Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BY8054

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-01-2013
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
21-000981-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2012:BV6342, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot vijftien jaar gevangenisstraf voor moord.

Het gerechtshof gaat uit van een ander scenario dan door de verdediging is gesteld en volgt de verdediging aldus niet in het verweer dat er contra-indicaties zijn voor de voorbedachte raad.

Voor zover er een beroep is gedaan op psychische overmacht overweegt het gerechtshof dat er geen sprake was van een zodanige van buiten komende kracht, dwang of drang dat van verdachte –gelet op zijn persoonlijkheid– niet meer redelijkerwijs gevergd kon worden dat hij daaraan weerstand kon bieden.

De stelling dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000981-12

Uitspraak d.d.: 4 januari 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zutphen van 21 februari 2012 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1962],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in [detentieadres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 november 2012 en 21 december 2012 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr A.S. van der Biezen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 13 juni 2011 te [pleegplaats] opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon (genaamd [slachtoffer]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een geladen vuurwapen het pand, waar die persoon [slachtoffer] op dat moment werkzaam was, althans waar die persoon [slachtoffer] zich bevond ([adres]), betreden en/of vervolgens (op korte afstand van die persoon [slachtoffer] meermalen (zesmaal), althans eenmaal met dat vuurwapen (een) kogel(s) in het (boven)lichaam van die persoon [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemd(e) persoon [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair:

hij op of omstreeks 13 juni 2011 te [pleegplaats] opzettelijk een persoon (genaamd [slachtoffer]) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een geladen vuurwapen het pand, waar die persoon [slachtoffer] op dat moment werkzaam was, althans waar die persoon [slachtoffer] zich bevond (adres), betreden en/of vervolgens (op korte afstand van die persoon [slachtoffer] meermalen (zesmaal), althans eenmaal met dat vuurwapen (een) kogel(s) in het (boven)lichaam van die persoon [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemd(e) persoon [slachtoffer] is overleden;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Op basis van de stukken stelt het hof het volgende vast. De verdachte had al voorafgaand aan de dag van het delict de beschikking over een vuurwapen met bijbehorende munitie. Kort voor 13 juni 2011 zoekt verdachte op het internet hoe hij dat wapen moet gebruiken. Op 13 juni 2011 omstreeks 13:00 uur gaat verdachte naar [seksclub], alwaar het latere slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) werkzaam is. Wanneer [slachtoffer] bij de confrontatie met verdachte niet de door hem gewenste reactie geeft (namelijk het aangaan van een gesprek met hem) keert verdachte huiswaarts. Daar schrijft hij een brief, gericht aan zijn ex-vrouw [naam]. In deze brief schrijft verdachte dat het gedrag van [slachtoffer] hem zodanig heeft beschadigd dat hij nog maar één ding kan doen, haar neerschieten. Ze verdient het en hij heeft er geen spijt van, zo schrijft hij. Vervolgens gaat verdachte opnieuw naar [seksclub]. Het geladen vuurwapen heeft hij bij zich, evenals een kloofbijl(tje) en de hiervoor genoemde brief. Naar het oordeel van het hof is uit voornoemde omstandigheden overtuigend vast komen te staan dat verdachte naar [seksclub] is gegaan om [slachtoffer] opnieuw te treffen en haar vervolgens iets aan te doen indien zij niet op de gewenste manier reageert. Wanneer verdachte in [seksclub] [slachtoffer] ziet staan, geeft zij opnieuw niet de door hem gewenste reactie. Verdachte stapt daarop even de gang op, maar keert terug. Tot dit moment heeft verdachte meerdere keuzemomenten gehad om van zijn voorgenomen plan af te zien. Verdachte sommeert bij terugkomst in de kamer de zich in het vertrek bevindende getuige [getuige] aan de kant te gaan, omdat hij haar anders “ook mee zou nemen”, richt zijn wapen op [slachtoffer] en schiet meerdere keren. Het hof is van oordeel dat verdachte hiermee het plan heeft uitgevoerd dat hij eerder had opgevat en uiteen heeft gezet in de brief aan zijn ex-vrouw. Dat brengt mee dat het hof de verdediging niet volgt in het verweer dat er contra-indicaties voor voorbedachte raad zijn. De lezing van de verdediging dat verdachte van plan was om zichzelf van het leven te beroven en pas in [seksclub], na een opmerking van het slachtoffer, in een opwelling heeft besloten op haar te schieten volgt het hof immers niet, zoals hiervoor overwogen.

Gelet op het voorstaande is er naar het oordeel van het hof sprake van voorbedachte rade. Het hof zal aldus het primair tenlastegelegde bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:

hij op 13 juni 2011 te [pleegplaats] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een geladen vuurwapen het pand, waar die [slachtoffer] op dat moment werkzaam was, (adres), betreden en vervolgens op korte afstand van die [slachtoffer] meermalen (zesmaal), met dat vuurwapen (een) kogel in het bovenlichaam van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op: moord.

Geen schulduitsluitingsgronden

Voor zover de raadsman ter terechtzitting een beroep heeft willen doen op psychische overmacht, overweegt het hof het volgende.

De verdediging stelt dat verdachte in een neerwaartse spiraal terecht is gekomen. Vertwijfeld door het gedrag van het latere slachtoffer, dat in zijn ogen gedane beloftes niet nakwam, werden zijn gedachten door haar beheerst. In zijn steeds falende pogingen om met [slachtoffer] een gesprek aan te gaan kwam hij in een tunnel terecht. Toen verdachte een ultieme en laatste poging deed om [slachtoffer] op te zoeken, en daarbij door haar reactie vernederd en gekrenkt werd, volgde er een impulsdoorbraak en kon hij niet anders dan haar neerschieten.

Het hof oordeelt als volgt. Zoals eerder is overwogen gaat het hof uit van een ander scenario dan door de verdediging geschetst, namelijk dat verdachte het plan om het slachtoffer neer te schieten al had opgevat voordat hij haar opzocht bij [seksclub]. Het verweer slaagt al niet om die reden. In het scenario dat het hof volgt is er geen sprake van een zodanige van buiten komende kracht, dwang of drang dat van verdachte –gelet op zijn persoonlijkheid– niet meer redelijkerwijs gevergd kon worden dat hij daaraan weerstand kon bieden. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was op het moment dat hij de trekker van het vuurwapen overhaalde. Het hof overweegt het hierover als volgt.

Ten aanzien van de persoon van verdachte is op 19 januari 2012 een Tripelrapportage Pro Justitia opgemaakt door drs. I.M. van Woudenberg, psycholoog, en J.M.J.F. Offermans, psychiater (in samenwerking met milieurapporteur Verwoerd). Daarin staat onder meer het volgende beschreven:

‘Bij betrokkene is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een aanpassingsstoornis met stoornis in emoties en gedrag en van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van persoonlijkheidsproblematiek met vooral narcistische en afhankelijke kenmerken. Van deze problematiek was sprake ten tijde van het tenlastegelegde. De ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedden de gedragskeuzes en gedragingen van onderzochte ten tijde van het tenlastegelegde.

De aanpassingsstoornis met stoornis in emoties en gedrag en de persoonlijkheidsproblematiek hebben meegespeeld in de aanloop tot en in de uiteindelijke tragische afloop van het tenlastegelegde. Betrokkene wordt verminderd toerekeningsvatbaar geacht.’

De deskundigen zijn later, in hun verklaring ter zitting in eerste aanleg (Offermans) en bij de raadsheer-commissaris (beide deskundigen), niet van deze conclusie afgeweken. Het hof neemt de conclusie van de gedragsdeskundigen over en maakt die tot de zijne. Nu het feit aan verdachte kan worden toegerekend, al is het in verminderde mate, betekent het dat de strafbaarheid van verdachte niet is uitgesloten. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting het navolgende in het bijzonder in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

Verdachte heeft [slachtoffer], slechts 21 jaar oud, met meerdere schoten om het leven gebracht. Verdachte heeft haar het kostbaarste bezit, namelijk haar leven, ontnomen.

Verdachte heeft de nabestaanden van het slachtoffer, onder wie haar moeder, onnoemelijk veel leed berokkend. Uit de slachtofferverklaringen van de moeder blijkt het immense verdriet waarmee zij tot op de dag van vandaag te kampen heeft. Ook heeft verdachte met zijn handelen gevoelens van onrust teweeggebracht bij degenen die daarvan (ongewild) getuige zijn geweest en een bijdrage geleverd aan de algemene onrustgevoelens in de maatschappij. Dit leed dient te worden vergolden. Het opzettelijk en met voorbedachte raad benemen van het leven van een ander behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. De rechtsorde wordt door dergelijke feiten ernstig geschokt. Voor zo’n feit komt alleen een vrijheidsstraf van zeer lange duur in aanmerking.

Op het vlak van levensdelicten bestaan geen landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Als in jurisprudentie wordt gezocht naar vergelijkbare gevallen van moord dan valt daaruit, anders dan de raadsman heeft gesteld, een gemiddelde gevangenisstraf met een bandbreedte van 12 tot 18 jaar als uitgangspunt af te leiden.

Als strafverlichtende omstandigheden neemt het hof in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie nooit is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat hij verminderd toerekeningsvatbaar was. Aan deze factoren kan echter in het licht van de ernst van het feit slechts een zeer gering gewicht worden toegekend. Alles afwegend acht het hof een gevangenisstraf zoals opgelegd door de rechtbank, te weten voor de duur van vijftien jaren, passend en geboden.

Beslag

Het primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.807,60. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een pistool, merk Walther PPK

- zes patronen

- twee patroonhouders.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.807,60 (vierduizend achthonderdzeven euro en zestig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 4.807,60 (vierduizend achthonderdzeven euro en zestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 58 (achtenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr J.P. Bordes, voorzitter,

mr C. Caminada en mr. G. Oldekamp, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr A.H. Hettema, griffier,

en op 4 januari 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.