Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:9911

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
31-12-2013
Zaaknummer
200.113.734-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel tegen de afwijzing van het verzoek tot het houden van pleidooi in een exhibitie-incident van artikel 843a Rv.

Vaststaat dat partijen op het moment dat B&S c.s. hun verzoek tot pleidooi indienden, hun standpunten nog niet eerder ten overstaan van de rechter hadden uiteengezet. De procedure was in de bodemprocedure op dat moment nog niet geheel uitgeconcludeerd. Alvorens te beslissen over het incident diende de rechtbank in beginsel B&S c.s. toe te laten tot het door hun verzochte pleidooi in het exhibitie-incident. De beslissing daarop kan van belang zijn voor de wending die de hoofdzaak neemt en leent zich er daarom voor om vooraf te worden beslist. Indien de rechtbank van oordeel was dat het aangewezen was om tevens de hoofdzaak te instrueren en die in staat van wijzen te brengen, had de rechtbank in die zin kunnen beslissen, bijvoorbeeld door te bepalen dat eerst de conclusie van antwoord in reconventie moet worden genomen en dat daarna het pleidooi in incident wordt gehouden, gecombineerd met een comparitie in de hoofdzaak, dan wel desgewenst een pleidooi in de hoofdzaak.

De rechtbank heeft evenwel het pleidooi geweigerd en de zaak tevens voor vonnis in het incident verwezen. Die beslissing is onvoldoende gemotiveerd. Aan de motivering om een pleidooi geheel te weigeren voordat een beslissing wordt genomen, worden hoge eisen gesteld. De door de rechtbank gegeven motivering van haar afwijzing van het verzoek tot het houden van pleidooi, voldoet naar het oordeel van het hof niet aan deze daaraan te stellen hoge eisen: de rechtbank laat na te motiveren dat toewijzen van het verzoek strijd oplevert met de eisen van een goede procesorde, terwijl de omstandigheid dat in de hoofdzaak nog gelegenheid zal worden geboden voor een mondelinge behandeling niet kan dienen als motivering van het oordeel dat aan het recht van partijen om hun zaak mondeling voor het voetlicht te brengen geen afbreuk wordt gedaan, nu de rechtbank dan immers reeds over de op artikel 843a Rv gebaseerde vordering zal hebben beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.113.734/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 129863 / HA ZA 11-682)

arrest van de eerste kamer van 24 december 2013

in de zaak van

1 B&S Holland Trading Group B.V.,

gevestigd te Farmsum,

hierna: B&S Holland,

2. B&S International B.V.,

gevestigd te Farmsum,

hierna: B&S International,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: B&S c.s.,

advocaat: mr. J.J. Schelling, kantoorhoudend te Rotterdam,

tegen

1 Newconomy Ventures B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

hierna: Newconomy,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

hierna: [geïntimeerde 2],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: Newconomy c.s.,

advocaat: mr. R.A. Oskamp, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 4 april 2012, 6 juni 2012 en 29 augustus 2012 van de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding d.d. 10 september 2012 en de hersteldagvaarding d.d. 13 september 2012 in hoger beroep,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord,

- een akte van B&S c.s.

2.2

Vervolgens hebben B&S c.s. de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof op één dossier arrest bepaald.

2.3

De vordering van B&S c.s. in de appeldagvaarding luidt:

"(…) te vernietigen het hierboven genoemde vonnis van de Rechtbank te Groningen (van 29 augustus 2012 - hof) en, opnieuw rechtdoende, het verzoek om pleidooi in het incident alsnog volledig toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het geding in beide instanties."

2.4

In de memorie van grieven hebben B&S c.s. geconcludeerd overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding.

3 Aanduiding van het geschil

3.1

Newconomy c.s. hebben bij inleidende dagvaarding van 14 oktober 2011 B&S c.s. gedagvaard en daarbij - samengevat weergegeven - gevorderd dat:
- B&S c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan Newconomy c.s., althans aan Newconomy, van een bedrag van € 2.004.127,- vermeerderd met rente;
- B&S International wordt veroordeeld tot betaling aan Newconomy c.s., althans aan Newconomy, van een bedrag van € 1.973.196,50 vermeerderd met rente;
- B&S c.s. hoofdelijk, althans B&S International, worden veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het binnen Publishing Partners Nederland B.V. (PPN) tot en met juni 2002 gevoerde beleid, althans tot het op de voet van artikel 843a Rv in verbinding met artikel 6:162 BW verstrekken van een specificatie met betrekking tot de rekening-courantverhouding tussen PPN en [geïntimeerde 2], op straffe van een dwangsom.

3.2

Op 29 februari 2012 is er door B&S c.s. een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring genomen. Bij faxbericht van 30 maart 2012 hebben B&S c.s. pleidooi in dit incident verzocht, waartegen door Newconomy c.s. bij faxberichten van 30 maart 2012 en 3 april 2012 bezwaar is gemaakt. De rechtbank heeft het verzoek tot het houden van pleidooi bij vonnis van 4 april 2012 afgewezen.

3.3

Op 18 juli 2012 is er door B&S c.s. een incidentele vordering ex artikel 843a Rv ingesteld. Newconomy c.s. hebben op 1 augustus 2012 een conclusie van antwoord genomen in het incident.

3.4

B&S c.s. hebben op 15 augustus 2012 pleidooi in dit incident verzocht.

3.5

Newconomy c.s. hebben bij diverse faxberichten van 14 en 15 augustus 2012 bezwaar gemaakt tegen het gevraagde pleidooi en voor hun argumentatie verwezen naar hun eerdere faxberichten van 30 maart 2012 en 3 april 2012, het vonnis van 4 april 2012 alsmede het feit dat B&S c.s. hun pleidooiverzoek naar hun mening niet hebben gemotiveerd.

3.6

B&S c.s. hebben bij diverse faxberichten van 15 augustus 2012 hierop gereageerd.

3.7

De rolrechter heeft partijen op 15 augustus 2012 zijn beslissing om geen pleidooi toe te staan mondeling laten meedelen.

3.8

B&S c.s. hebben hierop bij faxbericht van 17 augustus 2012 gereageerd met de mededeling dat het recht op pleidooi een wettelijk en fundamenteel recht is als bedoeld in de artikelen 134 Rv en 6 EVRM. Een pleidooi zou volgens B&S c.s. moeten worden toegestaan tenzij er strijd is met de goede procesorde of er een comparitie heeft plaatsgevonden.

3.9

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank het verzoek van B&S c.s. tot het houden van pleidooi afgewezen en bepaald dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 september 2012 voor vonnis in het incident. De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 2.5 en 2.6 als volgt overwogen:

"2.5 Op grond van het voorgaande zal het verzoek tot pleidooi worden afgewezen. Omdat het hier een beslissing betreft waarin het verzoek om pleidooi toe te staan wordt afgewezen is deze gegeven in de vorm van een vonnis.
2.6 Tegen dit tussenvonnis staat cassatieberoep open. Cassatie is een rechtsmiddel dat op grond van artikel 404 Rv schorsende werking heeft."

3.10

B&S c.s. hebben de rechtbank bij faxbericht van 3 september 2012 verzocht het vonnis op de voet van artikel 31 Rv te herstellen in die zin dat tussentijds hoger beroep wordt opengesteld. Newconomy c.s. hebben bij faxbericht van 4 september 2012 aangevoerd dat naar hun mening geen sprake is van een misslag of vergissing.

3.11

De rechtbank heeft partijen bij brief van 13 september 2012 van de griffier, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 11 juli 2003 (ECLI:NL:HR:2003: AF7676), medegedeeld dat het tussenvonnis van 29 augustus 2012 geen kennelijke misslag bevat en dat daarom geen herstelvonnis zal worden uitgebracht.

3.12

B&S c.s. hebben tegen het vonnis van 29 augustus 2012 zowel hoger beroep als cassatieberoep ingesteld.

3.13

In de door B&S c.s. ingeleide cassatieprocedure heeft Advocaat-Generaal mr. E.M. Wesseling-van Gent op 21 juni 2013 een conclusie genomen. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van B&S c.s. in hun cassatieberoep. De A-G heeft onder 2.5 van de conclusie als volgt overwogen:

"B&S c.s. zijn mitsdien niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep. Op grond van art. 340 Rv kan het hoger beroep alsnog na de uitspraak in cassatie binnen de gewone termijn van beroep worden ingesteld. Een daarop gericht nieuw verlof van de rechtbank is niet vereist omdat het aan art. 340 Rv ten grondslag liggende beginsel meebrengt dat in het verlof tot het instellen van cassatieberoep, het verlof tot instellen van hoger beroep op grond van art. 340 Rv besloten ligt. Nu B&S c.s. reeds hoger beroep hebben ingesteld, kan die procedure worden voortgezet."

3.14

De Hoge Raad heeft de conclusie van de Advocaat-Generaal gevolgd en B&S c.s. bij arrest van 11 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:910) niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoep. De Hoge Raad heeft daartoe - voor zover van belang - als volgt overwogen:

"De Hoge Raad verstaat de laatst aangehaalde overweging aldus dat de rechtbank tussentijds beroep van haar vonnis heeft opengesteld. Gelet evenwel op de door Newconomy c.s. ingestelde vorderingen (zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat Generaal onder 1.1) en het feit dat partijen geen sprongcassatie zijn overeengekomen, stond voor B&S c.s. hoger beroep open tegen het vonnis van de rechtbank - hetgeen zij ook hebben ingesteld, naar eigen zeggen - en derhalve niet cassatieberoep. B&S c.s. zijn derhalve niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep."

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

B&S c.s. hebben in hoger beroep vijf grieven opgeworpen. De eerste grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat cassatieberoep tegen het vonnis openstaat. De grieven 2 t/m 5 strekken in de kern ten betoge dat de rechtbank het verzoek om pleidooi ten onrechte heeft afgewezen. Het hof zal deze punten achtereenvolgens bespreken.


De ontvankelijkheid

4.2

Het hof stelt voorop dat de beslissing van de rechtbank om het verzoek tot pleidooi te weigeren, moet worden aangemerkt als een tussenvonnis (vgl. o.a. HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8463).

4.3

Artikel 337 lid 2 Rv bepaalt dat van tussenvonnissen, behoudens van vonnissen waarbij een voorlopige voorziening wordt getroffen of geweigerd, hoger beroep slechts openstaat tegelijk met dat van het eindvonnis, tenzij de rechter anders heeft bepaald.
In het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat tegen het tussenvonnis cassatie openstaat.
Deze mededeling van de rechtbank dient, blijkens het onder 3.14 geciteerde arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2013, aldus te worden verstaan dat de rechtbank tussentijds beroep van haar vonnis heeft opengesteld. De Hoge Raad heeft daarbij overwogen dat, gelet op de door Newconomy c.s. ingestelde vorderingen en het feit dat partijen geen sprongcassatie zijn overeengekomen, voor B&S c.s. hoger beroep open stond tegen het tussenvonnis van de rechtbank, en geen cassatieberoep. Om deze reden zijn B&S c.s. door de Hoge Raad dan ook niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoep.
Gelet hierop kunnen B&S c.s. worden ontvangen in hun hoger beroep. Het hof merkt daarbij nog op dat de rechtbank in de onderhavige zaak - anders dan in de zaak van de Hoge Raad van 11 juli 2003, waarnaar door de rechtbank werd verwezen - in eerste aanleg oordeelde, en niet in hoogste ressort of als appelrechter.

4.4

Grief 1 slaagt.


Het verzoek tot het houden van pleidooi

4.5

Op grond van artikel 134 lid 1 Rv wordt, voordat de rechter over de zaak beslist, aan partijen desverlangd gelegenheid geboden voor pleidooien. In de tweede zin van artikel 134 lid 1 Rv wordt op het uitgangspunt van de eerste zin slechts in zoverre een uitzondering gemaakt dat indien partijen op een terechtzitting op de voet van artikel 131 Rv hun standpunt in voldoende mate mondeling hebben kunnen uiteenzetten, de rechter kan bepalen dat geen gelegenheid zal worden gegeven voor pleidooien. Blijkens de uitspraak van de Hoge Raad van 22 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BY4124), waarin wordt verwezen naar de conclusie van de Procureur-Generaal, heeft daarbij te gelden:
- dat partijen in beginsel het recht hebben hun standpunten bij pleidooi toe te lichten;
- dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal mogen worden afgewezen;
- dat daartoe noodzakelijk is dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde;
- dat de rechter in elke van deze beide gevallen zijn redenen voor afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk zal moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk zal moeten motiveren.
In zijn arrest van 28 september 2012 (ECLI:NL:HR: 2012:BX0598) heeft de Hoge Raad bepaald dat ingevolge artikel 208 Rv onder meer het bepaalde in artikel 134 lid 1 Rv van toepassing is op het incident. De Hoge Raad heeft niet aangegeven dat alsdan een ander beoordelingskader heeft te gelden. Derhalve heeft als uitgangspunt te gelden dat partijen  ook in incident  recht hebben op pleidooi.

4.6

Newconomy c.s. hebben bezwaren geuit tegen toewijzing van het verzoek. Zij stellen dat in de bodemprocedure nog ruimschoots de gelegenheid zal zijn om  als dat wenselijk is - de wederzijdse standpunten mondeling toe te lichten. Daarbij zijn Newconomy c.s. van mening dat toewijzing van het verzoek zal leiden tot een onredelijke vertraging van de procedure.

4.7

Ook de motivering van de rechtbank steunt deels op het argument dat aan het recht van partijen om hun zaak mondeling voor het voetlicht te brengen geen afbreuk wordt gedaan, nu er in de hoofdzaak nog een mondelinge behandeling zal kunnen plaatsvinden in de vorm van een comparitie of een pleidooi.
De rechtbank motiveert de afwijzing van het verzoek voorts aldus dat een bewuste keuze van de wetgever om de mogelijkheid tot het nemen van verdere conclusies in incidenten te beperken (artikel 208 lid 2 Rv), zich niet verdraagt met een ongeclausuleerd recht op pleidooi in incident.
Tot slot heeft de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat B&S c.s. niet deugdelijk hebben gemotiveerd waarom een pleidooi in dit specifieke geval aangewezen is.

4.8

Het hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat partijen op het moment dat B&S c.s. hun verzoek tot pleidooi indienden, hun standpunten nog niet eerder mondeling ten overstaan van de rechter hadden uiteengezet. De procedure was in de bodemprocedure op dat moment nog niet geheel uitgeconcludeerd (er was nog geen conclusie van antwoord in reconventie genomen). Alvorens te beslissen over het artikel 843a Rv verzoek van B&S c.s. diende de rechtbank in beginsel B&S c.s. toe te laten tot het door haar verzochte pleidooi in het exhibitie-incident van artikel 843a Rv. De beslissing daarop kan van belang zijn voor de wending die de hoofdzaak neemt en leent zich er daarom voor om vooraf te worden beslist. Indien de rechtbank van oordeel was dat, gelet op het aantal reeds opgeworpen incidenten en de duur van de procedure, het aangewezen was om tevens de hoofdzaak te instrueren en die in staat van wijzen te brengen, had de rechtbank in die zin kunnen beslissen, bijvoorbeeld door te bepalen dat eerst de conclusie van antwoord in reconventie moet worden genomen en dat daarna het pleidooi in het incident wordt gehouden, gecombineerd met een comparitie in de hoofdzaak, dan wel desgewenst een pleidooi in de hoofdzaak (vgl. de conclusie van de A-G bij HR 16 november 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BX7886).
De rechtbank heeft evenwel het pleidooi geweigerd en de zaak tevens voor vonnis in het incident verwezen. Die beslissing is onvoldoende gemotiveerd. Aan de motivering om een pleidooi geheel te weigeren voordat een beslissing wordt genomen, worden hoge eisen gesteld (vgl. HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254). De door de rechtbank gegeven motivering van haar afwijzing van het verzoek tot het houden van pleidooi, voldoet naar het oordeel van het hof niet aan deze daaraan te stellen hoge eisen: de rechtbank laat na te motiveren dat toewijzing van het verzoek strijd oplevert met de eisen van een goede procesorde, terwijl de omstandigheid dat in de hoofdzaak nog gelegenheid zal worden geboden voor een mondelinge behandeling niet kan dienen als motivering van het oordeel dat aan het recht van partijen om hun zaak mondeling voor het voetlicht te brengen geen afbreuk wordt gedaan, nu de rechtbank dan immers reeds over de op artikel 843a Rv gebaseerde vordering zal hebben beslist.

4.9

Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen kan de overweging van de rechtbank, inhoudende dat van partijen die pleidooi vragen in een incident mag worden verwacht dat zij deugdelijk motiveren waarom pleidooi in dit specifieke geval aangewezen is, waarna de rechtbank zal moeten beoordelen of een pleidooi noodzakelijk is, geen stand houden.

4.10

Ook in de overweging van de rechtbank dat - kort gezegd - het bepaalde in artikel 208 lid 2 Rv zich niet verdraagt met een ongeclausuleerd recht op pleidooi in een incident, kan geen reden worden gevonden aan B&S c.s. het recht op pleidooi te ontzeggen.
Nog daargelaten dat deze overweging van de rechtbank niet kan dienen als motivering van het oordeel dat het gedane verzoek om de zaak te mogen bepleiten in dit geval in strijd is met de eisen van de goede procesorde, overweegt het hof dat artikel 208 lid 2 Rv een beperking bevat op het nemen van conclusies van repliek en dupliek, en niet een inperking op het recht van pleidooi. Bovendien heeft de Hoge Raad nog recentelijk, in het genoemde arrest van 28 september 2012, uitdrukkelijk geoordeeld dat als uitgangspunt heeft te gelden dat partijen - ook in incident - recht hebben op pleidooi.

4.11

Ten aanzien van het bezwaar van Newconomy c.s. dat toewijzing van het verzoek zal leiden tot een onredelijke vertraging van de procedure, overweegt het hof tot slot als volgt. Het hof heeft hiervoor onder 4.8 reeds aangegeven hoe de rechtbank, zonder in strijd te komen met het recht op pleidooi zijdens B&S c.s., aan dit bezwaar van Newconomy c.s. recht had kunnen doen.

4.12

De grieven 2 t/m 5 slagen.


De slotsom

4.13

Het hof zal het vonnis van de rechtbank Groningen van 29 augustus 2012 vernietigen. Het hof zal de zaak naar - thans - de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, verwijzen opdat de rechtbank alsnog met inachtneming van dit arrest partijen zal laten voortprocederen.

4.14

Het hof zal geen beslissing nemen over de proceskosten in eerste aanleg; hierover zal door de rechtbank in haar (eind)vonnis moeten worden beslist.
Newconomy c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, waarbij het hof de kosten van het herstelexploot als nodeloos gemaakt voor rekening van B&S c.s. laat.

4.15

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van B&S c.s. zullen als volgt worden vastgesteld:
- explootkosten € 76,17
- griffierecht € 666,-__
subtotaal verschotten € 742,17

- salaris advocaat (1 punt, tarief II) € 894,-__
totaal € 1.636,17

5 De beslissing



Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Groningen van 29 augustus 2012;

verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, teneinde met inachtneming van dit arrest verder te worden afgedaan;

veroordeelt Newconomy c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van B&S c.s. vastgesteld op € 742,17 voor verschotten en op € 894,- voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. K.E. Mollema, mr. J.H. Kuiper en mr. M.E.L. Fikkers en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 december 2013.