Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9942

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
16-01-2014
Zaaknummer
200.111.284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inlichtingen verschaffen aan legitimaris en aan legataris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.111.284

(zaaknummer rechtbank Arnhem 186485)

arrest van de zesde kamer van 31 december 2013

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

appellant, hierna: [verzoeker],

advocaat: mr. J.H. van Vliet,

tegen:

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde, hierna: [verweerder],

advocaat: mr. J.S. Wurfbain.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 23 september 2009 en van 28 maart 2012 die de rechtbank Arnhem tussen [verzoeker] als eiser en [verweerder] als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 25 juni 2012,

- de memorie van grieven, met 1 productie

- de memorie van antwoord, met 5 producties.

2.2

Vervolgens heeft [verzoeker] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het (bestreden) vonnis van 28 maart 2012.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Dit geschil betreft de afwikkeling van de nalatenschap van[A] (hierna: erflaatster). Erflaatster is overleden met achterlating van drie zoons te weten, [verzoeker], [verweerder] en[B]. Aan erflaatster is vooroverleden haar dochter [C], met achterlating van afstammelingen. Erflaatster heeft over haar nalatenschap beschikt bij haar testament van 17 februari 2004. Zij heeft daarin, voor zover hier van belang, haar zoons [B] en [verweerder] tot haar enige erfgenamen benoemd, ieder voor een gelijk deel, legaten gemaakt aan haar zoon [verzoeker] en aan anderen (instellingen en familieleden) en [verweerder] tot executeur benoemd. De legaten aan [verzoeker] betreffen een legaat van een onroerende zaak, dat is vervallen, en een legaat van een bedrag in geld gelijk aan het erfdeel dat hij zou hebben gekregen als hij samen met zijn broers als erfgenaam tot de nalatenschap van erflaatster zou zijn geroepen.

4.2

[verzoeker] vordert veroordeling van [verweerder] tot het maken van een boedelbeschrijving in de nalatenschap van erflaatster en het verschaffen van alle inlichtingen over de nalatenschap op straffe van een dwangsom. [verzoeker] vordert verder dat het [verweerder] wordt verboden over te gaan tot verkoop en levering van onroerende zaken van de nalatenschap, zolang [verweerder] geen deugdelijke boedelbeschrijving heeft gemaakt en niet op de voet van artikel 4:78 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) informatie heeft verstrekt. Ten slotte vordert [verzoeker], dat de kosten die hij heeft gemaakt en nog moet maken om informatie te krijgen ten laste van de nalatenschap worden gebracht en veroordeling van [verweerder] in de proceskosten en de nakosten. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis [verweerder] veroordeeld om binnen vier weken na betekening van het vonnis over te gaan tot het opmaken van een boedelbeschrijving op straffe van een dwangsom, de overige vorderingen van [verzoeker] afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. [verzoeker] komt in hoger beroep met zes grieven op tegen de beslissing van de rechtbank en vordert [verweerder] alsnog te veroordelen (1) aan hem alle inlichtingen over de nalatenschap te verschaffen door inzage in en afschrift van alle bescheiden, waaronder informatie over giften die erflaatster heeft gedaan en (2) kopieën van de doorlopende reeksen van de bankrekening(en) af te geven waarop de door de erflaatster ontvangen koopsom van € 615.000,- is gestort, ontvangen of overgeboekt, zodat een doorlopend overzicht ontstaat van de ontvangst van die koopsom tot heden. [verzoeker] vordert dat [verweerder] hieraan binnen vier weken na betekening van dit arrest moet voldoen op straffe van een dwangsom. [verzoeker] vordert verder te bepalen dat de kosten die hij heeft gemaakt en nog moet maken om informatie te verkrijgen, waaronder de kosten van zijn notaris en zijn advocaat, ten laste van de nalatenschap moeten worden gebracht.

4.3

[verzoeker] vordert, zo begrijpt het hof op grond van artikel 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zijn vordering, in twee hoedanigheden inlichtingen en bescheiden, te weten als legitimaris en als legataris. Hij richt zich daarbij tot [verweerder] in diens hoedanigheid van executeur. Hoewel [verzoeker] zich in zijn memorie van grieven lijkt te beperken tot zijn hoedanigheid van legitimaris door uitdrukkelijk artikel 4:78 lid 1 BW als grondslag van zijn vordering te noemen, gaat het hof ervan uit dat hij ook in zijn hoedanigheid van legataris inlichtingen en bescheiden verlangt. Het hof slaat daarbij acht op de dagvaarding in eerste aanleg, in het bijzonder de randnummers 27 en 33.

4.4

Sedert het overlijden van de erflaatster zijn meer dan vijf jaar verstreken. [verzoeker] moet ingevolge artikel 4:85 BW uiterlijk 5 jaar na het overlijden van erflaatster aanspraak hebben gemaakt op zijn legitieme portie op straffe van het verval van de mogelijkheid daartoe. Of [verzoeker] dat heeft gedaan is gesteld noch gebleken. Het hof gaat hierna veronderstellenderwijs ervan uit dat [verzoeker] tijdig aanspraak heeft gemaakt op zijn legitieme portie. Zo dat niet het geval blijkt te zijn, kan hij zich weliswaar niet meer met vrucht beroepen op artikel 4:78 lid 1 BW, maar dat doet niet af aan zijn aanspraak, omdat hij, zoals hierna wordt overwogen, in zijn hoedanigheid van legataris vergelijkbare aanspraken op afgifte van bescheiden en inzage daarin heeft als hij zou hebben gehad als legitimaris.

4.5

Op grond van artikel 4:78 BW kan [verzoeker] als legitimaris jegens [verweerder] als executeur aanspraak maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en dient [verweerder] hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen te verschaffen. Het hof overweegt dat uit de bewoordingen ‘alle daartoe strekkende inlichtingen’ in artikel 4:78 lid 1 BW afgeleid kan worden dat dit begrip weliswaar zo ruim als mogelijk moet worden uitgelegd, maar dat het wel beperkt is tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen der nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Het hof oordeelt dat Evert Jan in elk geval aan [verzoeker] moet verstrekken:

* een overzicht van alle goederen op het moment van overlijden;

* een overzicht van alle schulden op het moment van overlijden, voor zover het de schulden als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 onder a tot en met c en f BW betreft.

Daarnaast moet [verweerder] alle bescheiden die betrekking op deze goederen en schulden en die van belang zijn voor het bepalen van de omvang of de waarde daarvan aan [verzoeker] in afschrift afgeven of hem daarin inzage geven. Daaronder vallen in elk geval ook kopieën van de afschriften van alle bank- en girorekeningen van de erflaatster waarop zichtbaar is wat het saldo op de sterfdatum was. Indien een voorlopige of definitieve aangifte voor de inkomstenbelasting (overlijdensaangifte) of de erfbelasting is gedaan, geldt hetzelfde voor deze aangifte(n) en de daarmee verband houdende aanslagen. Het hof is voorts van oordeel dat [verweerder] aan [verzoeker] opgave moeten doen van alle giften die door de erflaatster zijn gedaan. Het moge zo zijn dat bij de berekening van de legitieme portie alleen de giften in aanmerking komen die zijn genoemd in artikel 4:67 BW, maar alvorens te kunnen beoordelen of giften al dan niet behoren tot de in dit artikel 4:67 BW opgesomde giften, moet de legitimaris een overzicht hebben van alle giften die zijn gedaan. Het hof is ten slotte van oordeel dat [verweerder] op grond van artikel 4:78 lid 1 BW, nu [verzoeker] dit verlangt, ook alle overige informatie die van belang kan zijn voor de berekening van de legitieme portie dient te verschaffen. Dit onderdeel van de vordering is weliswaar niet nader geconcretiseerd, maar spreekt vanzelf, nu het informatie betreft waarover [verzoeker] (nog) niet beschikt en waarvan hij het bestaan nog niet kan kennen. Het spreekt ook voor zich dat die informatie beperkt is tot de elementen die voor de berekening van de legitieme portie van belang zijn en dat zijn, zoals hiervoor al is overwogen, de waarde van de goederen van de nalatenschap en de schulden en giften.

4.6

Het hof is van oordeel dat [verzoeker] in dit geval ook als legataris jegens [verweerder] als executeur aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legaat behoeft en dat [verweerder] hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen moet verschaffen. Het legaat is in dit geval immers niet beperkt tot een geldsom in een vast bedrag, maar is een bedrag in geld gelijk aan het erfdeel dat hij zou hebben gekregen als hij samen met zijn broers als erfgenaam tot de nalatenschap van erflaatster zou zijn geroepen. Voor de berekening van dit bedrag is het nodig het saldo van de nalatenschap te kennen. Het hof oordeelt dat [verweerder] voor de berekening van de omvang van dit legaat dan ook in elk geval aan [verzoeker] moet verstrekken:

* een overzicht van alle goederen op het moment van overlijden;

* een overzicht van alle schulden van de nalatenschap in de zin van artikel 4:7 lid 1 met inbegrip van de schulden ter zake van de legitieme porties en de legaten, met uitzondering van het legaat dat aan [verzoeker] zelf is gemaakt.

Daarnaast moet [verweerder] ook aan [verzoeker] als legataris alle bescheiden die betrekking op deze goederen en schulden en die van belang zijn voor het bepalen van de omvang of de waarde daarvan in afschrift afgeven of hem daarin inzage geven. Daaronder vallen in elk geval ook hier kopieën van de afschriften van alle bank- en girorekeningen van de erflaatster waarop zichtbaar is wat het saldo op de sterfdatum was. Indien een voorlopige of definitieve aangifte voor de inkomstenbelasting (overlijdensaangifte) of de erfbelasting is gedaan geldt hetzelfde voor deze aangifte(n) en de daarmee verband houdende aanslagen. Het hof is voorts van oordeel dat [verweerder] aan [verzoeker] als legataris opgave moeten doen van alle giften die door de erflaatster zijn gedaan. Voor de berekening van de omvang van het legaat dat aan hem is gemaakt dient onder de schulden immers rekening te worden gehouden met de schulden ter zake van de legitieme portie van ten minste één van de vier afstammelingen van zijn vooroverleden zuster, die zich blijkens de verklaring van [verweerder] op haar legitieme heeft beroepen. Voor het berekenen van dier legitieme porties moet [verzoeker] als legataris een overzicht hebben van alle giften die zijn gedaan. Het hof is ten slotte ook hier van oordeel dat [verweerder], nu [verzoeker] dit verlangt, ook alle overige informatie die van belang kan zijn voor de berekening van de omvang van zijn legaat dient te verschaffen. Dit onderdeel van de vordering is weliswaar niet nader geconcretiseerd, maar spreekt vanzelf, nu het informatie betreft waarover [verzoeker] (nog) niet beschikt en waarvan hij het bestaan nog niet kan kennen. Het spreekt ook voor zich dat die informatie beperkt is tot de elementen die voor de berekening van de omvang van zijn legaat van belang zijn en dat zijn, zoals hiervoor al is overwogen, de waarde van de goederen van de nalatenschap en de schulden en giften.

4.7

Het hof zal verder beoordelen of en in hoeverre [verweerder] aan de onder 4.5 en 4.6 geschetste verplichtingen heeft voldaan. Uit de stukken die in het geding zijn gebracht blijkt daarover het volgende.

4.8

In opdracht van [verzoeker] hebben mr. W.D. Bahlmann, notaris te Ede en diens kandidaat-notaris mr. H.J.T. Vos, op 20 april 2009 een aangetekende brief aan [verweerder] gezonden. In deze brief verzoeken zij om overlegging van taxatierapporten van de onroerende zaken die tot de nalatenschap behoren, van een kopie van de successieaangifte of een voorlopig vermogensoverzicht en een overzicht van de giften die erflaatster heeft gedaan. Zij vragen verder of de kinderen van de overleden zus van partijen een beroep op hun legitieme portie hebben gedaan en verzoeken om een toelichting op transacties met onroerende zaken in 2004 en 2005 van de erflaatster, waarbij, aldus de notarissen, sprake lijkt te zijn van benadeling van erflaatster. Zij vragen om documenten die met deze transacties samenhangen, zoals aangiften schenkingsrecht, correspondentie en besprekingsverslagen. Bij aangetekende brief aan [verweerder] van 13 mei 2009 constateren de notarissen dat zij geen reactie hebben gehad van [verweerder] en vragen zij om een spoedige reactie. Zij vermelden daarbij dat er inmiddels bijna 9 maanden na het overlijden van erflaatster zijn verstreken en dat [verzoeker] op geen enkele wijze informatie over de financiële afwikkeling van de nalatenschap heeft gehad.

4.9

[verweerder] reageert met zijn brief van 26 mei 2009 aan de notarissen. Hij meldt daarin dat hij zich heeft geconcentreerd op de ontruiming van de woning en de legaten aan de kleinkinderen en de overige instellingen. Hij belooft dat [verzoeker] alle stukken kan inzien zodra [verweerder] de aangifte inkomstenbelasting 2008 heeft ingediend en de administratie van erflaatster heeft bijgewerkt. Hij geeft geen overzicht van giften van de erflaatster, maar vermeldt wel dat al deze giften zijn gedaan met vrijstelling in inbreng. De onterving van de kinderen van de overleden zus van partijen moet hij nog aan hen meedelen. Voor de transacties met onroerende zaken verwijst hij naar notaris Beijsens. Hij meldt een bevoordeling van [verzoeker] door erflaatster van € 190.000,- en bevoordelingen van de andere drie kinderen begin jaren 80 van tussen de f 70.000,- en f 90.000,-.

4.10

Vervolgens richt [verweerder] zich bij brief met dagtekening 17 juni 2009 tot [verzoeker]. Bij deze brief zijn drie bijlagen gevoegd met als opschrift respectievelijk (1) boedelbeschrijving mevrouw [C] situatie per 23 augustus 2008, (2) overzicht schenkingen moeder en (3) besteding geldmiddelen bouwterrein [D]. In de brief schrijft [verweerder], voor zover hier nog van belang, dat opdracht is gegeven tot taxatie van de onroerende zaken en vermeldt hij de bedragen waarvan hij voorlopig is uitgegaan, geeft hij een toelichting op transacties met onroerende zaken tijdens leven van erflaatster en concludeert hij dat uit de boedelbeschrijving volgt dat het legaat aan [verzoeker] om en nabij de € 300.000,- zal liggen.

4.11

Ter gelegenheid van de comparitie van partijen bij de rechtbank op 22 september 2010 verklaart [verweerder] dat hij om persoonlijke redenen nog niet de informatie heeft verschaft die [verzoeker] heeft gevraagd, dat hij voorlopige aangifte voor het successierecht heeft gedaan en dat er een voorlopige aanslag is opgelegd, dat twee van de vier kinderen van zijn overleden zus hebben berust in hun onterving en dat hij nog niet weet wat de andere twee zullen doen en dat hij de waarde van de onroerende zaken in de successieaangifte zelf heeft vastgesteld.

4.12

Na de comparitie heeft [verweerder] aan [verzoeker] kopieën verstrekt van de aangifte inkomstenbelasting 2007 en 2008 en de successieaangifte. De onroerende zaken die tot de nalatenschap behoren zijn gewaardeerd door deskundigen die partijen samen hebben ingeschakeld. [verzoeker] concretiseert in zijn conclusie na comparitie van 16 november 2011 zijn eis door afgifte te verlangen van kopieën van de bankrekeningen waarop de storting en de verdere besteding van de koopsom van € 615.000,-, die hij in 2004 bij de aankoop van onroerende zaken aan erflaatster heeft betaald, blijken. [verweerder] reageert daarop in zijn conclusie van antwoord na comparitie door te verwijzen naar het al eerder overgelegde overzicht besteding geldmiddelen [D] en door te stellen dat aan de advocaat en de accountant van [verzoeker] inzage in alle bescheiden is gegeven. [verzoeker] op zijn beurt voert daartegen aan dat dit lang niet alle bescheiden betrof en dat hij nog steeds niet de onderliggende bescheiden heeft, die bij het overzicht besteding geldmiddelen [D] behoren.

4.13

[verweerder] heeft bij notariële akte van 7 mei 2012 een boedelbeschrijving opgemaakt. De bijlagen die daarbij horen zijn bij de memorie van antwoord overgelegd.

4.14

Het hof is gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken van oordeel dat bij [verweerder] sprake is van enige onwil om mee te werken aan een deugdelijke informatieverschaffing aan [verzoeker]. Het hof is verder van oordeel dat [verweerder] nog niet alle informatie aan [verzoeker] heeft verschaft. Het hof overweegt daartoe als volgt. [verweerder] bleek pas na twee brieven van de notaris, die [verzoeker] had ingeschakeld, bereid te reageren op de verzoeken van [verzoeker], terwijl het zeker negen maanden na het overlijden van erflaatster, op de weg van [verweerder] als executeur had gelegen [verzoeker] uit eigener beweging zo volledig mogelijk en zo spoedig mogelijk te informeren. In de brief van [verweerder] met bijlagen van 17 juni 2009 geeft hij mondjesmaat en zonder enige onderbouwing met bescheiden zoals bankafschriften enige informatie over de nalatenschap, maar niet zodanige informatie waarop [verzoeker] als legitimaris en als legataris aanspraak maakt en die hij nodig heeft om uit te rekenen wat de omvang van zijn legitieme portie en de omvang van zijn legaat is. Vervolgens verklaart [verweerder] ter comparitie bij de rechtbank met zoveel woorden dat hij [verzoeker] (bewust) geen informatie heeft verschaft om persoonlijke redenen, naar het hof moet begrijpen omdat [verzoeker] naar zijn zin zich niet genoeg met moeder bemoeide. Als executeur past het hem niet om persoonlijke redenen niet te voldoen aan zijn verplichtingen. Evert Jan heeft weliswaar aan [verzoeker], althans aan zijn advocaat en accountant, vervolgens inzage gegeven in bescheiden van de nalatenschap, maar [verzoeker] stelt onweersproken dat dit lang niet alle bescheiden waren en dat delen van de wel getoonde stukken waren weggelakt.

4.15

De grieven I tot en met V van [verzoeker] komen kort gezegd erop neer dat [verweerder] nog niet alle informatie heeft gegeven waarop [verzoeker] aanspraak maakt en dat [verweerder] onwillig is dat te doen. Gelet op het vorenstaande slagen deze grieven. Dat er een boedelbeschrijving is opgemaakt ontslaat [verweerder] niet van de verplichting de informatie die hij nog niet heeft gegeven alsnog te geven. De boedelbeschrijving bevat ook niet alle gegevens. Zo blijkt uit deze boedelbeschrijving niet welke giften zijn gedaan door erflaatster en wat de waarde daarvan is. Verder blijkt dat er nog een schuld wegens naheffing inkomstenbelasting bestaat over ten onrechte niet aangegeven vermogen, zonder dat vermogen nader te specificeren. [verzoeker] wijst erop dat [verweerder] wisselende informatie verstrekt op zijn vraag naar de besteding van het bedrag van € 615.000,-. Het overzicht dat [verweerder] daartoe verstrekt als productie 5 bij zijn memorie van antwoord is niet te rijmen met het eerder door hem overlegde overzicht getiteld besteding geldmiddelen bouwterrein [D] (bijlage bij productie 3 bij conclusie van antwoord). Verder geeft [verweerder] geen antwoord op de vragen van [verzoeker] naar het bedrag van € 300.000,-, dat op de in 4.10 vermelde boedelbeschrijving is opgenomen met de aanduiding rendementsrekening, naar zijn mededeling in de conclusie na comparitie dat van de koopsom van € 615.000,- nog

€ 273.000,- over is en naar de vordering in de notariële boedelbeschrijving op [verweerder] zelf van € 295.000,-. Het hof kan de conclusie van [verweerder] in de memorie van antwoord (randnummer 17) dat daarover volstrekte duidelijkheid bestaat, zonder nadere toelichting en onderbouwing met bescheiden niet volgen. Verder blijft onweersproken de stelling van [verzoeker] dat ook geen volledige opening van zaken is gegeven over buitenlandse bankrekeningen van erflaatster. Het hof ziet, nu de grieven I tot en met V, slagen aanleiding [verweerder] te veroordelen de gevraagde informatie te verschaffen. Het hof zal gelet op de beschreven onwil van [verweerder] ook de gevorderde dwangsom opleggen, maar zal deze matigen tot een bedrag van € 500,- per dag dat [verweerder] nalaat uitvoering te geven aan de hem opgelegde informatieplicht met een maximum van € 50.000,-.

4.16

Met grief VI vordert [verzoeker] te bepalen dat de kosten die hij heeft gemaakt en nog moet maken ter verkrijging van informatie, waaronder de kosten van zijn notaris en advocaat, ten laste van de nalatenschap te brengen. Het hof zal die vordering afwijzen, nu [verzoeker] geen enkele nadere specificatie van deze kosten heeft gegeven, en zal in het midden laten of het mogelijk is te bepalen dat de door [verzoeker] bedoelde kosten ten laste van de nalatenschap komen.

5 Slotsom

5.1

Grief VI faalt, maar de grieven I tot en met V slagen, zodat het bestreden vonnis, voor zover aan het onderdeel van het hof onderworpen, moet worden bekrachtigd voor zover het de afwijzing van de vordering inzake de in 4.16 besproken kosten van [verzoeker] betreft en moet worden vernietigd voor het overige.

5.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [verweerder] ambtshalve in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [verzoeker] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 90,64

- griffierecht € 291,-

subtotaal verschotten € 380,64

- salaris advocaat € 894,- (1 punt x tarief II)

Totaal € 1.274,64

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 28 maart 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor zover het de afwijzing van de onder 4.16 bedoelde kosten betreft;

vernietigt dit vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, en in zoverre opnieuw recht doende:

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker]

  • -

    alle inlichtingen over de nalatenschap van erflaatster te verschaffen en inzage in en afschrift van alle bescheiden met betrekking tot de nalatenschap te verschaffen en alle daartoe strekkende inlichtingen te verstrekken, waaronder informatie over de giften die erflaatster heeft gedaan, zoals bedoeld in de rechtsoverwegingen 4.5 en 4.6;

  • -

    af te geven kopieën van de doorlopende reeks(en) van de bankrekening(en) waarop de indertijd door erflaatster ontvangen koopsom van € 615.000,- is gestort of waarop deze is ontvangen dan wel nadien is overgeboekt, zodat een doorlopend overzicht ontstaat vanaf de ontvangst van de koopsom tot de stand van heden;

zulks binnen vier weken na betekening van dit arrest;

bepaalt dat [verweerder] ten behoeve van [verzoeker] een dwangsom verbeurt van € 500,- per dag dat hij in verzuim is met de nakoming van deze verplichtingen met een maximum van

€ 50.000,-;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] vastgesteld op € 380,64 voor verschotten en op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is op 20 december 2013 gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en A.H. Blaisse-Ozinga en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 31 december 2013.