Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BY8889

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
200.096.217
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BR4777, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot het verstrekken van een onherroepelijke bankgarantie van € 250.000,- ter zake van het door geïntimeerde aan appellante toegekende stamrecht is toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.096.217

(zaaknummer rechtbank 207481)

arrest van de derde kamer van 15 januari 2013

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats] (België),

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: aanvankelijk mr. P. Wessing,

thans mr. A. van Oosten,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde],

gevestigd te Arnhem,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.C. van Campen.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van

19 januari 2011 en 3 augustus 2011 die de rechtbank Arnhem tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde heeft gewezen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 10 oktober 2011 [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 3 augustus 2011 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de door [appellante] in eerste instantie ingestelde vordering integraal zal toewijzen, subsidiair de vordering zal bepalen op een zodanig bedrag als het hof juist acht, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd en heeft zij bewijs aangeboden en zeven nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, zo nodig onder aanvulling of verbetering van gronden, en [appellante] zal veroordelen in de kosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep, met uitvoerbaar bij voorraadverklaring wat de proceskostenveroordeling betreft.

2.4 Daarna heeft [appellante] een akte na antwoord genomen, waarbij zij een nieuwe productie in het geding heeft gebracht. Hierop heeft [geïntimeerde] bij antwoordakte gereageerd.

2.5 Ter zitting van 21 december 2013 hebben de partijen de zaak doen bepleiten, [appellante] door mr. A. van Oosten, advocaat te Elst (gemeente Overbetuwe), en [geïntimeerde] door mr. A.C. van Campen en mr. J. Sgroot, beiden advocaat te Uden. Beide partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht, [appellante] met een daaraan gehechte, deels nieuwe productie.

Na een korte leespauze heeft mr. Sgroot verklaard geen bezwaar te hebben tegen het in het geding brengen van die productie, waarna het hof aan mr. Van Oosten daarvan akte heeft verleend. Mr. Sgroot heeft verder verklaard dat ook [geïntimeerde] nog een productie in het geding wenst te brengen.

Mr. Van Oosten heeft na een korte leespauze verklaard tegen het in het geding brengen van die productie geen bezwaar te hebben, waarna het hof aan mr. Sgroot daarvan akte heeft verleend.

2.6 Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op de procesdossiers van beide partijen. Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze vóór 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem.

3. De vaststaande feiten

3.1 [appellante] is op [datum] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [Y] (verder: [Y]), thans statutair directeur en enig aandeelhouder van [geïntimeerde].

3.2 [appellante] en [Y] waren vennoten van een vennootschap onder firma (verder:

de vof). Per 1 april 1987 heeft [appellante] haar aandeel in de vof, dat gewaardeerd is op

fl. 154.477,-, overgedragen aan [geïntimeerde]. Dit bedrag is vervolgens bestemd als voorziening voor lijfrentes die [appellante] zal ontvangen op grond van een stamrecht- overeenkomst.

3.3 [geïntimeerde] heeft zich bij deze stamrechtovereenkomst van september 1987 verbonden om met ingang van 1 juli 2019 aan [appellante] een jaarlijkse lijfrente van

fl. 72.145,- uit te keren. Ten behoeve van [Y] is eveneens een stamrecht gevestigd, inhoudende dat hij met ingang van 1 oktober 2014 jaarlijks een lijfrente van fl. 69.100,-

van [geïntimeerde] zal ontvangen.

3.4 Artikel 8 van de stamrechtovereenkomst luidt:

“De gerechtigden tot de in deze akte bedongen lijfrente zijn bevoegd van de B.V. te vorderen, dat deze op eerste aanvrage en te hunner genoegen, persoonlijke of zakelijke zekerheid stelt voor de nakoming harer verplichtingen uit deze overeenkomst.”

3.5 In 2004 zijn [appellante] en [Y] van echt gescheiden. Bij het echtscheidingsconvenant zijn de gevestigde stamrechten toegedeeld aan diegene op wiens naam ze zijn gesteld.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In eerste aanleg heeft [appellante] gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot nakoming van hetgeen is bepaald in artikel 8 van de stamrechtovereenkomst en om nadere zekerheid te stellen in de vorm van een onherroepelijke bankgarantie van € 250.000,- ter zake van het aan [appellante] toegekende stamrecht, zulks op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding. De rechtbank heeft de vordering van [appellante] afgewezen. In hoger beroep heeft [appellante] aan haar primaire vordering tot integrale toewijzing van haar in eerste aanleg ingestelde vordering de in rechtsoverweging 2.2 weergegeven subsidiaire vordering toegevoegd. Daarmee is kennelijk beoogd aan te geven, dat [appellante] subsidiair bereid is genoegen te nemen met een garantie tot een lager bedrag dan het primair gevorderde.

4.2 Het hof zal de grieven, die zijn gericht tegen de honorering door de rechtbank van de subsidiaire verweren van [geïntimeerde] - kort gezegd, omdat de rechtbank de aan deze verweren ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden als onweersproken heeft moeten aannemen - gezamenlijk behandelen. Om proceseconomische redenen zal het hof echter eerst ingaan op de primaire verweren van [geïntimeerde] die door de rechtbank zijn verworpen, maar door [geïntimeerde] in hoger beroep zijn gehandhaafd.

4.3 Tussen de partijen is niet in geschil dat in artikel 8 van de stamrechtovereenkomst is bepaald dat de gerechtigden tot de in die akte bedongen lijfrenten - [appellante] en [Y] - bevoegd zijn van [geïntimeerde] te vorderen dat zij persoonlijke of zakelijke zekerheid stelt voor de nakoming van haar verplichtingen uit de stamrechtovereenkomst.

4.4 [geïntimeerde] heeft primair een beroep op rechtsverwerking gedaan, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.1 van het vonnis van 3 augustus 2011, en betoogd dat zij erop mocht vertrouwen dat [appellante] afstand had gedaan van haar aanspraak op zekerheidsstelling. Het hof overweegt het volgende.

4.5 Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Ingevolge artikel 6:160 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gaat een verbintenis teniet door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand doet. Daarbij geldt ingevolge lid 2 van dat artikel een door de schuldeiser tot de schuldenaar gericht aanbod tot afstand om niet als aanvaard, wanneer de schuldenaar van het aanbod heeft kennisgenomen en het niet onverwijld heeft afgewezen.

4.6 Bijzondere omstandigheden, als gevolg waarvan bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [appellante] haar aanspraak tot zekerheidsstelling door [geïntimeerde] niet meer geldend zou maken, zijn niet gesteld of gebleken. Naar het oordeel van het hof kan de door [geïntimeerde] gestelde uitlating van [appellante] bij de notaris op 29 maart 2004 in redelijkheid niet bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat [appellante] ook in de toekomst haar aanspraak op zekerheidsstelling door [geïntimeerde] nooit meer geldend zou maken noch in redelijkheid worden opgevat als een (kennelijk door [geïntimeerde] aanvaard) aanbod tot afstand van een vorderingsrecht als bedoeld in artikel 6:160 BW. Het door [geïntimeerde] gestelde feit dat [appellante] in 2004 kennelijk geen noodzaak zag tot een zekerheidsstelling, verhindert niet dat zij nadien wel aanspraak kon maken op nakoming door [geïntimeerde] van deze in de tijd niet beperkte verplichting tot zekerheidsstelling.

4.7 [geïntimeerde] heeft ook nog gesteld dat zij in haar positie onredelijk zou worden benadeeld in geval [appellante] haar aanspraak alsnog geldend zou maken. De daarvoor vereiste bijzondere omstandigheden zijn echter gesteld noch gebleken. [geïntimeerde] heeft weliswaar betoogd dat zij in haar beleidsvoering geen rekening heeft gehouden met het moeten verstrekken van enige vorm van zekerheid, maar heeft dit betoog niet nader toegelicht, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Verder heeft zij betoogd dat het verstrekken van een bankgarantie haar continuïteit zal schaden en haar investeringsmogelijkheden zal belemmeren, maar dit zijn omstandigheden waarmee zij reeds rekening diende te houden toen zij de verplichting tot zekerheidsstelling op zich nam. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de gerechtigden als bedoeld in artikel 8 van de stamrechtovereenkomst bevoegd zijn zekerheidsstelling te vorderen “te hunner genoegen”, zodat in beginsel desgewenst aanspraak kan worden gemaakt op het verstrekken van een bankgarantie, welke vorm van zekerheidsstelling ook niet ongebruikelijk is.

4.8 Het verweer van [geïntimeerde] dat de aanspraak van [appellante] op zekerheidsstelling in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in verband met het lange stilzitten van [appellante] en de gestelde uitlating tegenover de notaris op 29 maart 2004, gaat niet op. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor onder 4.6 en 4.7 is overwogen.

4.9 [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat de aanspraak van [appellante] in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in verband met de aard en hoogte van de verlangde zekerheidsstelling, en misbruik van recht oplevert. Wat de hoogte betreft heeft [Y] ter comparitie in eerste aanleg verklaard dat de stand van de stamrechtverplichting jegens [appellante] per 31 december 2009 is gesteld op

€ 285.358,- en dat de verlangde zekerheidsstelling in dat opzicht niet irreëel is. Aan het betoog van [geïntimeerde] dat het verstrekken van een bankgarantie van € 250.000,- helemaal niet mogelijk is, gaat het hof als onvoldoende toegelicht voorbij. Namens [geïntimeerde] is immers ter gelegenheid van de pleidooien verklaard, dat de mogelijkheid van het verstrekken van een bankgarantie niet is onderzocht, ook niet voor een lager bedrag dan

€ 250.000,-.

4.10 Ook wanneer met [geïntimeerde] wordt aangenomen dat haar financiële situatie slecht is, leidt dat, gelet op het (temeer bij een slechte financiële situatie van [geïntimeerde] bestaande) belang van [appellante] bij zekerheidsstelling, niet tot het oordeel dat de aanspraak van [appellante] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en evenmin tot het oordeel dat, zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, een onevenredigheid bestaat tussen het belang bij de uitoefening van haar recht door [appellante] en het belang van [geïntimeerde] dat daardoor wordt geschaad. Van misbruik van recht door [appellante] is dus evenmin sprake.

4.11 De grieven van [appellante], die zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat, kort gezegd, sprake is van een leemte in de overeenkomst die moet worden ingevuld aan de hand van de beginselen van de redelijkheid en billijkheid, en dat deze beginselen in de omstandigheden van dit geval aan de geëiste vorm en omvang van de zekerheidsstelling in de weg staan, slagen. Van een leemte in de overeenkomst is naar het oordeel van het hof geen sprake. Zoals [geïntimeerde] ook zelf heeft betoogd is de inhoud van artikel 8 van de stamrechtovereenkomst niet in geschil tussen de partijen. Wel in geschil is, of de aanspraak van [appellante] op een zekerheidsstelling in de vorm en omvang als door haar gedaan onder de huidige omstandigheden in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Naar het oordeel van het hof is dat niet het geval. [appellante] heeft gekozen voor een niet ongebruikelijke vorm van zekerheidsstelling, waarvan onvoldoende is toegelicht dat deze onmogelijk geëffectueerd kan worden, en waarvan voldoende is komen vast te staan dat zij daarbij belang heeft. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen hierboven onder 4.9 en 4.10 is overwogen.

4.12 Aan het bewijsaanbod van [geïntimeerde] gaat het hof voorbij, nu geen feiten of omstandigheden te bewijzen zijn aangeboden, die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden. Anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd, zijn geen gronden aanwezig om [appellante] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5. De slotsom

5.1 De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd.

5.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 90,91

- griffierecht € 255,-

subtotaal verschotten € 345,91

- salaris advocaat € 4.000,-

Totaal € 4.345,91.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 76,31

- griffierecht € 284,-

subtotaal verschotten € 360,31

- salaris advocaat € 7.000,- (3,5 punten x tarief VI)

Totaal € 7.360,31.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen de partijen gewezen vonnis van de rechtbank Arnhem van

3 augustus 2011en doet opnieuw recht;

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest zekerheid te stellen in de vorm van een onherroepelijke bankgarantie voor een bedrag van € 250.000,- ter zake van het aan [appellante] verleende stamrecht, een en ander of straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag gedurende welke [geïntimeerde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,-;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 345,91 voor verschotten en op € 4.000,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 360,31 voor verschotten en op

€ 7.000,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, G.P.M. van den Dungen en

W. Duitemeijer en is tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

15 januari 2013.