Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BY8824

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
12/00535
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Verlengde navorderingstermijn. In het buitenland gehouden of opgekomen? Zwarte omzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/145
V-N 2013/17.6 met annotatie van Redactie
FutD 2013-0254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

nummer: 12/00535

uitspraakdatum: 8 januari 2013

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 17 juli 2012, nummer AWB 12/1280, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2000 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 103.450. Daarbij is bij beschikking ƒ 3.929 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. De navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar door de Inspecteur gehandhaafd.

1.3. Het door belanghebbende tegen deze uitspraken op bezwaar ingestelde beroep is door de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) bij uitspraak van 17 juli 2012 ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Tot de stukken van het geding behoort, naast voormelde stukken, voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 12 december 2012 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende tot bijstand vergezeld van zijn gemachtigde alsmede de Inspecteur.

1.7. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota moet als hier ingelast worden aangemerkt. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

2.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 29 november 2001 een aanslag IB/PVV voor het jaar 2000 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 83.358.

2.2. Bij brief van 29 december 2009 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur geschreven, voor zover van belang:

“X vertelde mij onlangs dat er in het verleden een deel van de omzet van A niet in de administratie is verwerkt maar is gestort op een bankrekening in het buitenland.

Op dit moment staan de gelden op een bankrekening in Zwitserland ... Het saldo van alle tegoeden samen is op dit moment € 288.397,-. (...). Deze rekening is geopend op 3 augustus 2001.

De gelden stonden voorheen op een gezamenlijke bankrekening ... van X en B bij dezelfde bank. Deze rekening is geopend in 1997.

Zij hebben tevens nog een bankrekening gehad bij ...te Luxemburg en ...te Duitsland. De gelden van deze bankrekeningen zijn in 1998 en 1999 op de genoemde bankrekening in Zwitserland gestort.

(...).

De gelden zijn voor het grootste deel aan de onderneming onttrokken in de periode dat de onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma werd gedreven en daarbij met name voor 1998.

(...).

Zodra wij de bij de bank opgevraagde gegevens hebben ontvangen zullen wij u een opgave doen van de extra verschuldigde omzetbelasting, vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting”

2.3. Belanghebbende is vennoot geweest in de vennootschap onder firma A (hierna: de vof). De vof heeft in het buitenland nooit producten geproduceerd en/of verkocht. De vof heeft een gedeelte van de omzet in contanten ontvangen en dit gedeelte niet in de boeken verwerkt. Vervolgens heeft belanghebbende dit geld meegenomen naar het buitenland en aldaar op bankrekeningen gestort.

2.4. De Inspecteur heeft met dagtekening 4 februari 2011 de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. In deze navorderings¬aanslag is, naast een niet in geschil zijnde rentecorrectie van ƒ 5.092, een omzetcorrectie van ƒ 15.000 begrepen die ziet op de hiervoor in 2.3 genoemde verzwegen omzet.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslag voor wat betreft de omzetcorrectie van ƒ 15.000 tijdig aan belanghebbende is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de navorderingstermijn van twaalf jaar als bedoeld in artikel 16, lid 4, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) van toepassing is. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 88.450.

3.4. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 16, lid 4, van de AWR bedraagt de navorderingstermijn twaalf jaar indien te weinig belasting is geheven over een bestanddeel van het voorwerp van enige belasting dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen. Belanghebbende betoogt dat de vof alleen in Nederland actief is, dat de winst dus niet in het buitenland is opgekomen, en dat de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, van de AWR derhalve niet van toepassing is. Verder voert belanghebbende aan dat het voor de Inspecteur even moeilijk of gemakkelijk is om de verzwegen omzet te achterhalen of deze nu in Nederland contant wordt aangehouden of op een buitenlandse bankrekening wordt gestort.

4.2. In de parlementaire geschiedenis is met betrekking tot genoemd artikellid opgemerkt dat de achterliggende gedachte is dat het de Nederlandse fiscus in feite ontbreekt aan toereikende controlemogelijkheden om naar het buitenland overgebrachte spaargelden en dergelijke bezittingen te achterhalen. De controlemogelijkheden schieten met betrekking tot spaargelden, banktegoeden in het algemeen, effecten en dergelijke, in een aantal gevallen tekort of ontbreken geheel omdat Nederland met het desbetreffende land geen overeenkomst tot inlichtingenuitwisseling heeft of, zo dit wel het geval is, in andere landen de werking van het bankgeheim het uitwisselen van inlichtingen verhindert (Kamerstukken II, 1989-1990, nr. 21 423, nr. 3, blz. 2).

4.3. Verder is in de parlementaire geschiedenis opgemerkt dat de rechtvaardigingsgrond – dat de controlemiddelen van de Nederlandse fiscus te beperkt zijn om met een termijn van vijf jaren te kunnen volstaan – ook geldt voor andere in het buitenland opgekomen inkomensbestanddelen die met opzet buiten het controlebereik van de Nederlandse fiscus zijn gehouden, hetgeen ook arbeidsinkomsten of winstbestanddelen kunnen zijn waarop de Nederlandse heffingsbevoegdheid rust (Kamerstukken II, 1989-1990, nr. 21 423, nr. 3, blz. 3).

4.4. Blijkens voornoemde parlementaire geschiedenis heeft de wetgever bij het tot stand brengen van artikel 16, lid 4, van de AWR specifiek het oog gehad op inkomsten die in het buitenland zijn verkregen of op in Nederland verkregen inkomsten die naar een rekening in het buitenland zijn overgeboekt (vgl. HR 13 augustus 2004, nr. 39287, LJN AQ6911, BNB 2004/367). Daaronder is begrepen de situatie waarin inkomsten die in Nederland zijn gegenereerd, rechtstreeks door de Nederlandse afnemer naar een buitenlandse bankrekening worden overgemaakt waardoor deze inkomsten aan het zicht van de Nederlandse fiscus worden onttrokken.

4.5. In het onderhavige geval heeft belanghebbende niet-geadministreerde contante betalingen van Nederlandse afnemers ontvangen die vervolgens door hem in het buitenland op een bankrekening zijn gestort. Naar het oordeel van het Hof wijkt onderhavig geval niet in die mate van de hiervoor in 4.4 beschreven situatie af dat geoordeeld moeten worden dat artikel 16, lid 4, van de AWR niet van toepassing is. De Inspecteur heeft derhalve terecht genoemd artikellid toegepast. Hierbij merkt het Hof nog op dat het arrest van 8 oktober 2010, nr. 09/04322, LJN BN9666, BNB 2010/333, in dit geval toepassing mist, omdat in dat geval sprake is van inkomsten met een buitenlandse oorsprong en dus feitelijk een andere situatie betreft.

Heffingsrente

4.6. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikking heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de navorderingsaanslag niet wordt verminderd, is er ook geen aanleiding voor vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. C.M. Ettema en mr. A.J.H. van Suilen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2013.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 9 januari 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.