Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BY8083

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
BK 12/00003 Omzetbelasting
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2011:BU8372, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In hoger beroep is in geschil of de door belanghebbende verstrekte muzieklessen aan personen jonger dan 21 jaar met omzetbelasting belaste of van die belasting vrijgestelde prestaties zijn. Indien sprake is van vrijgestelde prestaties is voorts in geschil of belanghebbende terzake recht heeft op aftrek van omzetbelasting als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/47
V-N 2013/34.23 met annotatie van Redactie
FutD 2013-0149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

nummer 12/00003

uitspraakdatum: 8 januari 2013

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 november 2011, nummer AWB 11/592, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Heerenveen (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 13.129 en bij beschikking een boete ten bedrage van € 1.968. Voorts is bij beschikking € 916 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. De boete is bij beschikking verminderd tot nihil.

1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 22 november 2011 ongegrond verklaard.

1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en haar echtgenoot, alsmede A namens de Inspecteur, bijgestaan door B.

1.7 De Inspecteur heeft voorafgaand aan het onderzoek ter zitting een pleitnota met een bijlage toegezonden aan het Hof en aan de wederpartij. De pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgedragen en wordt door het Hof tot de stukken van het geding gerekend.

1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De vaststaande feiten

2.1 Belanghebbende dreef sinds december 2002 een muziekinstrumentenhandel onder de naam C. Vanaf 2005 heeft belanghebbende die activiteiten uitgebreid met muzieklessen, per april 2006 onder de naam D. Zij was als zodanig ondernemer als bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting (hierna: de Wet). Belanghebbende heeft deze activiteiten in 2009 beëindigd.

2.2 Over de vergoeding die belanghebbende voor muzieklessen aan personen jonger dan 21 jaar in rekening heeft gebracht, heeft zij - met een beroep op de vrijstelling van omzetbelasting als bedoeld in artikel 11, lid 1, aanhef en letter o, 2°, van de Wet juncto artikel 8, lid 1, letter c, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 - geen omzetbelasting in rekening gebracht en evenmin op aangifte voldaan. Met betrekking tot de prestaties betreffende de muziekinstrumentenhandel heeft zij wel omzetbelasting in rekening gebracht en op aangifte voldaan.

2.3 Belanghebbende heeft alle omzetbelasting die aan haar in rekening is gebracht voor verrichte leveringen en diensten, bij haar aangiften in aftrek gebracht.

2.4 Op 11 mei 2009 is de Inspecteur een boekenonderzoek gestart. Op 26 april 2010 heeft de controleambtenaar het rapport van het onderzoek opgemaakt. De Inspecteur heeft daarin, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

‘4.2 Voorbelasting

Omdat een deel van de behaalde omzet is vrijgesteld van omzetbelasting is een overeenkomstig deel van de voorbelasting niet aftrekbaar.

In de gedane aangiften omzetbelasting 2007 en 2008 is hiermee geen rekening gehouden. De volledige voorbelasting is in aftrek genomen.

Door de adviseur is bij het maken van de jaarstukken alsnog een berekening omzetbelasting gemaakt waarbij rekening is gehouden met deze beperking.

Deze suppletieberekening komt tot een te betalen bedrag van € 4.229 over 2007 en € 8.637 over 2008. Met de gemaakte berekeningen kan ik mij verenigen, ik zal deze bedragen dan ook naheffen.

4.3 Balanspost

Uit de jaarstukken blijkt dat er voor het jaar 2005 nog een balanspost van € 263 openstaat. Ik zal voor dit bedrag een naheffing opleggen.’

2.5 De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende ontvankelijk is in het door haar ingediende bezwaar en beroep, dat uit de wetsystematiek volgt dat zij ter zake van het muziekonderwijs aan personen jonger dan 21 jaar geen recht heeft op aftrek van voorbelasting en dat haar beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden afgewezen.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1 In hoger beroep is in geschil of de door belanghebbende verstrekte muzieklessen aan personen jonger dan 21 jaar met omzetbelasting belaste of van die belasting vrijgestelde prestaties zijn. Indien sprake is van vrijgestelde prestaties is voorts in geschil of belanghebbende terzake recht heeft op aftrek van omzetbelasting als bedoeld in artikel 15, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet.

3.2 Belanghebbende neemt het standpunt in dat de vrijstelling voor het geven van muziekonderwijs aan personen jonger dan 21 jaar niet van toepassing is, omdat zij steeds een winstoogmerk heeft gehad. Voor het geval het Hof oordeelt dat de vrijstelling wel van toepassing is, meent zij dat een medewerker van de Belastingtelefoon bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat zij ter zake van het verrichten van muziekonderwijs aan personen jonger dan 21 jaar niettemin recht had op aftrek van omzetbelasting.

3.3 De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de diensten van belanghebbende ingevolge artikel 11, lid 1, letter o, 2°, van de Wet juncto artikel 8, lid 1, letter c, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 zijn vrijgesteld van omzetbelasting, nu deze bepaling niet vereist dat geen sprake is van een winstoogmerk. Voorts meent hij dat het beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden afgewezen.

3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vermindering van de naheffingsaanslag.

3.6 De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar en beroep

4.1 De Rechtbank heeft geoordeeld, en in hoger beroep is deze beslissing tussen partijen niet in geschil, dat belanghebbende ontvankelijk is in het door haar ingediende bezwaar bij de Inspecteur en beroep bij de Rechtbank. Het Hof sluit zich aan bij dit oordeel en de daartoe gebezigde gronden en maakt die tot de zijne.

Muziekonderwijs aan personen jonger dan 21 jaar

4.2 Artikel 13A, lid 1, aanhef en letter i, van de Zesde richtlijn en artikel 132, lid 1, aanhef en letter i, van de Btw-richtlijn bepalen dat de lidstaten vrijstelling verlenen voor onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen welke hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend.

4.3 In de Wet is de vrijstelling voor onderwijsprestaties in artikel 11, lid 1, aanhef en letter o opgenomen. In sub 2 van dat artikel is - voor zover hier van belang - bepaald dat van de belasting is vrijgesteld het verstrekken van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen onderwijs, waarbij kan worden bepaald, dat de vrijstelling slechts toepassing vindt ten aanzien van ondernemers die met dat onderwijs geen winst beogen.

4.4 In artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 is uitvoering gegeven aan die bepaling. In lid 1, aanhef en letter c, van dat artikel is bepaald dat als onderwijs als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter o, 2°, van de wet, wordt aangewezen: ‘onderwijs in muziek, dans, drama en beeldende vorming, aan personen jonger dan 21 jaar’.

4.5 Naar het oordeel van het Hof is deze nationale bepaling in overeenstemming met hetgeen dienaangaande in de Zesde richtlijn respectievelijk de Btw-richtlijn is bepaald.

4.6 Aan toepassing van deze vrijstelling is, anders dan belanghebbende meent, niet de voorwaarde verbonden dat de ondernemer geen winst mag beogen. In artikel 11, lid 1, aanhef en letter o, 2°, van de Wet is weliswaar bepaald dat een dergelijke voorwaarde bij algemene maatregel van bestuur kan worden gesteld, doch van die mogelijkheid is in het tijdvak waarop de onderhavige naheffingsaanslag betrekking heeft geen gebruik gemaakt.

4.7 Gelet op het vorenstaande zijn de onderhavige diensten van belanghebbende vrijgesteld van omzetbelasting. Er bestaat geen keuzemogelijkheid om die prestaties als belaste handelingen aan te merken.

Vertrouwensbeginsel

4.8 Belanghebbende, op wie de stelplicht en bewijslast rusten van feiten en omstandigheden die haar beroep op het vertrouwensbeginsel steunen, heeft aangevoerd dat de Belastingtelefoon meerdere malen heeft bevestigd dat zij de voorbelasting op de huur van het pand en de instrumenten kon verrekenen. Zij heeft niet aangevoerd of en, zo ja, welke gegevens zij aan de betreffende medewerker(s) van de Belastingtelefoon heeft verstrekt en welke vragen zij aan die perso(o)n(en) heeft gesteld.

4.9 Voor zover sprake is geweest van algemene voorlichting aangaande de inhoud van wettelijke regels of van een op verzoek van belanghebbende gegeven concrete inlichting, geldt dat in de regel de Belastingdienst door onjuistheden in de voorlichting niet wordt gebonden. Voor afwijking van deze regel is slechts plaats ingeval een belastingplichtige de onjuistheid niet had behoeven te beseffen en bovendien - behalve de wettelijk verschuldigde belasting - schade heeft geleden doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten (vgl. o.a. HR 9 maart 1988, nr. 24.199, BNB 1988/148 en HR 3 januari 1990, nr. 26.325, BNB 1990/148).

4.10 Niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende als gevolg van de onjuistheid van de voorlichting of inlichting, wat daar ook van zij, schade heeft geleden, doordat zij, afgaande op deze onjuiste inlichting, een handeling heeft verricht of nagelaten.

4.11 Belanghebbende heeft voorts tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur onvoldoende aangevoerd om haar beroep op een toezegging of bewuste standpuntbepaling door of namens de Inspecteur te onderbouwen.

4.12 Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve eveneens.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Ettema, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 8 januari 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (C.M. Ettema)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 januari 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.