton, Locatie Groningen, gewezen op 16 december 2009 en 12 mei 2010 onder zaak/rolnummer 413362 CV EXPL 09-10414 tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde af te wijzen en bij arrest voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de kosten in het geding in het incidentele beroep."

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Vervolgens is arrest bepaald op het pleitdossier.

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaken uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, vestiging Leeuwarden.

De grieven

[appellante] heeft in het principaal appel vijf grieven opgeworpen.

[geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel eveneens vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ten aanzien van de feiten

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.7) van het tussenvonnis van 16 december 2009 zijn geen grieven voorgedragen. Ook het hof zal van die feiten uitgaan en deze hierna herhalen, aangevuld met enige feiten die in hoger beroep tevens als vaststaand hebben te gelden.

1.1. [appellante], geboren op 23 maart 1963, is sinds 20 mei 1986 bij [geïntimeerde] in loondienst.

1.2. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Zeilmakerijen, Dekkledenvervaardiging, Scheepstuigerijen en de Scheepsbenodigdhedenhandel (hierna: de CAO) van toepassing verklaard.

1.3. Artikel 8 van de arbeidsovereenkomst bepaalt:

"Werknemer wordt bij het bereiken van de 25-jarige leeftijd opgenomen in het pensioenfonds Nationale Nederlanden, waarvan de premie voor rekening van werkgever komt".

Overeenkomstig deze bepaling is [appellante] vanaf haar 25ste gaan deelnemen in de pensioenregeling die was ondergebracht bij Nationale Nederlanden onder polisnummer [polisnummer]. De volledige premie van die regeling werd betaald door [geïntimeerde].

1.4. Vanaf het moment dat [appellante] premieplichtig werd voor de VUT is op haar salaris een component VUT-premies ingehouden. Per 1 januari 2006 is de VUT omgezet in vroegpensioen. Ook voor het vroegpensioen werd een bedrag bij [appellante] in rekening gebracht, in 1999 aanvankelijk een bedrag van hfl 92,24 per maand. Deze bijdragen heeft [appellante] immer zonder protest voldaan.

1.5. Tot en met 2005 werden onder de Nationale Nederlanden-polis de volgende componenten opgebouwd: oudedagspensioen, nabestaandenpensioen, wezenpensioen en vroegpensioen.

Per ultimo 2006 had [appellante] de volgende pensioenaanspraken op Nationale Nederlanden, in bedragen per jaar:

- een levenslang ouderdomspension € 3.169,10

- een levenslang partnerpensioen € 2.218,38

- een tijdelijk vroegpensioen € 4.927,94

1.6. Per 1 januari 2006 zijn de premies ouderdomspensioen en vroegpensioen samengevoegd tot één premie ouderdomspensioen en zijn de bij Nationale Nederlanden door [appellante] opgebouwde pensioenrechten overdragen aan het Pensioenfonds Metaal en Techniek. De door [appellante] opgebouwde aanspraken voor het tijdelijk vroegpensioen zijn daarbij toegevoegd aan het (levenslang) ouderdomspensioen, in die zin dat dit bedrag is verhoogd met € 1.871,91 tot € 5.040,91 (op 1 januari 2006). Dit ouderdomspensioen komt in beginsel tot uitkering vanaf het bereiken van het 65ste levensjaar, doch het opgebouwde pensioenvermogen kan op verzoek ook vanaf het 60ste levensjaar tot uitkering komen waarbij het jaarbedrag dan wel actuarieel herberekend (verlaagd) wordt.

1.7. Tussen 1 april 2005 en 1 april 2007 luidde artikel 22, tweede lid, van de CAO als volgt:

"De werkgever is, behoudens in de in het pensioenreglement genoemde gevallen, verplicht om op het loon/salaris van de werknemers van 25 t/m 64 jaar wekelijks/maandelijks een bedrag in te houden

a. ter hoogte van de helft van het bedrag aan pensioenpremie, dat volgt uit toepassing van het betrekkelijke pensioenreglement van het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Technische bedrijfstakken.

b. ter hoogte van 3,75% ten behoeve van het vroegpensioen".

1.8. Tussen 1 april 2007 en 1 april 2009 luidde artikel 22, tweede en derde lid, van de CAO als volgt:

"2. De werkgever is, behoudens in de in het pensioenreglement genoemde gevallen, verplicht om op het loon/salaris van de werknemers van 18 t/m 64 jaar wekelijks/maandelijks een bedrag in te houden ter hoogte van de helft van het bedrag aan vervroegd ouderdomspensioenpremie, dat volgt uit toepassing van het betrekkelijke pensioensreglement van het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Technische bedrijfstakken.

3. Voor de bedrijven die reeds een eigen bedrijfspensioenfonds hebben, dienen de voorwaarden minimaal gelijk te zijn aan die van het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Technische bedrijfstakken. Overeenkomstig het bepaalde in lid 2 van dit artikel dient de werkgever op het inkomen van zijn werknemers van 18 t/m 64 jaar wekelijks, resp. maandelijks, een pensioenpremie in te houden van dezelfde grootte als bedoeld in lid 2."

1.9. [geïntimeerde] heeft met ingang van 1 januari 2006 de helft van de verschuldigde ouderdomspensioenpremie ingehouden op het loon van [appellante]. [appellante] heeft daartegen geprotesteerd.

De beslissing in eerste aanleg

2. [appellante] heeft, stellende dat de in de arbeidsovereenkomst neergelegde afspraak over een voor haar premievrij pensioen ongewijzigd van kracht is gebleven, betaling van de ten onrechte ingehouden premie op haar loon gevorderd, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente, een en ander nader op te maken bij staat.

2.1. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de CAO een minimumregeling bevat voor de verdeling van de pensioenpremie, waarvan bij arbeidsovereenkomst ten gunste van de werknemer mag worden afgeweken. De kantonrechter heeft vervolgens [appellante] opgedragen het bedrag van haar vordering nader te specificeren. In zijn eindvonnis heeft de kantonrechter - nadat [appellante] op 7 april 2010 een enigszins onduidelijke akte had genomen - de vordering van [appellante] in hoofdsom gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 3.977,12, te vermeerderen met een tot 15% gematigde wettelijke verhoging en te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf de vervaldata tot de dag waarop het bedrag volledig zal zijn betaald.

Korte aanduiding van de grieven

3. Grief 1 in principaal appel richt zich tegen de, ook aan de gemachtigde van appellante in eerste aanleg te wijten, overweging van de kantonrechter dat de premie vroegpensioen door de stelselwijziging samen met de premie ouderdomspensioen is opgegaan in één premie, de vervoegde ouderdomspensioenpremie. Grief 2 en 3 bouwen hierop voort en hebben betrekking op de premie voor het vroegpensioen.

Grief 4 ziet op de akte van 7 april 2010. In de toelichting op deze grief betoogt [appellante] dat het niet haar bedoeling is geweest om een deel van de pensioenpremie die na 1 januari 2006 is ingehouden voor haar rekening te nemen. In grief 5 betoogt [appellante] dat het juiste bedrag van haar vordering € 10.756,92 bruto bedraagt en dat de kantonrechter ten onrechte de wettelijke verhoging heeft gematigd tot 15%.

4. In incidenteel appel, in grief I, betoogt [geïntimeerde] dat de afspraak in de arbeidsovereenkomst over de pensioenpremie na 1 januari 2006 terzijde is gesteld door de wetswijziging van het pensioenstelsel. Als gevolg van deze wetswijziging was [geïntimeerde] verplicht de helft van het totaal te betalen premie in te houden op het loon van [appellante]. De CAO heeft op het punt van de pensioenpremies geen minimumkarakter. Van de daarin opgenomen verdeling van de pensioenpremies mag niet worden afgeweken. Ten slotte betoogt [geïntimeerde] in deze grief dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar is dat [geïntimeerde] alsnog tot betaling van ingehouden pensioenpremies zou moeten worden verplicht omdat de pensioenafspraken in de CAO zijn goedgekeurd door werkgevers- en werknemersorganisaties, wat voor [geïntimeerde] een zwaarwichtig belang oplevert vóór inhouding, waarvoor het belang van [appellante] dient te wijken. De grieven II en IV in incidenteel appel bouwen op de eerste grief voort.

Grief III keert zich tegen de beslissing van de kantonrechter om [appellante] op te dragen haar vordering te specificeren. Grief V in incidenteel appel, ten slotte, keert zich tegen het dictum en ontbeert zelfstandige betekenis.

Ten aanzien van de vermeerdering van eis

5. [geïntimeerde] heeft naar aanleiding van de eiswijziging, vervat onder grief 4 in principaal appel, aangevoerd dat het fundamenteel wijzigen van een eerder ingenomen standpunt ongeloofwaardig overkomt en in strijd met het grievenstelsel is.

5.1. Het hof verwerpt dit bezwaar zijdens [geïntimeerde]. Het hoger beroep dient ook toe om eigen fouten te herstellen en de eiswijziging is op het juiste moment gedaan. Dat [geïntimeerde] daardoor in haar verdedigingsbelang is geschaad is niet gebleken, evenmin van enige andere strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal dan ook rechtdoen op de gewijzigde eis.

De beoordeling van de grieven

6. In deze zaak staat centraal of de tussen partijen, in de arbeidsovereenkomst, gemaakte afspraak over een premievrijpensioen is gewijzigd als gevolg van de inwerkingtreding van de pensioenstelselherziening in 2006 (de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling, Stb 2005, 115, verder: de wet VPL). De wet VPL maakte een einde aan het fiscale faciliteren van de VUT, het prepensioen en het tijdelijke overbruggingspensioen. Premies daarvoor zijn ingevolge deze wet niet langer aftrekbaar van het bruto-inkomen en werkgevers zijn over hun bijdrage aan een dergelijke regeling een eindheffing van aanvankelijk 26, later 52% verschuldigd, een en ander behoudens een overgangsregeling voor werknemers geboren vóór 1 januari 1950. Deze overgangsregeling mist in dit geval toepassing, omdat [appellante] in 1963, dus ruim na 1950 is geboren.

7. Het hof stelt vast dat artikel 8 van de arbeidsovereenkomst betrekking heeft op het ouderdomspensioen, alsmede op het nabestaandenpensioen (partner en wezen), waarbij het ouderdomspensioen in zou gaan bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

8. Partijen zijn er steeds van uitgegaan dat artikel 8 van de arbeidsovereenkomst geen betrekkin had op de VUT-regeling noch op het in plaats van de VUT op 1 januari 2006 ingevoerde vroegpensioen. Daarvoor is immers altijd een bedrag op het loon van [appellante] ingehouden.

9. Ten gevolge van de inwerkingtreding van de Wet VPL is aan de opbouw van dat vroegpensioen een einde gekomen terwijl het reeds opgebouwde vroegpensioen is toegevoegd aan het ouderdomspensioen van [appellante].

[geïntimeerde] heeft geen artikel in de Wet VPL - of in de wetten die bij die wet zijn gewijzigd, zoals de Wet op de loonbelasting 1964 - aangeduid dat bepaalt dat een afspraak als vervat in artikel 8 van de arbeidsovereenkomst niet langer is toegestaan. Het hof heeft een dergelijke bepaling ook niet aangetroffen en verwerpt het standpunt van [geïntimeerde] dat artikel 8 van de arbeidsovereenkomst vanaf 1 januari 2006 in strijd zou zijn met de Wet VPL.

10. Het hof volgt [geïntimeerde] voorts niet in haar stelling dat het pensioen dat [appellante] opbouwt ná 1 januari 2006 (deels) nog steeds kan worden aangemerkt als een soort vroegpensioen. Uit de door [appellante] overgelegde brief van het Pensioenfonds Metaal en Techniek d.d. 26 februari 2008 (waarvan de inhoud hiervoor onder 1.6 is samengevat) blijkt afdoende dat [appellante] vanaf 1 januari 2006 uitsluitend een ouderdomspensioen opbouwt. De mogelijkheid om dat ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan (waarbij het jaarbedrag uiteraard aanzienlijk wordt verlaagd omdat enerzijds een aantal opbouwjaren worden gemist en anderzijds opbouwde pensioenkapitaal over een lagere periode wordt opgesoupeerd) maakt nog niet dat het ouderdomspensioen daarmee ook het karakter van een tijdelijk vroegpensioen heeft behouden dan wel verkregen.

11. Zowel de CAO die gold voor 1 januari 2006 als de CAO's die nadien golden bevatten een (in beide gevallen niet algemeen verbindend verklaarde) bepaling dat de werkgever een gedeelte (de helft) van de pensioenpremie op het loon van de werknemer verhaalt. [geïntimeerde] heeft betoogd dat deze CAO-regel voorgaat op de regeling in de arbeidsovereenkomst.

12. Vast staat dat [geïntimeerde], als lid van de CAO-sluitende werkgeversvereniging, aan de CAO is gebonden en onder de werkingssfeer van de CAO valt, terwijl ook de arbeidsovereenkomst van [appellante] onder de werking van de CAO valt, gelet op de in de CAO neergelegde definitiebepalingen. De verwijzing in de arbeidsovereenkomst van [appellante] naar de CAO onderstreept dit slechts. Voorts is ook [appellante] aangesloten bij één van de vakbonden die partij bij de CAO is. [geïntimeerde] kan zich dan ook in zoverre in beginsel met recht op artikel 12 van de Wet CAO beroepen, dat bepaalt dat elk beding dat tussen werkgever en werknemer is gesloten en dat in strijd is met een CAO waaraan zij beiden gebonden zijn, nietig is en dat in plaats daarvan de bepalingen van de CAO gelden.

13. Daarbij geldt evenwel dat gunstiger bedingen voor de werknemer in de arbeidsovereenkomst zijn toegestaan, tenzij de CAO dat uitsluit doordat de CAO standaard- dan wel maximumbepalingen bevat (vgl. HR 8 april 2011, LJN BP0580). Het hof dient derhalve vast te stellen of artikel 22, tweede en derde lid, van de CAO (2007-2009) het karakter van een standaardbepaling dan wel een maximumbepaling heeft.

Het hof oordeelt dat daarvan geen sprake is. Artikel 2 van de CAO, getiteld verplichtingen, vijfde lid, tweede volzin, luidt als volgt:

"De werkgever kan in voor werknemers positieve zin van bepalingen van deze overeenkomst afwijken."

Het hof leidt daaruit af dat de CAO een zogenaamd minimumkarakter heeft, wat inhoudt dat afwijkingen van hetgeen in de CAO is bepaald ten gunste van de werknemer, wel zijn toegestaan.

Anders dan [geïntimeerde] meent, oordeelt het hof dan ook dat artikel 8 van de arbeidsovereenkomst niet door nietigheid wordt getroffen wegens strijd met de CAO, nu artikel 8 van de arbeidsovereenkomst een voor [appellante] gunstiger (namelijk een premievrij ouderdomspensioen) bevat dan de regeling van de CAO, volgens welke zij voor 50% aan de pensioenpremie zou moeten bijdragen.

14. Voor zover [geïntimeerde] heeft beoogd te stellen dat [appellante] in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door vast te houden aan artikel 8 van de arbeidsovereenkomst, oordeelt het hof dat [geïntimeerde] geenszins heeft aangetoond dat [appellante]s opstelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moet worden bestempeld. Dat [appellante] vasthoudt aan een voor haar gunstiger regeling dan in CAO-verband is afgesproken, is daartoe ten enenmale onvoldoende nu de CAO een minimumkarakter heeft. Een vordering tot aanpassing van de arbeidsovereenkomst van [appellante] ligt niet voor, zodat het hof niet behoeft in te gaan op de daartegen gerichte verweren zijdens [appellante], die overigens terecht heeft opgemerkt dat de arbeidsovereenkomst geen eenzijdig wijzigingsbeding bevat als bedoeld in artikel 7:613 BW.

15. Uit het voorgaande volgt dat de grieven I, II en IV in het incidenteel appel geen doel treffen.

16. Grief III in incidenteel appel kan evenmin tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep leiden reeds omdat het hof recht doet op de gewijzigde eis. Voorts is het vaste jurisprudentie dat de rechter niet aan een vordering betreffende schadevergoeding nader op te maken bij staat is gebonden en de eisende partij mag verzoeken haar vordering nader te specificeren. De vraag of de vordering van [appellante] nu een vordering tot nakoming van de arbeidsovereenkomst is en daarmee geen schadevordering (zodat de schadestaat nimmer open heeft gestaan) dan wel een vordering tot schadevergoeding omdat [geïntimeerde] in strijd met de arbeidsovereenkomst heeft gehandeld, is na de eiswijziging nog slechts van academisch belang. Ook als voor de eerste mogelijkheid wordt gekozen, komt het het hof niet juist voor dat de kantonrechter dan niet een specificatie zou mogen gelasten en gehouden zou zijn om de vordering integraal af te wijzen, nu zulks slechts opgevat kan worden als een aansporing om dan maar in hoger beroep te gaan om de vordering aan te passen. Dit kan niet als een efficiënte wijze van geschilbeslechting worden aangemerkt.

17. Aangezien grief V in incidenteel appel zelfstandig belang ontbeert, treft het incidentele appel geen doel.

18. De grieven 1 1ot en met 3 in principaal appel betreffende de aard van het aan [appellante] toegekende pensioen zijn in het voorgaande reeds besproken. Ofschoon terecht voorgedragen, leiden zij niet tot vernietiging van het eindvonnis. Dat doen wel de grieven 4 en 5 die betrekking hebben op concrete bedragen. De berekening die [appellante] daarin maakt is door [geïntimeerde] inhoudelijk niet bestreden, behoudens dat zij aanvoert dat het niet geloofwaardig zou zijn. In dat laatste kan het hof [geïntimeerde] niet volgen. [appellante] heeft voldoende inzichtelijk gemaakt hoe haar vordering is berekend. Het hof zal dan ook verder van het door [appellante] berekende bedrag aan ten onrechte ingehouden premies uitgaan. Dit bedrag acht het hof toewijsbaar.

19. Wel zal het hof de wettelijke verhoging, evenals de kantonrechter, matigen. Zulks enerzijds gelet op de eigen inconsistente proceshouding van [appellante] terwijl het hof voorts afdoende is gebleken dat de directie van [geïntimeerde] oprecht meent dat zij juist heeft gehandeld bij dit pensioenconflict. Het hof acht onder deze omstandigheden een percentage van 10 aan wettelijke verhoging het meest rechtdoen aan de beide procesposities.

Derhalve slaagt grief 4, terwijl grief 5 in principaal appel slechts ten dele slaagt.

De slotsom

20. Het slagen van de grieven in principaal appel heeft tot gevolg dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] zal veroordelen om aan [appellante] te betalen de somma van € 10.756,92 (bruto) wegens achterstallig loon over de jaren 2006 tot en met 2010, te vermeerderen met een tot 10% gematigde wettelijke verhoging over evengenoemd bedrag, alsmede met de wettelijke rente over het achterstallig loon, steeds te berekenen vanaf het moment waarop het bedrag van de ten onrechte gedane inhouding had moeten worden betaald, en, voor wat betreft de wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2011.

Het hof zal de vorderingen voor het overige afwijzen.

Als overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van het appel veroordelen, voor wat het geliquideerde salaris voor de advocaat betreft te begroten op 3 punten naar tarief II in principaal appel en 0,5 punt naar tarief I in incidenteel appel. Het hof zal de proceskostenveroordeling in eerste aanleg in stand laten.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de vonnissen waarvan beroep, behoudens de daarin opgenomen proceskostenveroordeling die wordt bekrachtigd,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 10.756,92 bruto, te vermeerderen met 10% van dat bedrag als wettelijke verhoging, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de in genoemd bedrag vervatte achterstallige loonbedragen steeds vanaf het moment waarop dat bedrag opeisbaar werd tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag aan wettelijke verhoging te berekenen vanaf 1 januari 2011 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het principaal appel, te begroten op €354,50 aan verschotten en € 2.682,00 aan geliquideerd salaris voor de advocaat en in incidenteel appel op nihil aan verschotten en € 447,- aan salaris.

Aldus gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, M.E.L. Fikkers en M.C.D. Boon-Niks, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 22 januari 2013 in bijzijn van de griffier.