Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9962

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
06-01-2014
Zaaknummer
21-006714-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewenst vreemdeling. Geen sprake (meer) van geldig inreisverbod. Feit niet strafbaar. Ontslag van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/42

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006714-13

Uitspraak d.d.: 24 december 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 31 juli 2013 met parketnummer 16-653470-13 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr B.Y. de Boer, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt ten aanzien van de strafbaarheid van het onder 2 tenlastegelegde.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 16 juli 2013 te Utrecht, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid levensmiddelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn (vestiging aan de Troosterhof), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;



Feit 2

hij op of omstreeks 16 juli 2013 te Utrecht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Anders dan de raadsman meent met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde, kan een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar meer bewijsmiddelen behelzen, hetgeen in casu het geval is.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 16 juli 2013 te Utrecht, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid levensmiddelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn (vestiging aan de Troosterhof) , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte ;



Feit 2

hij op of omstreeks 16 juli 2013 te Utrecht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 21 van de Vreemdelingenwet, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Verdachte is bij beschikking van 7 juli 2006 op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, zoals deze bepaling indertijd luidde, ongewenst verklaard. Ten tijde van het onder 2 tenlastegelegde was verdachte derhalve ongewenst verklaard.

Het hof is met de raadsman en de advocaat-generaal van oordeel dat deze ongewenstverklaring heeft te gelden als een terugkeerbesluit dat tevens een inreisverbod behelst als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 4° respectievelijk 6°, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: de Terugkeerrichtlijn).

In artikel 3, punt 6, van de Terugkeerrichtlijn wordt het begrip ‘inreisverbod’ omschreven als: ‘een administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij de betrokkene de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor een bepaalde termijn wordt verboden, samen met een terugkeerbesluit’.

Artikel 11, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn luidt als volgt:

‘De duur van het inreisverbod wordt volgens alle relevante omstandigheden van het individuele geval bepaald en bedraagt in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.’

In het arrest van het Hof van Justitie van 19 september 2013 in de zaak C-297/12 (Gjoko Filev, Adnan Osmani) heeft het Hof van Justitie overwogen dat een lidstaat een inbreuk op een onder de Terugkeerrichtlijn vallend inreisverbod niet strafrechtelijk kan bestraffen wanneer de handhaving van de gevolgen van dat verbod niet strookt met artikel 11, lid 2, van deze richtlijn.

Voorts is overwogen dat de Terugkeerrichtlijn van toepassing is op de gevolgen van besluiten houdende een inreisverbod die zijn vastgesteld op grond van nationale regels die van kracht waren vóór de datum waarop de richtlijn in de betrokken lidstaat van toepassing is geworden, voor zover deze gevolgen zich na deze datum voordoen. Om vast te stellen of de handhaving van de gevolgen van dergelijke besluiten in overeenstemming is met artikel 11, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn, inzonderheid betreffende de maximale duur van een inreisverbod die volgens deze bepaling in principe niet meer dan vijf jaar kan bedragen, moet dus eveneens rekening worden gehouden met het tijdvak waarin dit verbod van kracht was vóórdat de Terugkeerrichtlijn van toepassing is geworden.

Hieruit volgt dat artikel 11, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn eraan in de weg staat dat de gevolgen van de inreisverboden voor onbepaalde tijd die zijn opgelegd vóór de datum waarop de Terugkeerrichtlijn van toepassing is geworden langer worden gehandhaafd dan de in deze bepaling vastgestelde maximale duur, tenzij deze inreisverboden zijn uitgevaardigd tegen onderdanen van derde landen die een ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Artikel 11, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een inbreuk op een verbod om het grondgebied van een lidstaat binnen te komen en aldaar te verblijven, welk verbod is opgelegd meer dan vijf jaar vóór ofwel de datum waarop de betrokken onderdaan van een derde land opnieuw die lidstaat is binnengekomen, ofwel de datum waarop de nationale regeling tot omzetting van deze richtlijn in werking is getreden, tot een strafrechtelijke sanctie leidt, tenzij deze onderdaan een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

In de onderhavige zaak dateert de ongewenstverklaring van verdachte van 7 juli 2006. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op dat moment ook het inreisverbod is ingegaan, nu -zoals hiervoor overwogen- uit artikel 3, punt 6 van de Terugkeerrichtlijn volgt dat een inreisverbod niet alleen het verbod tot toegang tot het grondgebied van de lidstaat inhoudt, maar ook het verbod tot het verblijf op dit grondgebied.

Dit betekent dat, uitgaande van de ingangsdatum van 7 juli 2006 en een maximale geldigheidsduur van vijf jaar, op de in de tenlastelegging genoemde datum van 16 juli 2013 geen sprake (meer) was van een geldig inreisverbod. Weliswaar houdt de ongewenstverklaring van verdachte in dat hij “een gevaar vormt voor de openbare orde”, maar niet - zoals artikel 11, lid 2, van de Terugkeerrichtlijn- “een ernstige bedreiging voor de openbare orde.” Dat verdachte zo’n ernstige bedreiging zou vormen is ter terechtzitting niet aangevoerd, noch anderszins aannemelijk geworden.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat feit niet strafbaar is en verdachte daarom ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de navolgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal.
Blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie is verdachte eerder veroordeeld, onder meer wegens soortgelijke feiten, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekeringstelling en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr B.J.J. Melssen, voorzitter,

mr H. Abbink en mr R. de Groot, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,

en op 24 december 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr R. de Groot is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.